Stamboom Van den Brande

Op deze website vindt u de stambomen van de familie Van den Brande, die vanaf 1290 voorkomt in het Land van Breda; in het bijzonder in de omgeving van Etten-Leur.

Uit deze familie stamt in rechte mannelijke lijn ook een familie Van Etten, Maaten en Maten.

Inleiding

Op deze website vindt u de stambomen van de familie Van den Brande, die vanaf de 13e eeuw voorkomt in het Land van Breda. 

Omstreeks het jaar 1290 worden de eerste personen met deze familienaam vermeld in Etten en Lies (tussen Etten en Breda). 

In de veertiende eeuw vinden wij in het land van Breda alleen in Etten Van den Brande’s.  Anno 1353  is een Van den Brande schepen in Etten in de Palen van de Hoeven. Rond 1390 leefden meerdere Van den Brande’s in Etten en omgeving. Een van hen is dan weer schepen in Etten in de Palen van de Hoeven. 

In de vijftiende eeuw verspreidt de familienaam zich verder in het land van Breda. Drie takken die uit Etten afkomstig zijn vestigen zich dan in Breda, maar zij zijn dan ook te vinden in Bavel en in Oosterhout. Ook in Steenbergen en Wouw zijn dan Van den Brande's te vinden.

Of het daarbij gaat om leden van de zelfde familie is onzeker.

In de zestiende eeuw trekken Van den Brande’s in zuidelijke richting naar Antwerpen, Brussel en Bornem (zie pagina Etten-Breda) en in noordelijke richting, waarna zij zich in de zeventiende eeuw in Dordrecht en Rotterdam-Kralingen vestigen. 

De naamsvarianten

De oudste schrijfwijze is Van den Brande en de huidige schrijfwijze is dat nog steeds. In de loop van de tijd waren er echter vele varianten: Van den Branden, Van den Brandt, Van den Brant, Brandeke en Van den Brander. 

De laatste naamsvariant ontstond aan het einde van de 18e eeuw, toen de kinderen van Aart van den Brande (ook Aart van den Brander genoemd) als Van den Brander werden ingeschreven in het Kralingse doopboek. Aart liet zelf bij zijn tweede huwelijk getuigen verklaren dat zijn naam Van den Brande was. Zijn zonen voerden wel de naam Van den Brander. De kleinkinderen van Aart noemden zich weer Van den Brande, dit echter met uitzondering van de kinderen van Pieter van den Brander, die naar Zoeterwoude verhuisde. Zij bleven de naam Van den Brander voeren. De tak die zich Van den Brander noemde is inmiddels uitgestorven.

Ook is er een tak waar de achternaam in de zestiende eeuw in onbruik raakte. Het betreft de afstammelingen van Adriaen Laureys Anthonis Aerts van den Brande, vermeld onder IVc, die zijn achternaam niet meer voerde. Zij noemden zich ondermeer Van Etten en Maet.

De eerste vermeldingen in 1287 en 1293

De oudste vermeldingen van Van den Brande’s betreffen transacties met kloosters, die in de Middeleeuwen grote grondposities hadden in het land van Breda.

In een Latijnse akte d.d. 8 september 1287, gepasseerd voor de schepenen van Bergen op Zoom, wordt vermeld dat “Johannes de Brande” (Jan van den Brande) 14 bunder land onder Lies, gelegen tussen Etten en Breda, heeft gepacht van de proost van St. Catharinadal te Breda. De 14 bunder wordt in de akte aangeduid als “terre culte et inculte vel circiter site juxta locum qui dicitur Lies”. Het betrof zowel ontgonnen, als nog te ontginnen land.

In een Latijnse akte d.d. 24 juli 1293 die wordt bewaard in de abdij van St. Bernard te Hemiksem wordt “Arnoldus filius Henrici de Brande” genoemd die samen met anderen de vestiging van een cijns (erfpacht) door zijn vader op het erfgoed te Sprundel-Etten bevestigt. Het ging om land gelegen aan de “Sprundelestrate” - waarschijnlijk de weg van Sprundel naar het Goed van Ikkel dat was gelegen onder Etten.

De vermeldingen in de 14e eeuw

In 1353 is ene Jan van den Brande, schepen in de palen van de hoeven te Etten. In 1389 is wederom een Jan van den Brande daar schepen.

In 1396 worden te Etten Marten van den Brande en Peter van den Brande vermeld.

Aan het einde van de 14e eeuw leefde te Etten ook ene Aert van den Brande, wiens zoon Cornelis schepen van Etten was.

De eerste generaties

Het grondbezit van de familie Van den Brande in Etten lijkt zich in de vijftiende eeuw te concentreren in Attelake en in het Elshout. Dat is typisch voor de Ettense boeren, die woonden op het hoger gelegen Attelake en graslanden bezaten in het Elshout (later de Oostpolder). De afstammelingen van de omstreeks 1400 levende Jan en Aert van den Brande hebben daar lange tijd op diverse plaatsen naast elkaar gelegen gronden in bezit. Dit duidt op een nauwe verwantschap.

Ten zuidwesten van Attelake lag het gebied Den Brande en het is goed mogelijk dat de familienaam daar haar oorsprong vond.

Het bezit in het Elshout gaat, gelet op het voorkomen bij de Jan en Aert-groep, waarschijnlijk terug tot minimaal 1350. Als de gemeenschappelijke voorouder toen leefde dan zouden Jan en Aert broers zijn. Een hypothetische opstelling is dan als volgt.

I N.N. van den Brande, geb. ca. 1330.

Kinderen:

1. Jan volgt II

2. Aert volgt II

II Jan van den Brande, geb. ca. 1360

Kinderen:

1. Cornelis 

2. Adriaen 

 3.Jonkvrouwe Heylwich, geb. ca. 1390, ovl. voor 1467, tr. Franck van Kuyk, mede-heer van Beijssel, Beke, Meire, burger van Hoogstraten.


4. Soete, tr. (1) Claes Jacob Cocx, tr. (2) Peter Arnout Heys


II. Aert van den Brande, geb. ca. 1360.

Kinderen:

1. Jan, geb. ca. 1390 of eerder

2. Cornelis, geb. ca. 1390 of 


Zwakke schakels

De stambomen zijn onderverdeeld in verschillende familiegroepen. De verbanden tussen de oudste generaties zijn niet altijd zeker. Waar een link niet zeker is wordt dit met een asterix (*) aangegeven.

Op deze pagina vindt u de familiegroep van Aert van den Brande. De andere groepen vindt u op de andere pagina’s.

De familie Van den Brande uit Rotterdam-Kralingen stamt af van Aert van den Brande (IVa) die in 1522 woonde aan de Dongense zijde van de Groenstraat (een straat op de grens van Oosterhout en Dongen). .

Aert van den Brande wordt in 1522 vermeld in een register van de Heilige Geest te Oosterhout. Hij moet over zijn boerderij en land in de Groenstraat in Dongen (dat kerkelijke onder Oosterhout viel) nog voor vier jaar een lopen rogge betalen. Hij woonde dus mogelijk al in 1518 in de Groenstraat. Voor 1522 zijn geen Van den Brande’s in Dongen gevonden. Ook woonde daar geen naaste familie van Aert van den Brande.

In 1517 wordt ene Aert van den Brande vermeld als belender in Stuivesand (in het noord-westen van Oosterhout). Deze Aert moet in 1518 zijn huis en land verlaten als een schuldeiser het bezet. Hij woonde maar kort in Stuivesand. Het huis met een halve bunder land werd in 1516 door hem gekocht. De aankoopakte is interessant omdat daaruit de naam van zijn vader blijkt. Aert wordt dan namelijk aangeduid als Aert Aertsz van den Brande. Deze combinatie is maar een keer eerder gevonden: in 1504 verkocht Aert Aertsz van den Brande de boerderij en het land van zijn ouders, gelegen op de Lijndonk in Bavel. Dus ten zuiden van Oosterhout. Deze Aert Aertsz van den Brande wordt na de verkoop in 1504 in Bavel niet meer aangetroffen. Zeer waarschijnlijk gaat het dus steeds om dezelfde Aert van den Brande.

De vader van Aert van den Brande, dus ook Aert van den Brande geheten, kocht in 1479 de boerderij met land op de Lijndonk te Bavel. Waar hij vandaan komt is onzeker. Voor 1479 zijn geen Van den Brande’s te Bavel bekend. Wel in het nabij gelegen Dorst (Oosterhout), maar daar komt de naam Aert van den Brande niet voor.

In Etten wordt in 1470 wel een Aert van den Brande genoemd: Aert Anthonis Aertsz van den Brande. Hij wordt nog wel vermeld in het cijnsboek van Etten uit 1484 met wat land in Attelake uit de erfenis van zijn vader. Deze vermelding kan echter wat ouder zijn. Van deze Aert Anthonis Aertsz van den Brande ontbreekt in Etten verder ieder spoor. Dit terwijl zijn broer met zijn huis en land op Attelake herhaaldelijk voorkomt. De Aert van den Brande uit Etten is dus of jong overleden of hij vertrok naar elders. In dat laatste geval vestigde hij zich waarschijnlijk in 1479 op de Lijndonk. Omdat dit niet zeker is zijn Aert van den Brande uit Lijndonk en Aert van den Brande hier onder als (mogelijk) aparte personen opgenomen. Omdat een verband tussen beide wel aannemelijk is, de eerstgenoemde Aert van den Brande wel opgenomen in de Ettense familiegroep.

Familiewapen

De eerste wapens die in deze familie bekend zijn staan afgebeeld op schepenzegels uit de eerste helft van de 15e eeuw. Het gaat om het zegel van Cornelis Jansz van den Brande, schepen van Etten in de palen van de Hoeven, 1435, 1438, 1439, 1442-46, 1458, 146, en het zegel van Cornelis Aertsz van den Brande, schepen van Etten in 1440, 1442, 1443 en 1446.

Cornelis Jansz van den Brande, zegelde met een plant met daarop drie vogels. Cornelis Aertsz van den Brande met een lam gods. Deze wapens lijken vooral persoonlijke wapens te zijn. Het gebruik van persoonlijke zegels was toen in opkomst. De Jan van den Brande die in 1353 en 1389 schepen was in Etten in de palen van de Hoeven, had nog geen eigen zegel. 

In de loop van de 16e eeuw wordt in deze familie door twee verschillende takken hetzelfde familiewapen gebruikt. Deze takken hebben op hun vroegst een gemeenschappelijke voorvader in Etten rond 1370. Ondanks die verre verwantschap was er toch het besef van een gemeenschappelijk oorsprong. Het gebruik van hetzelfde wapen symboliseerde die band, ondanks dat de gemeenschappelijke voorvader dit wapen niet voerde. 

Het familiewapen toont een zwarte leeuw op een gouden achtergrond. De leeuw is omringd door zwarte blokjes. In sommige afbeeldingen ontbreken deze zwarte blokjes. Op het wapenschild bevindt zich een helm met een pauwenstaart.

Ir. Chr. Buiks, Oude familienamen in de Baronie, p. 204, vermeldt over het familewapen:

“In 1629 wordt het wapen van het geslacht Van den Brande beschreven. Het bevond zich in een glas (venster) op de achterbovenkamer van het huis van Dingeman van der Locht, dicht bij het kasteel van Breda. Het vertoonde een zwarte leeuw op een gouden veld met boven ‘op den timmer eenen paeuwensteert’. De verklaring werd afgelegd op verzoek van Charles Schotte, wiens moeder was Elisabeth van den Brande. In 1631 wordt het wapen omschreven als ‘een schildt van goudt met eenen swarten leeuw geblockeert met swert billeten dragende op den timber oft helm eenen paeuwensteert’. Het wapen bevond zich al meer dan 60 of 80 jaar in het boven beschreven huis”. Zie RA Breda 824 f 292v en 825 f24v.

Zie voor het wapen de afbeelding boven aan deze pagina.

 Familiegroep: Aert van den Brande

De eerste Aert van den Brande in deze groep is geboren ca. 1360 of wat later. Zijn zoon Cornelis Aertsz van den Brande is schepen in Etten. Zijn zoon Jan Aertsz van den Brande koopt in 1421 11,5 bunder land in Sprundel. Cornelis Aertsz van den Brande is in 1427 belender van ene Aert van den Brande. Mogelijk was dit zijn broer. Het kan echter ook zijn vader zijn.


I. Aert van den Brande, geb. ca. 1390 (of eerder), woonde te Etten, tr. Gheyle, ovl. in of na 1430, zij was een zuster van Lysbeth (Jan Lams dochter).

Kinderen:

1. *Jan volgt IIa

2.* Cornelis volgt IIb

2. Anthonis, geb. ca. 1420, volgt IIc

3. N.N. dochter, waarschijnlijk Adriana, tr. Mathys Lenaerts, schepen van Etten (1457), zij hebben een dochter Gheilen Thys Lenaertsdr “diemen heet vanden Branden” en een kleindochter Adriana Aert Thys Lenaertsdr van den Brande. (RAWB Etten R 273, f. 26v, 17-03-1497).

Opmerking: de sub 1 en 2 genoemde Jan Aertsz en Cornelis Aertsz van den Brande zouden ook broers van Aert kunnen zijn.

Aert van den Brande bezat o.a. grond te Etten in Attelake, Borckelaers bloc, in ’t Goed van Ykkel en in ’t Elshout.

Het bezit van Aert in Attelake was acht bunder (ruim tien hectare) groot. Het grensde aan het land van Cornelis Jansz van den Brande. De helft daarvan kwam in het bezit van Domaes van den Brande die ten oosten van dit perceel zelf al grond bezat. Aerts kleinzoon Aert Thonisz van den Brande erfde 2 bunder. Zie de vermeldingen uit het cijnsboek (de cijnsen die de heer van Breda hief over in Etten na 1287 ontgonnen gronden). 

GA Antwerpen schepenen R 13, f. 57, 24-12-1427 Cornelys Aertssone van den Brande, gheseten tot Ettene, vercocht Gomare Willeme ende huere naturlike kinderen (bij) Wilm Willems van Ranst, (een lijfrente) op:

-zijn stede met huis, hof en land, groot ca. 8 gemeten, ghelegen tEttene, tusschen den ghemeynten wech in de Banacker ende Jan Fiers kinderen erfgenamen, west sheerenstrate.

-Item op VIIIc roeden maden ghelegen aldaer int goet van Ykele, tusschen Aert van den Brande ende Pauwels Dongeneers zone, comende metten oesteynde aen de goede van Ykel strate, Gheert Besseler, gheseten aldaer, als borge.

Heilige Geest Etten 1430 Gheyle vanden Brande geeft I halster erfrogs; oude inhoudsmaat = ongeveer 173 liter rogge (graan).

GA Antwerpen schepenen R 18, f. 102, 29-10-1431 Diederic Alaert Jacobssone bezat twee bunder beemden te Etten, gelegen “aldaer int Elshout, tusschen Henric Bettensoens kynderen ende Aert van den Brande”.

RAWB Etten R 261, f. 61v, 07-09-1471

Bie, Thonis, Werck, scepenen inde palen etc. Aert Henrick Domas vendidit Bertelmeeus Willems Monincx die helft van neghen lopen erfrogs in afslage etc. en enen gelyc uutgaende; dar af die wederhelft den vors. Aerde noch toebehoert. Dandum op Sinte Laureys dach, veronderpant op een buynder maden in Borkelaers-block, west: Ettensche Lake, oost: Aert van Brande erfgenamen, noord: Symon Henricxzn. kinderen. Te vrien met enen zester rogs lyftochten en vier stuvers groten payements erfchyns voer uutgaende. Item noch V oude penningen op twee gemeten maden luttel, in Borckelaers-block, west: Ettensche Lake, noord: heymade, oost: Cornelis van Brande, zuyt: Claes Avenzn. erfgenamen. Te vrien met heren chyse na inhout, ut in litteraam quod penes me non est. Gevest


 RAWB Etten R 264, f. 2v, ..-..-1479 een gemet ettingen westside: Godevaerts wilen vanden Dike, oostside: wilen Aerts erve den Brande.

RAWB Etten R 274 (of 275), f. 37, 03-04-1498 Huig, Lau scepenen inde palen vander Hoeven tot Etten, etc. Orconden en certificeren waerachtich synde dat op huden, datum ondergescreven voir ons syn comen Jan Jan Aerts vander Werke en Roelof van Vliet en Lysbet Jannis Noeydens dochter, kennen en lyden dat Aert vanden Brande, saliger gedachten, een oude vader was van Lau Thonis Aertsz. vande Brande impetrant en verlanger van desen brieve Voirt kent de selve Elisabeth dat Lysbeth (tussen geschreven: Jan Lams dochter), Claes Veren huisvrouwe was, oic een suster van Gheylen vanden Brande, Aert vanden Brande huisvrouwe was, welke Elisabeth was een grootmoeder van Lambrecht Vere, en dat die selve Gheyll was een oude moeder vanden voirs. Lauwereys, en dat denselven Lauwereys een achtersusterskint (= achterneef) is van Lambrecht van Vere

. [inde marge: maar niet duidelijk waar dit tussengevoegd moet worden, staat]:"en Cornelie Thys Lenaerts-dochter"

Actum den 3den inden Aprill.

RAWB Etten R 305, f. 38, 03-01-1538 Cornelis Pauwels Piggen als voight van Heeren Adriaen Hey, heeft met recht doen besetten zyne onderpant als in handen heeft Adriaen de Bye cum suis geweten: VII gemeten beempden oft, gelegen inde "Elsmade", oost en noord: den Elshoutschen Wech, zuid: aen derve dat wylen Gheylen Aerts vanden Brande wittige wyf was, en Thonis hueren zoen toe te behoiren plach, west: aen Gheert Anssen erve, voer zyne gebreck van VI ½ gouden rynsgulden verschenen mertini van buyten en bynnen jaers. Gevest de 3de jan. Present, Buysse en Pierssen.

IIa. Jan Aertsz van den Brande, geb. ca. 1395, hij verkocht in 1470/71 diverse goederen te Etten.

Kinderen:

1. Jacob volgt IIIb.

GA Antwerpen schepenen R 7, 210v, 17-05-1421 Jacop Janssone van Lyere gaf terve Jannen Aertssone van den Brande XI ½ buynder lands ghelegen te Voerne, tusschen Nout Mathyssoens land aen beyde zyden. Ende noch VII gemete lands, ghelegen aldaer, tusschen Coppen Coevoets ende Henrick Moerincs, tsjaers omme IIII ½ zister rogs, dandum te Lichtmisse, te leveren te Willem Diedericx soens huyse int oesteynde van Sprundel, metter breetscher maten. Te winnen op II corevorstche gulden erfelic Aerde van den Houte, ende IX loepen rogs ende I derden erflic Heinric Moerinc, ende ½ loepen rogs erflic den Heiligen Gheest van Sprundel vuten voirs. XI ½ buynder land jaerlix gaende, ende III oude groten erflic vuten voirs. VII gemete.

GA Antwerpen schepenen R 45, f.204, 25-11-1452 Jan van den Brande ende Jan Coevoet, beyde geseten int lant van Voerne bynnen den prochie van Sprundele, debent Godefroid Bousquiel XLII gulden, X stuvers voer elken gulden gerekent.

GA Antwerpen schepenen R 48, f.277, 09-01-1455 (1454) Jan vanden Brande ende Jan Coevoet, wonende tSprundele int lant van Voirne, debent elc I voer al Godevaerde Bosquiel XXXVI Arnoldus gulden, elken gulden te X stuvers gerekent.

GA Antwerpen schepenen R 87, f. 73, 13-06-1475 Meester Peter van der Voert, vore hem selven ende in den name van Jouffr. Marien sMaechts, zynte huysvrouwe, Godevaert du Bosquel Godevaertszone wilen, vore hem selven, ende Costen van der Heyden, vore hem selven ende in den name van Jouffr. Clemeycien Bosquiel, zynre huysvrouwe, vercochten Adriane Willemszone van Oeckele, wonende tSprundele, die IIII 1/2 zisteren rox tsjaers erflic, die zy heffende waren op XI 1/2 buynderen lants te Vuerne, ende op II gemete lants, ghelegen aldaer, welc lant Jacop Jans van Lyere inden jare MCCCC ende XXI, XVII dage in Meye* Janne van den Brande opte voirs. IIII 1/2 zisteren rox erlic terve gegeven hadde.

* zie aldaer.

Etten Cijnzen BHIC 91R 95 f22 Jacop Soetensoen van den goede tot Sprundel aan de Hortmeerstrate ende de vroente aldaer neven Jan van Branden geheyten Geijlmansheijninge wijle Alairt Luten soen.

RAWB Etten R 258, f. 20v, 14-03-1467 Jan Cop Hugen. Godert, Henrick, Voecht, scepenen tEtten, Adriaen Daneel Clais van Steen, heeft uutgegeven Jan Jacob Hugen vyer gemeten lants, luttel, gelegen oestwaert: aen Hotmaerstrate, suyt: Jan Claeszn. van Steen erfgenamen, west: aen Jan Aerts van Brande, noert; Wil Timmermans erfgenamen. Om drie gouden arnoldus gulden tsjaers erfchyns, vel valorem, voer datum etc. munten sHertogen Arnouts etc. Dandum Adriaenen vors. mertiny. Te vryen met heren chyse en thiendalf scheisken payements, en metten erfchys voers. En want hi gelt gegeven heeft voer diebeterschap, soe is hy dar in gevest.

RAWB Etten R 260, f. 21, 24-02-1470 Godert, Coninc, Voecht, scepenen tEtten, Jan Aertszn. vanden Brande, vendidit Jacob Jan Claes Conincx, een halster erfrogs, Dandum op Lichtmisse, veronderpant op een gemet lants luttel, metten huse dar op staende, dar Aert Schoenhout plach te wonen, en nu van Aert Henrick Domas vercregen heeft, gelegen o: Henrick Ringelberchs erfgenamen, z: Meeus Pauwelszn, w: aen die Neerstrate, en n: Henrick van Etten, Te vryen met heren chyse en metten halster vors. Gevest. Datum ut supra.

RAWB Etten R 260, f. 22v, 09-04-1470 Siers, Ceters, Bye, scepenen inde palen, Jan Aertszn. van Brande, vendidit Cornelis Godert Louwers Tweehondert roeden erfs of alsoe groet etc, gelegen op Ettelaeck, o: Thonis Wouter Wyns, z: oec Thonis Wouter Wyns, w: Thonis Aertszn. vanden Brande, n: oec Thonis Aertszn vanden Brande. Met vorwaerden dat die vors. II.C. (200) roeden erfs wegen sullen over Thonis Aertszn voirs. messie (mestvaalt) tot op sheren strate, gelyc alster dar over enen soecwech sculdich is te wegen, tevaren en te keren. Te vryen met sheren chyse. Behoude¬lyck dat mepant is met anderen erve dar toe behorende, als van enen borgh scilt erfchys, die Wouter van Dielbeke dar op heffende is na inhout. etc. met vor¬waerde, worde Cornelis voirs. vanden Schilt erfchys vors. beschaet, te verhalen op een huysken en erve met sinen toebehoirten, gelegen inde Kotelstrate, z: Kerstiaen Jacobszn., Willem Peter Stuvers en Heyn sWevers erven, w: oec Willem Peter Stuvers, n: Peter Henricxzn van Dorst. Te vryen met X groeten payments erfchys voer uutgaende. Gevest

RAWB Etten R 260, f. 57, 05-03-1470 Peter, Siers, Ceters, scepenen inde palen, Peter Henricxzn. van Dorst, dedit Jan Janszn. van Lyndonck Een hofstat en erve, also groet etc. gelegen o: aen die strate geheten die Cotelstrate, z: Jan Aertszn. van Brande huys en erve, w: Willem Peter Stuvers en n: Adriaen Ansem; om vierthiendalven silveren penninc geheiten stuver, munten sHertogen van Burgondien en van Brabant, voer daten, vel valorem tsjaers erfchys. Dandum op mertiny, veronderpant etc. Te vryen met heren chyse met vorwerden dat Jan Janzn. voirs. gelooft dar op te setten en doen timmeren een huys met drie gebinden; om die erfchys voirs, te bat te versekeren en (te) dar me (de) te verpanden ut in forma. Gevest Jan vors. Datum V Mercy anno LXX. Scripta et solvit pro Petro.

RAWB Etten R 260, f. 43, 10-06-1470 Godert, Voecht, Stromp, scepenen tEtten, Henrick Jans Vleminc soen heeft ontfangen ten rechten erve tegen Willem Han Celen die percheelen van erven hier na genoemt: Inden jersten een half buynder lants luttel, geheten sLang stuck, o: Jan Somerlants erfgenamen, z: Claes Timmermans erfgenamen, w: Claes van Steen en Jans van Brande erven waren; En half die heyningemet half den bossche, houdende twee gemeten erfs, luttel, streckende metten noertende aen die Ackerstrate, w: Henric Hugensz. erve was.

Item noch een stuck goets geheten tKalverbuchtken, met half den bossche, houdende tweehondert roeden erfs, luttel, streckende metten westside en noerteynde: aen Heyn Hugen erve was, metten oestside: aen Claes van Steen erve was.

Item noch een huecsken erfs metten scaepskoyen, also verre alst binnen onsen vierscharen bepaelt en gelegen is.

Item noch omtrent hondert roeden erfs of alsoe groet etc. n: Coppen Olen, z: aen de erve geheten sLangstuck voirs. Om twee viertelen erfrogs Dandum (Willem Jan Celen vors. et successores) op Lichtmisse, veronderpant op die perchelen van erven voirs. Met vorwaerden dat Henrick voirs. if syn nacomelin¬gen dese twee viertelen


 RAWB Etten R 261, f. 76, ..-..-1471 Siers, Ceters, Bie, scepenen inde palen, etc. Jan Aertsen vanden Brande vendidit Jan Jan Mertens een huys en erve met een hove en syner toebehoer-ten, gelegen inde Molenstrate, oost: aende Ketelstrate, zuyt: Henrick Jansen van Herle en Kerstiaen Jacobs, west: Willem Peters Stuvers, noord: Peter Henricx van Dorst. Te vryen met drie leliplacken erfchyns en enen bourgondischen Philips scilt die Wouter van Dielbeke dar op heffende is na inhout. Gevest.


 

IIb. Cornelis Aertsz van den Brande, schepen van Etten 1440, 1442, 1443 en 1446.

Kinderen:

1.* Gheyle Cornelis van den Brande volgt IIIa

Verschillende zegelafdrukken uit 1442 en 1443 met het wapen van Cornelis Aertsz van den Brande: een omziend lam gods, waarachter een kruis staat, met een wimpel aan de top. 

Hij bezat oa. een stede met huis, hof en land in (of naast) de Banacker.


 GA Antwerpen schepenen R 13, f. 57, 24-12-1427 Cornelys Aertssone van den Brande, gheseten tot Ettene, vercocht Gomare Willeme ende huere naturlike kinderen (bij) Wilm Willems van Ranst, (een lijfrente) op zijn stede met huis, hof en land, groot ca. 8 gemeten, "ghelegen tEttene, tusschen den ghemeynten wech in de Banacker ende Jan Fiers kinderen erfgenamen, west sheerenstrate. Item op VIIIc roeden maden ghelegen aldaer int goet van Ykele, tusschen Aert van den Brande ende Pauwels Dongeneers zone, comende metten oesteynde aen de goede van Ykel strate, Gheert Besseler, gheseten aldaer, als borge.”

Schepenbank Leuven 18-11-1431 Folio 78V°

 It(em) Willem Janss Witten soen van acte(n) die als Sente Pet(er)s man Loeven en(de) Cornelijs Arnts sone vanden Brande hebbe(n) voe(r) s(en)te peters ma(n)ne va(n) loeven [h(ier) na genoemt] dach genome(n) int recht te come(n) voe(r) meye(r) en(de) s(en)te peters ma(n)ne van loeve(n) van alsulk(er) sake(n) d(aer) om de vors(creven) wille(m) de(n) vors(creven) cornelijs in hadde doe(n) scriven van en donredaghe naist comende ov(er) drye weken te mistide om alsdan d(aer) af te plege(n) des recht sijn [wise(n)] sal p wanczele py(n)noc iunior des dijsdaeghs xviii dage in septe(m)br(is)

GA Antwerpen schepenen R 19, f. 395, 05-01-1433 (1432) Cornelis Aertssone van den Brande ende Henrick van der Hulst, beide van Etten, vercochten Henrick ende Zonen, wettich kynderen Willem Stoggen, ende Janne van Oesterhout Michielssone XXX sc. grot op een stede met huis ende hove, gronde, lants etc., houdende IIII buynder, tEtten opten Haenberch tusschen sheeren strate ende Jan van Brabant.

Item op II gemeten maden aldaer tusschen Henrick Peter Cleyssoens sone ende Peter Janssoens erfgenamen.

Item op II gemeten maden aldaer aen Kelsdonc, tusschen Gielis Meeus Wynters ende Zoete Conincx, den voirs. Henrick toebehoerende.

Item op II gemeten maden, aldaer op Stripen tusschen Jan Naes ende Philips van der Leck erfgenamen.

Item op II gemeten maden, aldaer in de Heyster made, tusschen Jan Gheenen soens kynderen erve ende Aerts erfgenamen van den Houte.

Ende op VIIIc roeden lants, aldaer inde Banacker, tusschen Jan Godevaertsoens erve ende Willem Domaes soens erve (den voirs. Cornelis toebehoerende). Dandum Bavonis, te Antwerpen te leveren.


IIc. Anthonis Aertsz van den Brande, geb. ca. 1420, tr. N.N. , waarschijnlijk Maria.

Kinderen:

1. Aert, geb. ca. 1445, volgt IIIc.

2. Jan, volgt IIId.

3. Lau(reys), volgt IIIe.

4. N.N. dr. volgt IIIIf.

5. N.N. dr. volgt IVg.

Hij bezat o.a. land op Attelake en in ’t Elshout.

RAWB Etten R 254, f. 19, ..-..-1462 Siers, Dorst, scepenen in de palen etc, Anthonis Aerts van den Brande debet Mattheeus Jacob Wil Elen tbv Willem Jacob Wil Elen sui fratris wittiche kinderen, // XVIII gulden X stuvers pro quolibet. Dandum bavonis proximo. Pande. Datum.

RAWB Etten R 258, f. 12, 23-03-1467 Toen Wouter Wynricx. Peter, Siers, Ceters, scepenen inde palen, Anthonis Anthonis Jan Reynbouts vendidit Anthonis Wouter Wynricsen, die helft sceidinge vander husinge en erfnisse mit haeren toebehoerten, ghelyc alse drie buynren erfs, luttel, of also groet ghelyc datse Anthonis Anthonis Jan Reymbouts vors. vortyts vercregen heeft tegen Domaes Henrick Domaes die deselve halfsceidinge gecocht hadde tegen Henrick Claes Kox soens sonen gelegen suytwaert aen die wederhelft vanden husinge en erfnisse die Soeten Peter Arnout Heys weduwe, Henricx en Joes Clais moeder toebehorende west: Adriaen Wouter Lauwen en Toenis Aertsen van Brande erve, oost: Cornelis Adriaen Dirick Heylens erfgenamen en Boyen Gheertszn. noord: sherenstrate. Te vryen die helftsceidinge vors. met heren chyse en met seven viertelen erfrogs die Roel Meeus Alaerts heffende is na inhout etc. en noch met een viertel erfrogs die Adriaen Jacob Wagemakers heffende is na inhout. Behoudelic dat medepant is etc. Gevest.

RAWB Etten R 260, f. 22v, 09-04-1470 Siers, Ceters, Bye, scepenen inde palen, Jan Aertszn. van Brande, vendidit Cornelis Godert Louwers Tweehondert roeden erfs of alsoe groet etc, gelegen op Ettelaeck, o: Thonis Wouter Wyns, z: oec Thonis Wouter Wyns, w: Thonis Aertszn. vanden Brande, n: oec Thonis Aertszn vanden Brande. Met vorwaerden dat die vors. II.C. (200) roeden erfs wegen sullen over Thonis Aertszn voirs. messie (mestvaalt) tot op sheren strate, gelyc alster dar over enen soecwech sculdich is te wegen, tevaren en te keren. Te vryen met sheren chyse. Behoudelyck dat mepant is met anderen erve dar toe behorende, als van enen borgh scilt erfchys, die Wouter van Dielbeke dar op heffende is na inhout. etc. met vor¬waerde, worde Cornelis voirs. vanden Schilt erfchys vors. beschaet, te verhalen op een huysken en erve met sinen toebehoirten, gelegen inde Kotelstrate, z: Kerstiaen Jacobszn., Willem Peter Stuvers en Heyn sWevers erven, w: oec Willem Peter Stuvers, n: Peter Henricxzn van Dorst. Te vryen met X groeten payments erfchys voer uutgaende. Gevest

RAWB Etten R 261, f. 81, 21-01-1471 Peter, Meeus, Ceters, Bye, scepenen inde Palen etc. Peter Petersz. van Brabant, vendidit Adriaen Jans Siers een halster erfrogs. Dandum op mertiny, veronderpant op de erfgoeden hierna benoemt: inden iersten op een husinge en hovinge houdende tsamen twee gemeten erfs luttel, dar Peter Petersz. vors. nu ter tyt woent, gelegen op Ettelake, metten noerten­de: sherenstrate, oost: Jan Lichtegoets erfgenamen, suyt Adriaen Louwers en Jan vander Strompen kinderen, west: Jan Claes-sn. Item noch op een buynder erf luttel, dar achter gelegen, oost: Jan Lichtegoets erfgenamen,zuid: Tonis vanden Brande, west: Jan Der-Wewen kinderen, en noord: Adriaen Louwers en Jan vander Strompen kinderen. Te vryen met sheren chyse en sess leliplacken erfchyns, en met vier viertelen erfrogs voer uutgaende en metten halster erfrogs voirs. Gevest XXI Jan. anno LXXI.


RAWB Etten R 269, f. 96v, 14-09-1491 Bergen, Vrome, scepenen tEtten, Jan Jan Aert vander Werc vendidit Jan Cornelis Boyden 1/2 buynder maden gelegen in eenen block van twee buynder ongedeelt te gader int Elshout, oost: den Elshoutesenwech, zuid: Thonis Aerts en successores, west: Aert Heyn Hugens, noord: sloet. Te vrien met heren chyns gelyc alst thalf buynder Adriaen Lam Siers kynderen aengestorven van Gertruyen huerder oudermoeder en Jan vander Werck opgewonnen heeft, en uut sheren hant dar in gevest.

RAWB Etten R 305, f. 38, 03-01-1538 Cornelis Pauwels Piggen als voight van Heeren Adriaen Hey, heeft met recht doen besetten zyne onderpant als in handen heeft Adriaen de Bye cum suis geweten: VII gemeten beempden oft, gelegen inde "Elsmade", oost en noord: den Elshoutschen Wech, zuid: aen derve dat wylen Gheylen Aerts vanden Brande wittige wyf was, en Thonis hueren zoen toe te behoiren plach, west: aen Gheert Anssen erve, voer zyne gebreck van VI ½ gouden rynsgulden (!) verschenen mertini van buyten en bynnen jaers. Gevest de 3de jan. Present, Buysse en Pierssen.

 

IId. (Adriane) van den Brande tr Matthijs Lenaerts, schepen van Etten (1457), overleden vóór 16-12-1462, zoon van Lenaert Matthijs Godevaerts en Heylwich N.N.

Uit dit huwelijk:

1. Jacob Matthijs

2. Aert Matthijs, heeft een dochter Adriane die van den Brande wordt genoemd.

3. Lenaert Matthijs

4. Jan Matthijs

5. Cornelie Matthijs

6. Geyle Matthijs die men heyt vanden Brande

 

RAWB Etten R 284, f. 12v, 14-10-1508 Clays Aert Jan Cheuwen bekent dat hi in rechten erfvoirwerden schuldich is uut te reicken Gheilen Thys Lenaerts-dochter diemen heet vanden Branden jaerlics en alle jaer vier gld. III st. en III stuvers erfeliken renten. Verschinende jaerlics opten yersten dach van Meye. Bewyst versekert en veronderpant op een huys en hof metten toebehoirten alsoot dar gestaen en gelegen is tot Etten int Dorp, noord: aent kerckhof, oost: en zuid: aen tsheren strate, west: aen den Kerckpadt, Vri met synen heren chynse, die dartoe staet. Dies salt ter quitinge staen tenen male elcken penninc met sesthiene gelt en pacht tesamen sonder arch of list. Presentibus Laureys en Anx, anno XV.c.XVV, XIIII octobris. Dit sal overvesten Hr. Cornelis Peetersz. Gheilen voirs. met Adriaen van Putte sinen voighde Katherine vander Voort Goossens dochter na inhoudt des briefs. Dit is gedaen XXIII mertii anno IX

Adriana Aert Thys Lenaerts van den Brande, kleindochter van (Adriane) Aertsdr van den Brande.

RAWB Etten R 269, f. 37v, 25-02-1491 Coninc, Put, scepenen tEtten, Jan, Huge, scepenen inde palen, kennen dat Janne, Aert Tys Lenerts dochter, met Cornelis Cornelis Aerts tutore etc. en Adriaen Aert Tys Lenerts pro se, en Lam Aert Tys Lenerts pro se, gelooft hebben alsulken rekeninge als Lenaert Tys Lenaerts huer oem, hen nu op datum etc. gedaen heeft, en bekenden sesselven Lenaert hueren oem sculdich te wesen XXXV gulden, en bedancken hen goeder bewisinge en betalingen, en wel voldaen van al tot desen dage toe.


RAWB Etten R 271, f. 26, 17-02-1495 Huge, Cornelis, scepenen inde palen, Mathys Jacob Mathys Lenerts vendidit Henricke van Etten een buynder ettingen of alsoe groet etc. geheyten sPapen-ettingen, oost: Jan Jan Lams, zuid: Jan Michielsz. en Adriaen van Steen, west: Aert Mathys Lenerts erfgenamen, en noord: Aerts Hermans en Cornelis Hermans erfgenamen. Te vryen met sheren chyns en met vyftalven gulden en twee blancken erfchyns, behoudelic dat mepant is daert etc. Gevest XVII febr. anno XCV.

RAWB Etten R 273, f. 26v, 17-03-1497 Put en Coudelaer, orconden dat voir ons quam Mynlieve Jacob Adriaens dochter met Styn Jacobsdr. hoer dochter, Cornelis Alaert Willems hoeren wittighen voight, hoer meytten rechte ghegeven, en Thonis van Ende als toesiender, kenden en lyden dat sy vercocht heeft om een somme in casu Adriana Aert Thys Lenaerts vanden Brande en met Cornelis Alaertsz. hoeren voight vyf gulden tsiaers erfchyns, gherekent 10 stuivers tstuck. Te gelden en te betalen Adriana Aertsdr. Voirs. of hoere naecomelingen erfelyck en alle jaer op Onse Lieven Vrouwendach Verhalen in de vasten. Bewyst en veronderpant op een stede (huys en erve) met synre toebehoirten en met 14 ghemeten lants daeraen ghelegen, (gehele) ghelegen op Clappenberch, oost: aen Adriaen Comens erve, zuid: aen sheren Wildert, west: aen Matheeus van Velden en noord: aen tsheren straet. Te vryen en te waren dese voirs. stede en erve voirs. met tsheren chynse en met enen sester rogs erfelyc en 3 gld. ter quitinge. Met voerwaerden dat (h) (Adriana) Mijnlieve Jacobs dese 7 gulden sal moegen lossen teynden 6 jaeren en met oec den gulden met 15 ghelicken gulden eens in de hant, en ghelt en chyns te samen. En die voirs. somme sal Mynlieve geheel moeten lossen teynden 6 jaeren voirs. In welken erfchyse voirs. Adriana van Aertsdr. voirs. ghevest is in casu. Datum anno 1497 den 16 ten in marcio. Iuramentum dat sy gheen beter profyt en wiste ...... Solvit versoeck ½ stuyver.


 IIIa. Gheyle Cornelis van den Brande, tr. Aert Cornelisz. Zij bezat land aan de Brantsche Weg te Etten-Leur. Zij woonden aan de in 1470 aangelegde steenstraat te Leur.

Kinderen:

1. Cornelis Aertsz Barbier tr. Cornelia Jan Iden. Hij is voogd van haar in 1513. In 1516 is zij overleden.


RAWB Etten R 289, f. 24, 16-08-1519 Gheyl vanden Brande met Cornelis Aerts hueren voigde vendidit Heeren Jacop Alaerts VI gulden tsiaers verschynende tot Paesschen, veronderpant op twee gemeten bempden geleghen achter die Leore, oost en zuid: aenden Branschen wech, west: aen Cornelis Jans de Backer en noord: Russelt Goort Dorensdr. erve. Die Vry met Heeren chynse. Te quyten den penninck XVI en rente.

RAWB Etten R 305, f. 15, 05-03-1537
Cornelis Aertssen Barbier vendidit Cornelis Cornelis Decker tot be­hoeve Janne Heeren Jacop Aerts natuerlicke zoen VI gld tsiaers tot X st. tstuck verschynende Paesschen versekert op 2 gemeten beempden oft, aenden Brantschen-Wech gelegen, oost, zuid: den voirs. wech, west: Cornelis Jan Booten (?) erfgenamen, noord: Lysken Gheert Cheelen. Vry met Heren chynse met voirwaerde alsoe hem enen brief af verleden is geweest die verloren was. Indien daer nu oft naemaels tot eniger tyde daer enige brieve aff bevonden wordden dat die zelen van nul gecasseert en van gheen der waerden. Gevest den Vde Mercii. Present, Doeren en Jan Claessen.


RAWB Etten R 278, f. 71, 12-04-1502 Backer, Koter, Bouwen, scepenen inde palen etc. Marten Jacob Cocx heeft met rechte doen besetten alsulke twee bunder lants metten huise en schuere en koeye darop staende oft opten Haenberch, oost: aen Geil vanden Brande erve, zuid: aen Gherit Jan Lams erve, west: aen Mariken Cocx erve, en aen Thonis Pieter Koggen erve, en noord: aen die Laecsche straete, etc. gelyc Jacob Jacob Cocx die te besitten plach, Gevest XII de aprilis.

RAWB Etten R 279, f. 7, 13-02-1503 Pauw, Bouw, Koter, scepenen inde palen etc., Marten Jacob Cocx vendidit Adriaen Heynric Willems drie gulden tstuc van X st. tsiaers erfchyns. Dandum alle jaer opten heiligen Meidach. Bewyst en veronderpant op een huys metten gronde daer opt staet of etc. opten Haenberch, oost: aen Gheyl vanden Branden erve, zuid: aen en west: aen Martens voors. erve en noord: aen tsheren straet. Te vryen en te waeren die onderpant voors. vry en los met tsheren chyns en zonder anders enigen voorcommer en metten drie gulden erfchyns. Met voirwerden dat Marten voors. of syn nacomelingen die drie gulden erfchyns voors. altyt sullen mogen lossen en quyten met XLVIII geliker guldens eens inde hant en met verscenen hynse en met 2 st. ten oncost vanden quitancie. Actum XIII den Febr.

Etten R 275, f. 36a, 03-03-1498 Dat voir ons quam Pieter Mathys Cocx en lyde dat in gerechten erfvoirwerden dat hy jaerlicx uutreyckende is Heylwich, weduwe wylen Cornelis van Vuchtscoet vier gulden tsiaers erfchyns etc. te gelden oa. op I ghemet lants ghelegen inde selve Banacker, oost: aen Pieter Aertz. die Scoemakers erve, zuid: aen tstraetken, west: aen Kathelyne weduwe wylen Mathys Cocx erve, en noord: aen Gheylen van Branden erve. daer gheenen chys af betalen.

RAWB Etten R 289, f. 51, 01-12-1519 Cornelis Aert Cornelis als voight van Gheyl Cornelisdr. vanden Brande syn moeder, vendidit Clays Heyn Clays een huys metten hove, nae inhouden der brieve, Dies gaet boeven den commer inden ouden brief genarreert staende daer uut drie cappoonen en ene rynsgulden tsiaers, ter quytinghe staende met XXV gulden, Cornelis, den sone waerborghe. Gevest etc. Actum prima decembri. Present. Jan Cornelis Goortsz.

RAWB Etten R 289, f. 51v, ..-.-1519 Clays Heyndersz. tenetur Cornelis Aertsz. tot behoef syns moeders LXXX rynsgulden te betalen tot vier sinte Mertensdagen naestcomende als erfgelt als comende van eenen huisse, gestaen aende Leore.

RAWB Etten R 289, f. 63v, 26-12-1520 (kerststijl) Joos Jansz. bekent dat Cornelis Aert Cornelis mach losschen een Rynsgulden tsiaers sprekende op een huys metten hove op de Loore, daer Aert Cornelisz. uut gestorven is, west: Coppen Michiel Coppens gebleven om en voor X philips gulden. Actum den XXVI sten decembris Present. Anthonia Jan Cornelis. Tenetur 2 st.


IIIb. Jacob Jansz van den Brande, tr. Jenen Herman Janssonedr., haar vader had bezit te Rosendaal.

Jacob woonde in Sprundel en in 1457 in Saeftingen.

Kinderen;

*Kerstiaen

GA Antwerpen schepenen R 47, f. 334, 06-12-1453 Willem Jans Eelensone tSprundele debet Jacope Jans van den Brande, ad vitam suam et non ultra, tsjaers X loepen rogs, op I stuc lants houdende omtrent 1 1/2 buynder, tSprundele inde Banacker tusschen Jan Beerts erve aen doestzide en Cornelys Obrechts erve aende westzide.


GA Antwerpen schepenen R 48, f.273, 30-12-1454 Adriaen Willemssone van Oekel tSprundele vercocht Jacope Janssone vanden Brande, Marien Peter Janssoens dochter ende Janne Jan Godevaertssone, sinen neve, tsjaers XV sc. grot., op I stede met huyse etc., houdende omtrent II buynder, tSprundele tussen Denys Andriessone ende Jan Stevens sone


 GA Antwerpen schepenen R 51, f. 297, 03-04-1456 (1455) Jacop Janssone van den Brande tSprundele debet Janne den Byen Wouterssone XII Rynssche gulden et obligavit alsulcken goeden als hem ende Jenen Herman Janssone dochter, sinen wive, bleven ende verstorven zyn bynnen der vierschare van Roesendale van derselvr vader.

GA Antwerpen schepenen R 53, f. 133v, 15-09-1457 Jacop van den Brande Janssone, geboren van Sprundele ende woenende nu ter tyt te Saeftingen, debet Janne Goortssone van den Eynde elleve gouden Peters ende vyfthien groeten Brabants, goet ende custbaer.


 

IIIc.1. Aert Anthonis Aertsz van den Brande, geb. ca. 1440 (in ieder geval voor 1445, want in 1470 meederjarig), waarschijnlijk dezelfde persoon als Aert van den Brande vermeld onder IIIc.2.

 

RAWB Etten R 260, f. 36, 20-06-1470 Peters, Ceters, Bye, scepenen inde palen, Aert Anthonis Aerts vanden Brande, vendidit Willem, Willem Henricx alias van Binen, alsulken vyf arnoldus gulden erfchys. Dandum ut in littera suffixa, Gevest. Datumut supra.


 RAWB Etten R 270, f. 12v, 18-01-1493 Jan, Huge, scepenen inde palen, Jan Haken en Anthonis Busen als provisoers der Tafele vanden Heiligeest tot Breda, dederunt Jacob Jan Hugen die erfgoeden na genoemt, die sy voer sHeiligeests pacht coemende van een sester erfrogs dat de Heiligeest dar op heffende blyft, na inhout huers scepenen briefs, met recht opgewonnen hadden. Te weten 500 roeden maden luttel, in tSeren Bloc met Heyn Hugenz. gemeen, streckende metten zuidside aen Aerts'erve vanden Brande, metten westende aen die Straete, metten oostende: aen Henricx Moerincx erve. En op een gemet maden luttel, gelegen in Claeus-Kynder Goet, metten noordside: aen Heyn Hugens erve, metten westende: aen dOude Straete, metten oostende: aenden wech die ter Goede van Ikel-waert gaet.

Item noch op twee gemeten maden, luttel, liggende met Lenaert Mathysz. gemeen, streckende metten zuidside: aen Lenaerts voers. erve, westende: Kriekevaert, metten noordside: Gielis Domasz. Om dat selve sester erfrogs, dandum den Heiligeest voers. op lichtmisse. Te vryen die 500 roeden met drie oude groten en drie vierendelen van eenen oude groten, en voert met sheren chynse voer uutgaende uuten onderpande vors., gelyc dat Arnout en Willem Willem Hugen sonen, gebruederen dat sester erfrog voertyts vercocht hebben Peter Goertz. van Breda, na inhout des scepen briefs van datum M.IIII.c. en XV, op Sinte Symons en Juden dach, Gevest Jacob Jan Hugen voers. XVIII January anno XCIII.

Opmerking: Serenbloc betreft mogelijk het Suerenbloc of Suijrenbloc.

RAWB Etten R 286, f. 91, 01-03-1515

Daen Pier Danen geloeft Pieter Jan Pier Jonen dien mour gelegen inden Ouden Moer boven Aert vanden Branden spuye, die Pier van Danen gecocht heeft te vryen en te waeren met sHeren chynse, oost: aen Pieter van Gageldonck met hem en metten synen huis en hof met VI gulden uutgaende. Anno XV, prima Mercii. Present, Anx en Put.....

Cijnsboek Etten f. xxxiii

Aert Thonys vanden Brande 4 gemet in Ettelake, tussen Cornelis vanden Brande oost en zuid, de beyde syden, wylen was Aert vanden Brande.


 

* IIIc.2 Aert van den Brande geb. omstreeks 1440-1445, ovl. voor 19 december 1503, tr. Kathelijn Robbrechts dochter van Ypelaer ( dochter van Robbrecht Heyn Robben, die was gehuwd met Barbele Rams of Reyns). Aert en zijn vrouw bezaten een “huijsinge, schure, hovinge en erffenisse met huren toebehoren en metten erve daer aen liggende houdende derdalf buijnder” en een half bunder heiveld te Lijndonk (Ginneken).

Kinderen:

1. Aert volgt IVa.

2. * Cornelie tr. Cornelis Claesz de cuyper.

3. * Maria.

4. * Gertruydt.


 

Opmerking: Aert was waarschijnlijk een zoon van Thonis Aertsz van den Brande, die was gehuwd met ene Maria. Aert heeft een dochter Maria. Ook is denkbaar dat Aert een zoon was van een broer van Thonis Aertsz, maar er is geen bewijs dat zij een zoon Aert hadden.


 

R 416 Ginneken 19 dec. 1503

“Aerts van den Brande erfgenamen” belender te Lijndonk.


 

R 416 Ginneken 27 juli 1504

Jan Aertsz en Jan Lips scepenen in Ghinneke, quam Aert Aertsz van den Brande heeft verkocht Jan Laureijs zone van Daelhem die huijsinge schure hovinge en erffenisse met huren toebehoren en metten erve daer aen liggende houdende derdalf buijnder luttel oft alsoe groot en cleijn alst gestaen en gelegen sijn tot Lijndonck neve sheerenstraet oestwaert en noortwaert, suijwaert neve Laureijs Everts erve en westwaert neve Henrick Jacopsz erve; en nog een half buijnder heijvelts luttel gelegen oic tot Lijndonck neve Dijrck Berten erve op deen side suijtwaert en Denijs Celen erve was op dander side streckende metten eenen eijnde aen Henrick Jacops erve te vrije met elftalf viertel rogs erfs ende met heeren chijnse rogs erflic voir uutgaen;

Voort soe is voir ons comen Kathelijn Robbrechts dochter van Ypelaer metten voirsz Janne Aertsz hueren voigt (...) en bekende dat de voirsz Aert Aertszone van den Brande huer zoon tegens huer op heure recht van alle den huijsinge ende efenisse vorsz geerfdeelt ende gevest actum ut supra.


 

R 676 Ginneken f 121r/121v 15 september 1528

Quam Roelen Engbrecht Ruelens en Jan Cornelis van den Merberch zijn brueder voir hem selven en oic in de name van Mathijs en Gertruijdt wijlen Cornelis van den Merberch soon en dochter die voirsz Ruelen Engbrecht Ruelens hier inne geloofde te vervangen en vervinck Peter Henricxszone de smit woonende tot Roesendale als man en voight en in de name van Jehenne Petersdr van Lyer sine huisvrouw die hij hier inne vervinck de voirs Peter Henricxszone oic als gemechtich van Adriaen Floris metser als vocht van Adriaen, Cornelie en Dingen wijlen Peter van Lyer de metsers weeskinderen dair dezelve Peter Henricxszone toesiender af is nae uitwijs der procuratie dair af zijn bezegelt meter gemeen segel der scepenen in Roesendale van der datum den laatsten dach in augusto anno 1528; Sophie Jan Anthonisdr en Godelt Jan Anthonisdr heur suster met (..?..) Jan Symonsz hon beider voight voir selven en oick de voirs Sophie in de name van Henrick Jan Anthonisz heure brueder die zij vervinck oick in de name van Laureys Jan Anthonisz heure brueder kynderen die zij Sophie oic vervinck Jehenne Adriaen Jan Anthoniszdr met Luijcken Jan Simons heure voight en de voirs Sophie Jan Anthonisdr met heure voight oic inde name van Claes Adriaen Jan Anthonisz die zij vervinck kenden ende lijden dat hen Dyrck Beerten met zijne gerede ende gestelde penningen vol ende al betaalt zijn wel ende wettelijk afgelost heeft drie viertel rogs tsiaers erfpacht goet en rustbair vut ende in mindernisse van alsulcken een zester rogs erfpacht als de voirs Dyrc Beerten jairlicx ende erffelic vutrijcken; is geweest wijlen Jan van Lyer nae wiens doot tvoirs een zester rogs erfpacht zijne erfgenamen gebleven is behoudlic dat Margriet Jans van Lyer weduwe dat huer leven lanc geheven heeft zoe wij verstonden, van welc een zester rogs erfpacht voirs, Aert van Lyer den viertel rogs erfpacht heffen blijft zoe zij seyden welk zester rogs erfpacht voirs Aert van den Brande voirtijts den voirs Jan van Lyer verlijt heeft op zeker huijsingen ende erfenisse ende opt erve dair aen liggende houdende omtrent twee bunder en op een stuck lants houdende omtrent acht lopensaet met een bunder heyvelts dair aen liggende gelegen tot Lijndonck die de voirs Aert van den Brande van den voirs Jan van Lyer tot een rechte erve genomen hadden na uitwijs des scepenbriefs dair af zijn die was van de datum in t jaire 1479 twee dage in Marte welken brief zij comparanten als nyet bevinden ende comen; etc (verder kwijting van de drie viertel erfpacht)


 

R 419 Breda f. 25, 04-06-1511,76

Quam Cornelis Willemsen de hoymaker ter eenre syde, en Mechtelt Robben met Cornelis de molener hueren wittige man en voigt, Kathelyn wedue wijlen Aerts van den Brande met Raes van Boeymer tutor, Robbrecht Henrick Robben vhz en i.n.v. Aechte, Margriet en Cordula syne susteren, die hij geloofde te vervangen en vervinck, Marcelis Jan Ruyseners vhz en i.n.v. sine bruederen en susteren en Jans syne brueders kynderen en Lijsbeth Jan Robben dochter met Peteren Hey hueren voight pro sé ter andere syden, kenden en lyden dat sij minlick van malcanderen gescheyden en gedeelt syn, van alle goeden, haeflicke en erlicke, die de voirs. Cornelis en wylen Jenneken Alaert Wouter Dyrven dochter syne huysfrou was besitende hebben. In dese manieren en weten in den Ierste is die voirs. Cornelis geerfdeeld op alle de haeflicke goeden en schulden en weder schulden die hij tot sine profijtte en laste nemen en houden sal.

Item die voirs. Cornelis is alnoch voirt gedeelt opt huys en erve met syne toebehoirten, daer hij nu ter tyt in woont, dat gestaen en gelegen is op te Haighdyck, dat hij van Marie, Claes Potters wedue vercregen heeft.

Item hiertegens syn die voirs. erfgenamen die voirs. wijlen Jenneken gedeelt Ierst op 5 gulden erfcijns die Jan Meeus Jan Willemssen jairlicx vutreyckt vut syne onderpant in de Hage gelegen.

Item noch op vyerdalve gulden erfcijns die Gheryt Piggen de tymmerman jairlicx vutreyckt vut syne huyse in de Gasthuysstrate binnen Breda staende.

Item noch op derdalf loopens rogge erfpacht die Godert Bloemaert de tymmerman jairlicx vutreyckt.

Item de voirs. erfgenamen sullen den voirs. Cornelis vutreycken en betalen tot hulpe vanden betalingen van de schulden en van de ..... en kerckrechte vande voirs. Jehenne de somma van 16 gulden etc. Bedankende partijen voor de goede scheydinge en deylinge. Actum 4 daghe in Junio.


 

R420 Princenhagen f. 73v, 03-02-1512,221

Quam Kathelyn Robbrechts dochter met Raessen van Boeymer hearen voigt, Cornelis Jans Brabanders de molener als man en voigt van Mechtelt Robbrechts dochter synre huysfrou, die hij geloofde te vervangen en vervinck, Robbrecht Henricxz Robben voor hem selve en in name van Margriet, Aechte en Cordula sine susteren die hij vervinck, Lijsbeth Jan Robben dochter met Peter Hey voigt en in name van Heyn Jan Robbrecht heuren brueder dien sy oic hieinne vervinck, kende en lyde alsoe sy luyde aengeerfd hadden Mercelissen Jan Ruyseners vijf gulden tsjaers erfchijns die Jan Meeus Jan Willems jairlycx uytreyct ende hen gebleven waren van wylen Jenneken natuurlike dochter Alaerts Wouter Dyrven. De welcke vijf gulden erfchijns de selve Mercelis vercoft heeft Gorysse Anthonis Coudelaer

Dat hen deselve Mercelis vol ende al betaelt heeft elke syn gedeelte van de penningen die van den selve vijf gulden erflyck gecomen sijn na het portie dat sy daerinne gerecht waren etc.


 

De familie van Kathelijn van Ypelaer bezat de Groten Beemdt gelegen tot Ginneken aan de westzijde van de rivier de Mark.


 

R415 Ginneken f 333r 26-01-1502

Quam Juete Jans Ruyssenersdr met Anthonis Boeyden Hagaerts huren man en voigt, heeft verkocht Peteren Rombout Theeuszone negen gulden tstuc erf chijns dander jairlix op Sinte Jans dach Bapt. vut ende op een stuck erfs houdende onder beemden en weyde twee buynder luttel geheten den Groten Beemdt gelegen tot Ghinneken over de Marck neve de Marck oistwaert en Jans van der Veken erve westwaert te vrije metten erfchijns voirs en met seven capoenen erflic voir vutgaan met voorwaerden dat Juete voirszegd en hueren mede erfgenamen en hueren beyder nacomelinge die voirszegde negen gulden erfchijns na des voirsegde Peter en Cornelie sijn huysvrouw doot met eer en altoes dair na lossen, lossen en afquiten sullen mogen te weten elc gulden erfchijns met achtien der gelycke gulden (etc); Voort sijn voirs come Mechtelt Robbrechtsdr van Ypelair met Cornelis de Molenere hueren man en voigt en Robbrecht Henrick Robben voir hem selve en de selve als voigt metten recht gegeven van van sijne broeder en susteren die hij hierinne gelooft (etc) bekenden dat by hueren weten willen en consente is dat voirs Juete met hueren man en voigt voirs opten voirs onderpant den voirs erfchijns vercoft heeft, gevest actum ut supra.


 

De in de akte genoemde Juete was een dochter van Jan Aertsz Ruyssener en N.N Robbrechtsdr van Ypelaer. Haar man Anthonis was een zoon van Boyden Hagaerts en Cornelie Gerytsdr van Mal (of van Malle).


 

R 416, f. 22, 16-03-1504

Quam Rombout Sebrechts van Loon, heeft vercoft Severijn Montens een sester rogs tsjaers erfpacht, uit en op 3 stukken erfs aeneen liggende, houdende 14 lopen saet, gelegen omtrent der Rundmolen neven Aerts erve van Lyer op deen side en Hillegond Hubrechts dochter van Ypelaer erve en meer anderen op dander side, streckende metten eenen eynde aen Jan Mathjssen erve en meer anderen, en metten andere eynde aen Robbrecht van Ypelaers erve was.


 

Deze rente was eerder - op 29 januari 1500- door Rombout van Loon gekocht van Anthonis Boyden Hagaerts, de belenders waren toen Anssem Koecx en meer anderen oostwaarts en Hillegonde Huybrechstdr van Ypelaer en meer anderen westwaert, en noortwaart neve Adriaens erve van Mall.


 

GAB vestbrieven Breda R 433, f. 53v, 25-04-1528,

Quam Cornelie Aertsdr vanden Brande, met Cornelis Claesz de cuyper hueren man en voight, Marie Aertsdr. vanden Brande met Aert Bits haer voight, Geertruijd Aertsdr vanden Brande metten voirs. Cornelis Claesz. hueren voight, kenden en lijden dat hun Berthel Jans wel en deugdelijk en ten volle betaelt heeft alsulcke erfpenningen als hen de voors. Berthel Jans schuldich was van de helftscheidinge van ontrent 7 morgen lants tot Drymmelen op Korskensvaert en op de westvaert gelegen, die hij van hen gecoft heeft na uijtwijsen de brieve ende beschrijve daeraf sijnde, soe zij seyden met de voergen. Cornelie, Marie ende Gheertruijt met hun voigden. Bedancken hen van goeden voldoeninge van alle den erfpenningen die hen de voorn. Berthel Jans zone ter zake van den coop voirs. schuldich was etc.


 


 

IIId. Jan Thonis Aertsz van den Brande

Kinderen:

1. * Adriaen, volgt IVb.


 

RAWB Etten R 270, f. 81, 02-09-1493

Jasn, Cornelis, scepenen inde palen,

Jan Thonis Aerts van Brande kent dat Laureys Tonis Aerts syn brueder tegen hem gedeelt is op alle huers vaders en moeder achter gelaten goeden, have en erve, hoe sy genoemt syn etc. verlyct etc. in forma, vertegen etc. Datum 2 september anno XCIII.


 

IIIe. Lau(reys) Thonis Aertsz van den Brande ovl. voor 1505, tr. voor 1500 met Cornelie Jan Duls, overleden vóór 4 april 1537. Zij hertrouwde met Peter Petersz van Gageldonck, schepen van in de palen van de hoeven van Etten.

Uit dit huwelijk:

1. Marike, tr. Willem Willems Scobland, zoon van Willem Dirksz van Gageldonck (Scob Willem Derks) en Mary Goorts van de Moer.

2. Adriaen Lauwen volgt IVc

3. Goelde Lauwen tr. Anthonis Bouwens


 

RAWB Etten R 322, f. 58v, 20‑08‑1552

Marie Laureys Thonisse weduwe van Willem Willems Schobbe.

Willem en Fransken onbejaarde kleine kinderen.

Voogd Cornelis Lambrecht Goemans en toeziender Adriaen Laureys Thonis.


 

RAWB Etten R 273, f. 128, 14-01-1497

Lau, Bou, scepenen inde palen etc., orconden dat voer ons quamen Lauwereis Anthonis Aertssen en Cornelis Jacopssen als voecht van syns vaders onmondige kynderen kende en lyde dat Adriaen Adriaenssen van Steen tegens hem wittelic geerfdeelt is nae doode Anthonis Aertssen voirs. op 2 gemeten weyde die de selve wilen Anthonis hadde en gelegen zyn aenden Elshoutsen Wech. Voirt zoe kende die selve Adriaen Adriaenssen van Steen voer hemzelven en Cornelis Jacob Adriaen Lauwen als voecht van Peterken des selfs Jacob Adriaen Lauwen onmondige kynder den voirgen. Lauwereis Thonissen geerfdeelt op die stede en erffenen huisinge en erfenisse met III gemeten lants daer aen gelegen gelyck alse dieselve Lauwereis nu ter tyt in handen heeft. En noch op een gemet lants gelegen aen Lodewycs Heyn Huighen erve en noch op 2 gemet weyden gelegen oost: aende Elshoutsen Wech. Voort kende die zelve Lauwereis Thonissen en Adriaen Adriaenssen van Steen voirs.den voirs. Peterken Jacob Adriaen Lauwen onmondige kyndren geerfdeelt op l bunder beemden en oick gelegen oost: aenden Elshoutsen Wech. En dese deelinge voirs. zyn comen van doode Thonis Aertssen voirs. en syns wyfs. Ende elck vande personen voirs. zal sculdich zyn te gelden den commer jaerlicx uutgaende uut sinen gedeelte voirs. In orconde etc. Datum anno 1497, XIIII Januarii.

Ende noch een gemet weide kende Adriaen van Steen , Lauwereys Thoniszn daerop bedeelt gelegen aent zuyteinde vande 2 weyen voirs,


 

RAWB Etten R 273, f. 23, 18-03-1497

Erfvoerwaerde solvit 2 stuyver.

Vroem en Anssem, scepenen tot Etten,

orconden dat voer ons quam Lauwereys Thonis Aerts kende en lyde, erfelicken alle jaer sculdich is uutterechte meester Aert, priester en pastoor der kerck van Woensdrecht, en sinen naecomelingen 6 gulden tsiaers erfchyns, gerekent thien stuyver voer elken gulden en 3 groeten brabants voer den stuiver, of ander payment datter goet voer is. Te gelden en te betaelen (den selven meester Aert en sinen naecomelingen) erfelic en alle jaeren op Sinte Maertens dage (in den winter naestcomende) in den winter. Bewyst en veronderpant op twee gemeten maden, of zoe groet en cleyn in casu, gelegen oost: aen (tsherenstraet) den Elshoutschen wech, zuid: aen Zwarthen sloet, west: aen Aert Huigen erve en noord: aen Jan Cornelisz. kynderen erve. Te vryen en te waren dese voirs. twee gemeten maden met tsheren chynse, met voirwaerden dat Lauwereis Thonisz. Voirs. dese (twee gemeten maden) 6 gulden voirs. sal mogen lossen teynden meester Aerts doot voirs. (en niet eer en daer en teynden) (dese voirs. twee gemeten maden voirs. sal mogen lossen) tot sinen scoensten twee gulden des maels en den gulden met 16 geliken gulden eens in de hant en gelt en chyns te samen en enen hier af te gelden.

Anno 1497, den 18ten dach in marcio.


 


 

RAWB Etten R 273, f. 23v, 17-03-1497

Solvit 2 stuiver.

Vroem en Anssem in casu, scepenen tot Etten,

orconden dat voir ons quam Lauwereis Thonis Aerts van den Brande en (lyde dat hy)) heeft mit recht heeft doen besetten (de twe ghemeten maden) voer een somme van gelde twee ghemeten maden, gelegen int Elshout, of zoe groet en cleyn in casu, ghelegen oost: aen den Elshoutschen wech, zuid: aen den Zwarten sloet, west: aen Aert Heyn Huigen erve en noord: aen Jan Cornelisz. kynderen erve. Welke twee gemeten maden voirs. Lauwereis Thonisz. Vorscreven vercocht heeft met drie besettingen, alzoe verre dat se onderstaen waren, datter enen coepdach toe geleit waert mitten rechte, en vercocht waert (uut tsheren handen Aertsz. van den Brande) mitten rechte daer quam Lau Thonis Aert (noch en daeraf waert Lauwereis Thonisz. voirs., die de hoechste coepman bekent waert en betaelde die penningen, daer hy se naerden recht schuldich was te betalen in casu). Solvit versoeck philips (solvit versoeck 2 stuyver. Anno 14977, den 17ten in marcio.


RAWB Etten R 273, f. 49, 05-04-1497

Jan Jan Aertsz., Huigen, Lauwereis, scepenen in de palen van de Hoeven, orconden dat voer ons quam Anthonis Wouter Wijns, en lyde dat hy vercocht heeft om een somme van gelde, etc. Meeus Meeus Brouwers een sester rogs (tsiaers) erfelic (erfpachts). Te gelden en te betalen den selven Meeus Meeusz. En sinen naecomelingen, erfelic en alle jaeren op Onse Lieven Vrouwendach Lichtmis, met goeden cusbaeren rogge bynnen den lande gewasschen, metten maten van Breda gemeten, bewyst gelaten en veronderpant op een stede met hoeren toebehoerten en met twee buynder lants der aen gelegen, luttel min of meer, gelegen op Ettelaken, oost: en zuid: aen Bouwen Heyn Bouwen erve, (zuid) west: aen Adriaen Wouter Lauwen erve, noord: aen Lauwereis Anthonis Aerts erve en aen des heren straete. Te vrien en te waren (dese stede metten twe buynder erfs) den onderpant voirs. mit tsheren cynse en met acht veertelen rogs en een loepen rogs, (daer ja) daer jaerlicx voir uutgaende, en enen rynsgulden erfelic, gerekent 20 stuivers voer den rynsgulden (met voirwaerden dat Anthonis Woutersz. voirs. dese, dit sester rogs tsiaers erfpachts voirs. losst. In welke sester rogs, etc. Solvit versoeck 3 brasdenarien. Anno 1497, quinta aprilis.


 

RAWB Etten R 273, f. 23v, 17-03-1497

Aertsz. van den Brande, en heeft den selven coep verdient, soe dat hy selve den hoechsten coepman gekent is in den recht. En coft die twee gemeten made voirs. uut tsheren handen om een somme van gelde die hy vol en al betaelde, daer hy se nae den recht sculdich was te betalen. En die selve Lauwereis Thonis Aerts van den Brande voirs. is in dese twee gemeten maden voirs. gevest en toegedaen met vonnisse en met rechte, daer voir en nae al toe gesciet is, datter van rechts wegen sculdich is toe te gescien. En die heer is hem gewyst warachtich daer af te zine van bedingden goede, behoudelyck altyt een ygelyc zinen voir commer, (daer) die daer van rechts wegen sculdich is voir uut te gaen, en daer af te gelden en te doin allen scoten in casu, in orconden in casu.


 

RAWB Etten R 272, f. 19v, in profesto Incarnationis Domini (Kerstmis 1497)

Huig, Backer, Doren, Lau, scepenen inde palen vanden Hoeven tot Etten,

orconden dat voir ons quam Adriaen Wouters sone, et vendidit Denys Cornelisz. een halster rogs sjaers erfpachts, te gelden en te betalen denselven Denys Cornelisz. en sinen nacomelingen erfelic en alle jaer opten heiligen Kerstavont met goeden custbaeren rogge binnen den lande gewassen metten maten van Breda gemeten. Bewyst en gelevert en veronderpant op een gemet lants of zoe groot en cleyn alst der gelegen is achter Pieter Berthouts erfgenamen erve, oost: aen Heyn Maes erve zuid: aen Ceel Pier Berthouts erve, west: aen Lau Thonis Aerts erve, en noord: aen Ceel voirs. erve. Item noch een buynder heyvelts of zoe groot en cleyn alst dar gelegen is oost: aen des heren straet, west: aen Ceel Goerts erve, zuid: aen Heyn Maes en noord: aen Lucas Pieter Berten erve. Te vryen en te waeren den onderpant voirs. te weten: dat gemet lants ierst gescreven met tsheren chyns en met vyftalff loepen erfrogs dar jaerlicx voir uutgaende en dat buynder heyvelts lest gescreven te vryen en te waeren met tsheren chynse en met enen gulden van X st.

Actum in profesto Incarnationis Domini.


 

RAWB Etten R 275, f. 35, 21-03-1498

Huig, Lau, Doren, Bou, scepenen inde palen vander Hoeven tot Etten,

Orconden dat voir ons quam Heyl Jan Cornelis weduwe een wyl, met Cornelis Adriaen Billen haeren voight haer metten rechte gegeven, et vendidit Heyn Maes een gemet lants of zoe groot en cleyn alst dar gelegen is, oost: aen Adriaen Woutersz. erve, zuid: aen Jan Thonisz. vander Strompe erve, west: aen Lau Thonis Aerts erve, en noord: aen Lyn Coppen Lichten weduwen erve. Te vryen en te waeren dat gemet lants voirs. met tsheren chynse en met enen gulden van X st. erfchyns den heiligen Geest van Etten dar jaerlicx op heffende is. In welke etc. Actum anno XIIII.C.XCVIII, XXI ste in Marcio.


 

Breda 04-05-1501 197r “Laureijs Thonysz woenende op Ettelic” is borg voor Marie Heinrick Maesz wedue,  en haar zonen bij Peter Joenen, te weten Peter en Jan,  die de hoeve  De Berct (gelegen op Attelake) voor 12 jaar huren van Wouter van Dyelbeeck.


 

RAWB Etten R 269, f. 18, 16 02 1491

scepenen inde palen, Jacob en Hubrecht, gebruederen Jan Duls soenen,pro se en inden namen van Cornelie huere suster, die sy vervangen, kennen Cornelis Andries Willems met Jeane, Jan Duls dochter sinen wittiche wyve, gedeelt na dode huers moeders op neghen gulden erfchyns tstuc X stuvers etc. Op Kersmisse, Op derdalf buynre erfs luttel die de voers. Jacob, Hubrecht en Cornelia in handen hebben, gelegen oost: sherenstrate, zuid: Jan Mathysz. west: Jan Deckers erfgenamen, noord: Jan Duls. Te vryen met heren chyns behoudelic dat dar af 2 buynder mepant is met twee buynren van acht gulden en eenen stoter erfchyns, na inhout etc.


 

RAWB Etten R 300, f. 35v, 01-01-1530

Wy, Anthonis Goort Doorensse en Jan Willemssen van Overacker scepenen inde palen vander Hoeven tot Etten oirconden dat voir ons quem Cornelia Jan Duls weduwe wylen Peeter Peeterssen van Gageldonck met Jan Outs hueren voight, huer metten rechte gegeve en heeft in rechter giften en donatien opgedragen en droech op met desen brieve Ariaen Lauwenz. en Marye synder suster beyde huere wettige kynderen alle die haeffelycke goeden. Te weeten: mooren, torven en scuyten en hootbogten, peerden, bedden, potten, ketelen, kannen, lynwaet, stoelen, bancken, scult cooren, garste haver. Te weeten alle onberuerelycke haeffelycke goeden, hoedanich die syn moghen penninghen, scellinge het leer dat inder cuypen geleet is en ander leer als huer vry eygen goet afgaande met desen brieve alle die proprieteyt die zy aende selve haeffelycke goeden gehadt heeft met alsulcken conditien en voirwaerden dat die voirs Ariaen Lauwenz. en Marye syn suster sullen betalen alle sculden die de voirs Cornelia sculdich is oft noch in toecomende tyden noch sculdich sal mogen wese hoedanich die zyn oft wesen mach. En daertoe noch alle testamente en vuyt geleeden (uitgaven) die men der voirs Cornelia na huer doot na doen sal gelyck dat by testamente vanden Capellaen bescreven is int jaer vyffthien hondert negen en twintich des saterdaechs voir Sinte Symon en Juden-dach voir noene omtrent thien uren te wetene den biddenden ordinen eenen stuver, elck den huys ermen twee veertelen rogs eens, den heyligen Geest een veertel rogs eens, den Heyligen Sacramente (aen het altaar van het H.Sacrament)... thien stuvers eens den pastoor twee blancken eens, den cost tere eenen halve stuver, Heer Jan de cappelaen eenen stuver eens elck priester misse lesende eenen stuver eens, den pastoor acht en twintich stuvers eens voir een dertichste den observanten te Doort (Dordrecht??) twintich stuvers

eens en boven desen sullen Adriaen en Maryken heur kynderen voirs. vuytreycken en betalen Golleken heurder suster van dese voirs. haeffelycken goeden vier pont groot vlaems eens te gevene en dat in deser gyften en donatien nochtans ondersproken alzoe Peeter van Gageldonck der voirs. Maryken gemaect hadde in synen testamente halff die stede dair sy inne woenen soe sal Ariaen voirs zoe vele erven dair tegens hebben van Marykens gedeelte oft zoe vele vanden haeffelycke goeden voir vuyt tegens Maryken synder suster hebben als halff stede in rechter valuatie weert is oft geestimeert sal worden die der voirs. Maryken alzoe gemaect is byden voirs. Peeteren van Gageldonck en dese gifte en haeffelycke goeden heeft zy gegeven en geordeneert der voirs. twee kynderen Ariaen en Maryken voir zekere trouwen arbeyt die zy gedaen hebben en nochtans dyen dat de moeder die goeden van haren vader zoe lange beseten heeft en oick ware Golleken de suster de goeden van heurder vader soe lange wech gehadt heeft en hair profyt dair mede gedaen dair dese voirs. Adriaen en Maryken nyet tegens gegoet deelt en zyn, noch oick dair tegen nyet tegens verleken en zyn met eenyge anderen goeden. Actum den yersten dach in Januario anno 1530.


 

Etten R 305, 04 04 1537 Adriaen Lauwen; Anthonis Bouwens gh Goelde Lauwen; Willem Willems gh Marike Lauwen; Delen na het overlijden van Cornelia Jan Duls weduwe lest van Pieter van Gageldonck.


 

Etten R 325, f. 16, ..-02-1555

Huybrecht Cornelis Henricxz van den Moer als man van Marie Willem Schobben dr.


 

Etten R 325, f. 24v, 27-02-1555

Hubrecht Cornelisz van de Moer als man en voogd van Marie wijlen Willem Willems dochter, zijn huysvrouw en Cornelis Lambrecht Goemans als voocht van de kinderen des voors. wijlen Willem Willems bekennen dat zij om te voldoen aan de uyterste wille van wijlen Marie Laureysdr weduwe wijlen Willem Willemsz.


 


 

IIIf N.N. Thonis Aertsdr van den Brande, geb. ca. 1460, tr. ca. 1488 Adriaen Adriaens van Steen, geboren ca. 1460, overleden vóór 15 jan. 1536, zoon van Adriaen Jansz van Steen en Golleke.

Kinderen:

1. Anthonis Adriaensz alias Crijger Thoon.

2. Maria.


 

Adriaen Adriaens van Steen tr. (2) 1490 met Cornelia Gerrit Henrick Blessaerts, overleden vóór 23 sept. 1514, dochter van Gerrit Henrick Blessaerts en Kathelina Jan Deselvoets. Hij tr. (3) Soete Adriaen Wouter Mijs.


 

RAWB Etten R 273, f. 128, 14-01-1497

Lau, Bou, scepenen inde palen etc., orconden dat voer ons quamen Lauwereis Anthonis Aertssen en Cornelis Jacopssen als voecht van syns vaders onmondige kynderen kende en lyde dat Adriaen Adriaenssen van Steen tegens hem wittelic geerfdeelt is nae doode Anthonis Aertssen voirs. op 2 gemeten weyde die de selve wilen Anthonis hadde en gelegen zyn aenden Elshoutsen Wech. Voirt zoe kende die selve Adriaen Adriaenssen van Steen voer hemzelven en Cornelis Jacob Adriaen Lauwen als voecht van Peterken des selfs Jacob Adriaen Lauwen onmondige kynder den voirgen. Lauwereis Thonissen geerfdeelt op die stede en erffenen huisinge en erfenisse met III gemeten lants daer aen gelegen gelyck alse dieselve Lauwereis nu ter tyt in handen heeft. En noch op een gemet lants gelegen aen Lodewycs Heyn Huighen erve en noch op 2 gemet weyden gelegen oost: aende Elshoutsen Wech. Voort kende die zelve Lauwereis Thonissen en Adriaen Adriaenssen van Steen voirs.den voirs. Peterken Jacob Adriaen Lauwen onmondige kyndren geerfdeelt op l bunder beemden en oick gelegen oost: aenden Elshoutsen Wech. En dese deelinge voirs. zyn comen van doode Thonis Aertssen voirs. en syns wyfs. Ende elck vande personen voirs. zal sculdich zyn te gelden den commer jaerlicx uutgaende uut sinen gedeelte voirs. In orconde etc. Datum anno 1497, XIIII Januarii.

Ende noch een gemet weide kende Adriaen van Steen , Lauwereys Thoniszn daerop bedeelt gelegen aent zuyteinde vande 2 weyen voirs,


 


 

Vgl. ook RAWB Etten R 303, f. 62v, 15 01 1536, Etten R 302, 5 febr. 1534, Etten R 302, 16 april 1534, Etten R278, f.32v, 1502.


 


 

IIIg N.N. Thonisdr van den Brande tr. Jacob Adriaen Lauwen (ook Coppen Paedsiken Lauwen of Paedsien). Hij overleed in of voor 1513 (RAWB Etten R 285, f. 96v, 07-05-1513).

Kinderen:

1. * Cornelis

2. * Anthonis

3. Peterken, in 1501 onmondig.

2. * Geertruyt, in 1501 onmondig.


 

Opmerking: niet duidelijk is of Anthonis en Cornelis Jacob Adriaen Lauwen zonen zijn van Thonisdr van den Brande. Gelet op de vernoeming is aannemelijk dat in ieder geval Anthonis een zoon van haar is.


 

Zij hadden bezit in de Brantschen goeden, gelegen naast Cornelie van den Brande.


 

RAWB Etten R 273, f. 128, 14-01-1497

Lau, Bou, scepenen inde palen etc., orconden dat voer ons quamen Lauwereis Anthonis Aertssen en Cornelis Jacopssen als voecht van syns vaders onmondige kynderen kende en lyde dat Adriaen Adriaenssen van Steen tegens hem wittelic geerfdeelt is nae doode Anthonis Aertssen voirs. op 2 gemeten weyde die de selve wilen Anthonis hadde en gelegen zyn aenden Elshoutsen Wech. Voirt zoe kende die selve Adriaen Adriaenssen van Steen voer hemzelven en Cornelis Jacob Adriaen Lauwen als voecht van Peterken des selfs Jacob Adriaen Lauwen onmondige kynder den voirgen. Lauwereis Thonissen geerfdeelt op die stede en erffenen huisinge en erfenisse met III gemeten lants daer aen gelegen gelyck alse dieselve Lauwereis nu ter tyt in handen heeft. En noch op een gemet lants gelegen aen Lodewycs


 

RAWB Etten R 273, f. 77v, 01-06-1497

Solvit 2 stuyvers.

Vroem en Coudelaer, scepenen tot Etten, orconden dat voir ons quam Jacob Adriaen Lauwen en lyde dat hy vercocht heeft om een somme,etc., Cornelie, Heynrick Sproncken dochter drie gulden tsiaers erfchyse, gerekent 10 stuyvers voer den gulden en drie groeten brabants voir den stuyver, of ander payment datter goet voir is. Te gelden en te betalen die selven Cornelien en haren naecomelingen erfelic en alle jaren opten Heiligen? Meydach. Bewyst en veronderpant op twee gemeten beemden, of zoe groet, etc., gelegen in de Brantsche goeden, oost: aen (den) Cornelis van Vuchtscoten kynderen, (west aen Jan van der Werken) zuid: aen Jan Jan Aertsz. van Werke, west: aen de Kene? En noord: aen Cornelie erve van den Brande erve. Te vrien en te waren dese onderpant voirs. (mit tsheren chynse en mit vier gulden en een half quartier.

Item noch veronderpant op twee gemeten beemden erfrogs ........ daer by, gelegen oost: aen Wouter Appeleters erve, zuid: aen Dielis Coppen Lauwen erve, west: aenden Giere? En noord: aen Willem van Overackers erve. (Te vrien en te waren dese twee gemeten beemden mit tsheren chynse en drie stuivers). En is medepant, daert mit recht is sculdich medepant te sine. Met voirwaerden dat Jacob Adriaen Lauwen voirs. dese acht gulden erfchynse voirs. sal mogen lossen teynden acht jaeren, en niet eer, tot enen mael,( elken gulden mit den gelt) mit uutgeven dat ick guldenen eens in de hant, en gelt en chyns te samen. In welken, etc.


 

RAWB Etten R 278, f. 46, 03-08-1501

Coudelaer, Vleeshouder, scepenen tot Etten,

oirconden dat voir ons quamen Cornelis Jacob Adriaen Lauwen wittige zone, en Cornelis Jacob Adriaen Lauwen natuerlike sone, gebrueders en hebben gelooft en geloven als borgen gesamenderhant ongesondert en elcx van hen voir all op hen en op allen hoere goeden ruerende en onruerende die sy nu hebben en noch naemaels hebben en vercrigen alsulken uutsprake te volvueren en te onderhouden als tanderen tyden gesciet en gedaen is tusschen hen en Anthonis Jacobsz. en Cornelis Jacobsz., Jacob Adriaen Lauwen wittige sonen en Pieter Jacobsz. en Geertruyt Jacobsdr., Jacob Adriaen Lauwens wittige en onmodige kynderen noch onbeiaert synde de welc sy dari inne gelooft te vervangen; en die selve Cornelis Jacobsz. voir Lauw Fransenz. en Jacob Fransenz., Frans Jacob Adriaen Lauwen natuerlike zoon, syns brueders kinderen, de welc hy dar inne gelooft heeft te vervangen; en die selve Cornelis Jacobsz. noch voir Rychoerd, Jacob Adriaen Lauwens natuerlike sonen synen brueder, de welc buiten-lants is en hy dar inne gelooft heeft te vervangen, ter eenre.... en Jacob vanden Berge ter ander (syde) als vanden gevechte, ongevalle en dootslage gesciet synde inden persoone van wylen Fransen, Jacob Adriaen Lauwens natuerlike zone saliger nae inhout vander selver uutsprake. En waert by alsoe dat die voirs. Jacob nu oft namaels enigen last cost commer oft scade crege van die voirs. Frans Jacobsz. hoers brueders kynderen, ten tyt als sy beiaert en tot hoeren mondigen dagen comen waeren, dat die voirs. Cornelis en Cornelis, gebruederen, en die voirs. Jacobs borgen die voirs. soenpenningen metten verloepe vandien tienden penninc, onvermyndert daer somme voirs. die voirgenoemde Jacob vanden Bergen op sullen leggen en betalen ter stont en sonder langervertieth op die peyne en verboirte als die selve uutsprake daraf inhoudt en begrypt, de welc is van datm XV.C. en een, den sevenste dach van Julio alle dinc sonder argelist etc. Actum anno sevenste dach van Julio, alle dinc sonder argelist etc. Actum anno XV.C. en een, 3 dagen in Agusto.


 IVa. Aert Aertsz van den Brande alias Coman Aert, koopman/handelaar, geb. omstreeks 1475, ovl. ca. 1531, tr. Peeter(ken) Bouwensdr, waarschijnlijk dochter van Bouwen Mathijsz, ovl. tussen 30 juni 1550 en 18 mei 1561. Zij woonden 1516-1518 te Stuivesand (Oosterhout) en vanaf 1518 in de Groenstraat (Dongen op de grens met Oosterhout).

Kinderen:

1. Bouwen, vermeld in 1550, 1561, 1562.

2. Jan ovl. voor 6 feb. 1568; 

3. Cornelis Aertsz van den Brande, geb. in of voor 1521, volgt Va.

4. Dingen, tr. Peeter Meus Peeter, waaruit een dochter Maeijken Peeter Meus Peeter.

5. Hilleken, ovl. ca. 1559, tr. Steven Peeters alias Tuijteler, waaruit een dochter Ma(r)ijken Steven Peeters. Steven Peeters tr. (2) Thonij Lambrechts Cleijs.

Op  27 juli 1504 Aert Aertsz van den Brande verkocht het bezit van zijn ouders te Lijndonk (Bavel). In 1516 kocht hij een huis en hof op Stuvensande en een paar jaar later vestigde hij zich aan de Groenstraat te Dongen op de grens met Oosterhout. 

R 416 Ginneken 27 juli 1504

Jan Aertsz en Jan Lips scepenen in Ghinneke, quam Aert Aertsz van den Brande heeft verkocht Jan Laureijs zone van Daelhem die huijsinge schure hovinge en erffenisse met huren toebehoren en metten erve daer aen liggende houdende derdalf buijnder luttel oft alsoe groot en cleijn alst gestaen en gelegen sijn tot Lijndonck neve sheerenstraet oestwaert en noortwaert, suijwaert neve Laureijs Everts erve en westwaert neve Henrick Jacopsz erve; en nog een half buijnder heijvelts luttel gelegen oic tot Lijndonck neve Dijrck Berten erve op deen side suijtwaert en Denijs Celen erve was op dander side streckende metten eenen eijnde aen Henrick Jacops erve te vrije met elftalf viertel rogs erfs ende met heeren chijnse rogs erflic voir uutgaen; Voort soe is voir ons comen Kathelijn Robbrechts dochter van Ypelaer metten voirsz Janne Aertsz hueren voigt (...) en bekende dat de voirsz Aert Aertszone van den Brande huer zoon tegens huer op heure recht van alle den huijsinge ende efenisse vorsz geerfdeelt ende gevest actum ut supra.

RA 264 Oosterhout f. 83v 3 maart 1516

Jan Ariaen Oijen zoon vercoft Art Artsz van den Brande (in de index: “Aert Aertsz van den Brande”) half bunder erfs met huis en hoff ut in littera suffixa.


RA 264 Oosterhout f. 65 23 juli 1515

Cleis Peters vercoft Jan Ariaen Oijen omtrent een half bunder erfs met huis  en hof gelegen op Stuven Sand Ariaen Celen west, vort ront om in mijns heren van Nassou vroent vrij met heren chijns 23 Julij.


RA 264 Oosterhout f 100 23 jan. 1517

Ariaen Celen vercoft Daniel van Leien iii gulden erflic te betalen Sint Merten op i bunder met huis en erve gelegen op Stuven Sande, Lau Peter Nelen west, sherenvroent suijd en nord, Art van den Brande oost, vrij met heren chijns  vi gulden erflic staen te los den d xvi los den d xii en oncost viii stuvers


RA 265 Oosterhout f 12 april 1518

Jan Gerits beset voer xviii (…) een stede omtrent een half bunder groet gelegen op Stuven Sande tusschen Ariaen Celen west en vort ront om in sheren vroent, gevest xv april anno xvi

Jan Gerits voirsz vercoft Merten Domas een stede omtrent een half bunder groet vt supra vrij met heren cjijns en 1 rijns gulden et ultra  vt in littera suffix.

xii april anno xviii.

Cijnsen Heilige Geest Oosterhout 1522

Aert Brant wordt genoemd in het Manuaal van cijnzen en rogrenten van de tafel van de Heilige Geest te Oosterhout van 1522 met de verplichting om een lopen rogge per jaar te betalen (in totaal moest hij nog over vier jaar betalen). Hij wordt vermeld onder Cornelis Peter Celien. In het Manuaal van pachten en cijnzen van de tafel van de Heilige Geest te Oosterhout van 1581 wordt in de Groenstraat vermeld “Aert van den Brants wed erfgenamen”. Ook zij moesten ieder jaar een lopen rogge betalen


RA 89 Dongen f 5r, 6 feb. 1525

Mary Vranck Willems huijsvrou met Vranck Willems hueren man en voight kent dat zij vercocht heeft om een somme van gelde die huer vol en al betaelt is Embrecht Rijckouts derdalf lopensaet lants luttel meer of min gelegen aen Jan Roel Meynaertsz met meer andere oost en Steven Cornelis west,  Aert van den Brande zuit, Steven Cornelis noort vri met 1 d(enier) tsiaers heerenchijns en hierin is Embrecht voirs gevets met vonnisse en met rechte acte opte datum voirsz.


RA 89 Dongen f 109v, 20 feb. 1530

Cornelis Claeijs Peter Celien kent dat hij vercocht heeft om een somme van gelde Cornelis Peeters van Eijssel vier veertel rogs tsiaers goet en cuijsbaer verschijnende te lichtmisse vut en op achtien lopensaet lants luttel meer off min, gelegen mette husinge en scure daerop staen, gestaen en gelegen in de Leegestrate Roel Cleijs erve aen deen zijde zuit en Roel Jan Roelens erve nort, streckende van de Leegerstrate tot Aert van den Brande, Laureijs Martens en Zebrecht Jan Wijnricx erve to, vrij met herenchijns etc.


Noot: Cornelis Claeijs Peter Celien, Laureijs Marten (Peter Celien) en de vader van Zebrecht, te weten Jan Wijnricx Peter Celien zijn neven. Wijnrick Peter Celien was gehuwd met Lijsbeth Anssem Jan Anssemsdr.



RA 89 Dongen f  147r 5 sept. 1532

Peeterken Bouwendochter met Embrecht Rijckoutsz. haer voight ende Embrecht Rijckouts als voight van Aert van den Brande weeskinderen kenden dat zij vercoft hebben om een somme van gelde Cornelis Thonis Mateusz. 22 st. tsjaers verschinende jaerlijcx te Kersmisse vut ende op eenen stede metter husinge ende scure daerop staende ende metten erve en  toebehoerten groot zijnde ontrent 9 lopens luttel meer off min aen Embrecht Rijckouts met meer andere erven noort ende Laureijs Martens ende Magriet Gijben erven zuijt streckende van den Groender straten tot Cornelis Claijs Pier Celijen erve toe, vrij met heeren chijns ende drie veerthelen ende 1 lopen rogs erffelijck ende noch ses gulden tsjaers ende noch ses gulden ende 2 st. jaarlijks ter quitingh staende die de selve Cornelis daer op heffende is daer jaerlijcx vooruitgaende. Gevest den 5en dach september anno 1532

Hier aen heeft Peeter Bouwensdochter met de kinderen haeren losse aen te lossen den gulden met 16 gulden gelijcken weerden altijt gelt ende chijns alleens ende met negen dalve stuiver eens voir coste van recht. Actum opte date voirsz

Cijnsboek van Dongen (aangelegd 1532-1536 ):

Aerdt van den Branden we(duwe) van huere(n) huijse metten lande daer ae(n) gelegen in de Groenstrate ae(n) Embrecht Rijcken erffge(namen) erve noortwaert en Willem Gijbe erve zuijtwaert strecken(de)van der Groenderstrate tot Zebrecht J(a)n Wijne(n) erve toe IIII1/2 d(enier).

De selve vander inemi(n)ghe van de(r) huys I gans.

De selve va(n) eene(n) huijs en(de) hoff inde Groe(n)straet liggen(de) neve(n) huer erve voirs. noortwaert en Meus P(e)ter Meus erve zuijtwaert I gans.


RA 89 Dongen f  195r  15 jan. 1535

Laureijs Marten Pier Celijen kent dat hij vercoft heeft om een somme van gelde die vol en betaelt is Zebrecht Jan Wijnricx het vierendeel van vijff lopensaet saijlants liggende in de Groenstraet comende metten eeenen eynde aen den waterlaet en metten andere eijnde aen Cornelis Claeijs Peter Celijen erve oost en Zebrecht voirsz erve zuijt en Aert van den Brande wed. noort en vrij met herenchijns etc. In welck erve Zebrecht is gevest den xv januarij anno xvc xxxv.



RA 89 Dongen f. 257r, 1 feb. 1536

Peer Aert van den Brande weduwe heeft gelooft te geven Jan Verdussen ii veertelen rogs te betalen te Meye naestcomende oft pant als gereet gelt. Actum den eersten februarij anno xvc xlvi


RA 89 Dongen f  220r  4 dec. 1536

Willem Gijbe  kent dat hij vercoft heeft om eene some van gelde die hem vol en al betaelt is Jan Willemsz een stede metten huijsinge en scurije daeropstaende alsoe groet en cleijn alst gestaen en gelegen is in de Groenstrate en hem van sijne ouders aanbestorven is, aen Laureijs Martens erfgenamen zuijt en Peer Aerden weduwe noort en oost, en sherenstraet wets, vrij met herencijns.


Noot: Willem Gijbe was een zoon van Ghijb Claijs Jan Ghijben en kleinzoon van Celie Peter Celiendochter.


RA 89 Dongen f  235r  4 jan. 1537

Jan Jan Wouters als voight ende Jan Cornelis als toesiender van Marike, Maria, Lijsken en Willeke, Laureijs Martens saliger weeskinderen, kennen dat vercoft hebben om een somme van gelde Meus Peeter Meusz omtrent vijff lopensaet  lants luttel meer off min gelegen in de Groenstraet aen Zebrecht Jansz zuijt en neven Peer Coman Aerden wed met meer anderen noort, streckende van de Groenstrate tot Zebrecht Jans erve toe. En hieroe sijn gecomen Embrecht Rijckouts en Zebrecht Jansz als vrienden (…)

Gevest den iiiien dach januarij aano xvc xxxvii


Noot: Jan Jan Wouters is een zoon van Kathelijn Peter Celiendr. en derhalve een neef van Laureijs Marten Peter Celien.


Breda RA 446 f 63v 22 maart 1541

Verdeling erfenis van Cornelis Anthonis Matheus, schepen, burgemeester van Breda. Frans Anthonis Matheus en zijn zus Jenneken delen ondermeer op: “Item noch op vier rijnsgulden erfchijns ter losse die de weduwe Aerts van den Brande vutreyct vut sekere onderpande tot Donghen gelegen daer twee verscheyden brieven af zijn”.

Aert Brant wordt genoemd in het Manuaal van cijnzen en rogrenten van de tafel van de Heilige Geest te Oosterhout van 1522 met de verplichting om een lopen rogge per jaar te betalen (in totaal moest hij nog over vier jaar betalen). Hij wordt vermeld onder Cornelis Peter Celien. In het Manuaal van pachten en cijnzen van de tafel van de Heilige Geest te Oosterhout van 1581 wordt in de Groenstraat vermeld “Aert van den Brants erfgenamen”. Ook zij moesten ieder jaar een lopen rogge betalen

RA Dongen 30 juni 1550 Wij Roeloff Heijnricxsoon ende Adrijaen Jansz. Wage scepenen in Dongen oirconden dat voor ons gecomen is Peeter Aerts weeduwe van den Brant met Zebrecht Jannsoen haren voecht die haer metten recht gegeven is, kent ende lijdt dat sij vercoft heeft om een somme van gelde [aan] Bouwen Aertssoen een huijs metten erffenijsse daer aen gelegen groot sijnde onttrent een buijnder oft alsoe groot ende cleijn als dair gelegen is, Rijck Embrecht Rijken met sijnen erve aen die noortsijde ende Meus Peeter Meus met sijnen erve aen die sudtsijde streckende van den Groender straten tot op Zijbrecht Janssoen erve toe, vrij dit erve voerschr. met drije stuvers siaers heeren chijns ende met drije veertelen rogs ende een lopen rogs erflijck dair jaerlijcx uutgaende ende noch 13 gulden tsiaers staende ter quitinge ende hijer in is Bouwen voerschreven in gevest voor hem ende voer sijn ander suster ende broeders als duer seker naerderscap die den selven Bouwen voerscreven gedaen hadde tegen Meus Peeter Meus aengaende van deesen stede [hofstede], dies soe is voerwaert als dat Peeter Aerts weduwe voerscreven sall blijven wonen in dees huijsinge ende haer [doorgehaald: nootdruft halen op dees stede] brucwerijnge [bruikweer: pacht] houden ende hebben van deesen stede voerscreven haer leefdaech lanck gelijckerwijs als sij tot noch toe gedaen heeft, in oirconde desen brijeff met onsen zegelen besegelt int jair ons Heeren 1550 den lesten dach Junijus.


 RA Dongen 23 mei 1561 In deesen manijeren ende condicien hierna bescreven nae uutweijsen der vercoopcedullen gemaect sijnde tot Bredae, alsoo sijn deselve erfgenamen te weeten Bouwen Aertssen ende Jan Aertssen ende Cornelis Aertssen ende Dingen Aerts dochter met Joris van der Wee, vorster, haren vooch ende deese selve personen blijvend bij den selven coopcedullen daeraf gemaeckt ende gepasseert sijnde tot Bredae, van alsulcken uutcopijnge als dese selve personen voorscr gecoft hebben van Steven Peeters weeskijnt oft van den voocht ende den toesiender, te weeten Gijsbrecht Adriaensz als voocht ende Cornelis Aerts als toesiender, van alsulcken vijften gedeelte alsdat selve weeskijnt hadde in de goeden van wijllen Aert van den Brant ende Peeterken sijn huijsvrouw salijger [en] dat voor die somme van vijffendevijftich lichter gulden eens ende die te betalen tot Lichtmis toecomende als erfpenijngen, dies soo gaen die twee jaren hiermede binnen van dat die erfgenamen oft semmers dat kijnt gehouden hebben, voor welken twee jaer rekenijnge wij eijsch maken vijftien rijnse gl dat wij dat wij dat kijnt gehouden hebben, te weeten Marijken Steven Peeters dochter, dies soo sall dit kijnt ontfangen vrij gelt ende Steven Peetersz gelooft mits deesen als voor den uutcoop te geven den weeskijnt voorscr de somme van vijftien rijnse gl van XX str den rijnse gl, ende dat voor die haeflijke goeden, dies soo sullen deese personen voorscr dat gelach betalen deesen dach, sonder des weeskijnts cost, welche vijftien rijnse gl voorscr Steven Peeters gelooft te betalen voor scepenen onder bekent, tot Lichtm is toecomende, oft pant als gereet gelt. Ende dat van eenen uutcoopm die gecomen is van Hilleken Aerts dochter zalijger, deeser Steven huijsvrouw is geweest ende dit bij consent van voocht ende toesiender voorscr. In presencie Zebrecht Janssen ende Peeter Cornelis, scepenen. Actum den XXIIIen Meij Ao XVc LXI.


 

Gijsbrecht Adriaensz als voocht ende Cornelis Aertsz van de Brande als toesiender van den onmondijgen weeskijnt van wijllen Hilleken Aerts dochter zalijger, [die] Steven Peeters huijsvrou is geweest, hebben vercoft aen Cornelis Aertsz ende Bouwen Aertsz ende Jan Aertsz ende Dingen Aerts dochter een vijften gedeelte in eender steede metten huijse daerop staende, gelegen Rijck Embrech met sijnen erve noortwaert ende Bartolomeus Peeter Meusz cum suis sijn erve sutwaert, streckende van der Groender Straten tot op Peeter Geraerts erve toe; soo kent Gijsbrecht Adriaens als voocht ende Steven Peetersz als vader van deesen weeskijnt voorscr, elck bij haerder waerheijt, dat sij hierin geen beeter en weeten dan dit goet ten hoegsten ende tot profijt den weeskijnt voorscr vercoft en wordt. Actum den [niet ingevuld]

RA Dongen 8 juli 1562 Cornelis Aertsz van den Brande heeft vercoft aen Bouwen Aertsz ende Jan Aertsz ende Dingen Aerts dochter sijn gedeelte in eender stede metter sueren ende huijse daer op staende ende met den hoff daer aen gelegen, gelegen Dingen Aerts dochter met haren erve sutwaert, ende Rijck Embrechs erve noortwaert, streckende van de Groender straten tot op de Waterlaat sloot toe. Actum den VIIIen Julij Ao LXII.

RA Dongen 93 f8v 23 november 1569 Adriaenken Jan Cleijssen dochter met Gijsbrecht Adriaensz, haren man ende vocht hebben vercoft [aen] Lambrecht Adriaens vijff guldens tsiaerts, staende dees rente op die stede aldaer Dingen Aerts op woont. Actum den XXIII Novembris Anno XVc LXIX.
In de marge: deletum de consentum Lambrecht Adriaens


 

IVb. * Adriaen Jansz van den Brande,

geeft in 1511 volmacht aan (waarschijnlijk zijn oom) Adriaen Adriaensz van Steen, die was gehuwd met N.N. Thonisdr van den Brande.


 

RAWB Etten R 284, f. 115v, 31-05-1511

Adriaen Jansz. vanden Brande vanden Berc heeft voer recht machtich gemaect en in syn stede gestelt Adriaen Adriaensz. vanden Steene, omme uten name van hem en van synen wegen te vesten en over te dragen alsulken buynder maden gelegen aende elshouten wech, dat te vercoopen en den coopman darinne te goeden en te erven alsoe naden lantrecht behoort en voort om alle sine andre saken te vervolgen metter minne oft met rechte des hem daraf sal duncken behoorende en trecht vernach. Eenen procureur of meer etc. Ier wittige rekeningen en tot sinen kenliken wederseggen. Anno XV.c.XI, den lesten May. Present Backer, Pau, Werck.


 

RAWB Etten R 276, f. 30, ..-..-1499

.............Scepen inde palen vande Hoeven tot Etten oirconden dat voir ons quam .............. zone bekennende en lyde dat hy in rechten....... sekeren voirwaerden gegeven heeft Symon Jan Lauwereys zynen swager met Mary synder dochter een gemet weyde luttel myn of meer of zoe groot etc. oost: aen Anthonis Jan Coggen. Symon en Adriaen Joost voors. ander erve en noord: aen Jan Gherit Boeyden erve.

Te vryen en te waeren dat gemet weyden voirs met tsHeren chynse en met twee erfrogs jaerlycs uutgaende. En............noch ½ bunder lants luttel myn of meer liggende aen Adriaen vanden Brande erve, zuid: en west: aen Adriaens voirs. ander erve. en noord: aen Heyn...... Te vryen en te waeren met tsHeren chynse en met 2 lopen erfrogs en drie quartier en l loepen erfrogs jaer jaerlicxs uutgaende op..........


 


 

IVc. Adriaen Laureys Anthonis Aerts van den Brande, ovl. na 20 aug. 1552 en voor 24 sept. 1567. tr. (2) Peterke Jan Joris.

Kinderen ex (2):

1. Cornelie Adriaen Laureys tr. (1) met Adriaen Anthonisz van der Mede, zoon van Anthonis Jansz van der Mede, overleden vóór 30 okt. 1595, tr. (2) met Adriaen Adriaens van Dorst.

2. Laureys Adriaen Laureys, geb. ca. 1542 of eerder, volgt Vb.

3. Stoffel Adriaen Laureys, geb ca. 1546 Vc.


 

RAWB Etten R 304. f. 52 10-02-1537

Adriaen Lauwen verwillkoirt te geven heer Aerden Baeck 30 stuivers.


 


 

RAWB Etten R 305 f. 7 1537

Adriaen Lauwen pro se, Anthonis Bouwens als man en voigt van Goelden Lauwendr. uxore, Willem Willemse als man en voigt van Maiken Lauwen uxore zijn van malcander gescheyden en gedeylt van alsulcke goeden haeflich en erflich daer uyt gestorven is Cornelie Jan Duls weduwe wijle huers lest man Pieter van Gageldonck in de mangelen als navolgend.


 

Adriaen Lauwen is gevallen en gedeylt op ii weykens groot ii gemet gelegen in ‘t Elshout oist aen die strate, zuijden Jan Toen Boijens, west Adriaen de Bye, noirden Wouter Lauwen erfgenamen, etc. Noch is hij bevallen op drie gulden tsiaers sprekende in de Hage op Jan Beyntels. Noch moet hem Willem Willems uytreycken eens in den handt den somme van xl(…) gulden. etc.


 


 

RAWB Etten R 307, f. 55v, 27-01-1539

Anthonis Bouwens als man en voight van Goelden Lauwendr en Willem Willemssen als voight van Joazin Kauwendr bekennen Adriaen Lauwen bedeylt te zyne. Adriaen Lauwen op zeker 9 loopen rogs tsiaers erffelyck spreeckende op inde Hage op Cornelis de Lathouder. Noch op 3 loopen rogs tsiaers lossinge na inhoudt der brieven; verleecken. Actum de 27ste Jan. Present, Doren, Merwe.


 


 

GAB vestbrieven Princenhage R 708, f. 216, 20 07 1540

Quamen Adriaen Laureys Anthonis Aerts, verkopen aan Cornelis Domaesz. van Etten 3 Rgld volgens brief, die hen na de doot van wijlen Cornelie Jan Dullen, zijn moeder, die daerop na de doot van wijlen Peter van Gageldonck heuren man gedeeld was, alsoo Wouter Jansz van Rijen als man en voogd van Marie Hubrecht van Gageldonck zijn huisvrouw, die hij vervinck voor zoo veel als hem aengaet voor ons schepenen tegenwoordig etc.

Transficx 6 8 1527.


 

RAWB Etten 03-11-1547

Quam Jan Aert Noyens zone en lyde wittelick vercocht te hebbben om een somme Adriaen Laureys Anthonis zone een stede met de huysinge daer op staende dair wylen Willem Voss vuytgestorven is en de voirs Jan Aert Noyens van de erfgenamen des voirs Willem Vos bedeelt bekent is alsoenen verstaet groote onder landt en weye omtrent zeven gemeten oft zo, gelegen opten Breemberch oostwaert aen de Breemberchse strate zuydtwaert aen Cornelis Cleysz de Wale erve, noortwaert aen Jan van Sundert erve en westwaert aen Cornelis Adriaen Aertsz erfgenamen erve, te vrijen en te waren, etc.


 

RAWB EttenR322 f63v 20-8-1552

Marie Laureys Thonis zoons dochter, wedue wijlen Willem Willems Schobbe met Aerden (…) heuren voight en Cornelis Lambrecht Goemans als voight en Adriaen Laureys Thonissoon als toesiender van Willem en Fransen des voirsz Willem Schobben en Marien onbejaerde kynderen die oick mede voir ons scepenen in persoone compareerden hebben vercoft Jannen Symon Janszoon de Jonge, een stede met den huysingen daer op staende en omtrent een buynder erven oft zo, gelegen oostwaert aenden kant van der vaert zuytwaert aen Laureys Claesz erve westwaert eendeels aen Marie Cornelis Denisx wedue voirts aenden Soecwech geheeten tHoofstraetken en noortwaert oick aenden wech voirsz. Te vrijen en te waren de stede mten den erve voirsz met sheeren chynse sonder enigen anderen commer.


 


 

IVd. Kerstiaen Jacobsz van den Brande, turfschipper,


 

Waarschijnlijk geboren ca. 1440. Mogelijk zoon van Jacob Jansz van den Brande.

In 1461 brengen de drossaert met de schepenen van Breda een zoen tot stand tussen Kerstiaen en Jan Godert, nadat Kerstiaen Jan Godert gestoken had. Kerstiaen verbindt zich tot een bedevaart.


 

Hij woont opte Lore, nabij de Kotelstrate, naast Jan Aertsz van den Brande; mogelijk zijn grootvader.


 

In 1470 koopt Kerstiaen een turfschip en verbindt zich jegens de verkoper om turf te vervoeren naar Reimerswaal of Zierikzee.


 

In 1474 wordt zijn huis en land bezet omdat hij een daarop rustende rente niet betaalt. Nadien wordt hij te Etten-Leur niet meer vermeld.


 

RAWB Etten R 253, f. 4, ..-..-1461

Jan Go...

De dross(aert) metten scepenen van Breda ...... tot Et.... een zoen ghemaect en uutgesproken Dat Kers(tiaen) Jacob s om dat hy Jan Godert gesteken hadde ......... live bynnen een vierendeel Jaers na dat hem.... Jan Godert vermaent sal hebben, een bedev(aert).. tot Sinte Anthonis In Byennoeins, en goede bethoen te brengen dat hy die gedaen heeft..... behoren sal, En daertoe //sal Kerstiaen// den Heiligen Geest van Etten bynnen XIIII dagen proximo te ....... met L mans persoenen elc 1 ortken........... toe sal staen betalende Jan Godert tusschen...... en Pinxten proximo voer syn arsardien ( behandeling) gelde IIII Kgld, 2 g...... Kerstiaen sal Jan Godert vors. bynnen...... proximo goede zeker borge setten als ..... vinden en te voldoen dat von....... versoent op soenbrake Da......

RAWB Etten R 253, f. 4, 02-01-1461

Item En Henrick van Etten sal voer die ........ Cornelis de Clerck misdaen heeft......... XIIII den proximo offeren met............. heilgen geest van Etten elc..............................

mede versoenen op soenbrake gep.................

ende sulx vors. was. Datum 2 Jan. .........

RAWB Etten R 253, f. 4, 02-01-1461

Item Cornelis Brecht, Peter Jans, Adriaen Siers......

heeft ..... voldaen Henrick van Etten en Aert van....

Henrick geloefde die borgen, dat Kerstiaen.......

vors. die Jan Godert .............

manieren voirs. ...................


 

GA Antwerpen schepenen R 72, f. 38v, 05-03-1468 (1467)

Joes Gheeryt Fredericx sone, scipman alhier, vercocht Michiele Mathys joncker Janssone en Michiel Mathys sone sinen swagher, tEtten opte Luere geseten, een stede met huyse, hove etc., gestaen ende ghelegen tEtten opte Luere, tusschen Kerstiaens van den Brande ende der wedewen Willem Keelaerts erve. Ende noch omtrent V buynder lants, aldaer op Attele in I stuc lants van omtrent XX buynderen, geheeten Jan Mathys goet, tusschen dlant dat Jan Lauwen nu in handen heeft oost ende der kinderen Peter Celys et suis west, comende zuid aen sheerenstrate.


 

RAWB Etten R 259, f. 3, 20-10-1469

Peter, Siers, Vrerick, Meeus, scepenen inde palen,

Michiel Mathys Joncker Jans vendidit Willem Peter Willem Stuvers alsulken huys en erve, metten hoven dar aen gelegen, en alsulken Beyerschen gulden erfchys, met alsulken gelegentheyt vriheiden en waernissen etc. ut in litteris suffixis, Behoudelyck dat hyt gelooft te vryen en te waeren metten heren chyse en metten drie leliplacken erfchys inden voirscepenen brieven genoemt en met noch zes stuvers erfchys den heiligen geest tEtten. Gevest. XX octobris anno LXII. Vide eandem materiam in protocollo anno LVIII, XX september. In nomine Coman Herman.


 


 

RAWB Etten R 260, f. 22v, 09-04-1470

Siers, Ceters, Bye, scepenen inde palen, Jan Aertszn. van Brande, vendidit Cornelis Godert Louwers Tweehondert roeden erfs of alsoe groet etc, gelegen op Ettelaeck, o: Thonis Wouter Wyns, z: oec Thonis Wouter Wyns, w: Thonis Aertszn. vanden Brande, n: oec Thonis Aertszn vanden Brande. Met vorwaerden dat die vors. II.C. (200) roeden erfs wegen sullen over Thonis Aertszn voirs. messie (mestvaalt) tot op sheren strate, gelyc alster dar over enen soecwech sculdich is te wegen, tevaren en te keren. Te vryen met sheren chyse. Behoudelyck dat mepant is met anderen erve dar toe behorende, als van enen borgh scilt erfchys, die Wouter van Dielbeke dar op heffende is na inhout. etc. met vorwaerde, worde Cornelis voirs. vanden Schilt erfchys vors. beschaet, te verhalen op een huysken en erve met sinen toebehoirten, gelegen inde Kotelstrate, z: Kerstiaen Jacobszn., Willem Peter Stuvers en Heyn sWevers erven, w: oec Willem Peter Stuvers, n: Peter Henricxzn van Dorst. Te vryen met X groeten payments erfchys voer uutgaende. Gevest.


 

RAWB Etten R 261, f. 46v, 14-12-1471

Peter, Thonis Henricxz., Jan Jannis Aerts en Aert die Bie scepenen inde palen,

Cornelis Jan Aert Tols als voocht Mergriet Willem Boudens dochter, syns wittichs wyfs, vendidit Henricke Henricxz. van Etten, twee arnoldus guldens erfchyns, vel valorem, Dandum Henrick vors. op Lichtmisse, veronderpant op een huys en erve metten hove en sinen toebehorten, daer Kerstiaen Jacobsz. nu ter tyt woent; daerse den vorgenoemde Cornelis en sinen wive op aencomen verstorven en bewyst syn na dode wilen Peter Petersz. van Dorst, syns wyfs oude vader, gelegen opten Lore, oost: Henrick van Herle, zuid: sherenstrate, west: Willem Peter Stuvers, noord: Jonge Jan die Piper. Te vrien met heren chyse en metten erfchyse vors. Gevest 14 decembris anno 71.


 

RAWB Etten R 261, f. 76, ..-..-1471

Siers, Ceters, Bie, scepenen inde palen, etc.

Jan Aertsen vanden Brande vendidit Jan Jan Mertens een huys en erve met een hove en syner toebehoerten, gelegen inde Molenstrate, oost: aende Ketelstrate, zuid: Henrick Jansen van Herle en Kerstiaen Jacobs, west: Willem Peters Stuvers, noord: Peter Henricx van Dorst. Te vryen met drie leliplacken erfchyns en enen bourgodischen Philips scilt die Wouter van Dielbeke dar op heffende is na inhout. Gevest.


 


 

RAWB Etten R 262, f. 9, 15-12-1474

Bye, Andries, scepenen inde palen, etc.

Anthonis Henricxz. voecht Carolien, Henricx syns brueders wyfs, heeft doen besetten hueren kenliken onderpant voer hueren chyns van binnen jaers, comende van twee gouden arnoldus gulden erfchyns, te weten een huys en hof dar Kerstiaen Jacobsz. woent op te Loer, ut in littera suffixa, toegedaen Anthonis als voecht vors. voer hueren chyns van binnen jaers vors.

Datum 15-12-'74.


 


 


 

RAWB Etten R 260, f. 57, 05-03-1470

Peter, Siers, Ceters, scepenen inde palen,

Peter Henricxz. van Dorst, dedit Jan Jansz. van Lyndonck Een hofstat en erve, also groet etc. gelegen oost: aen die strate geheten die Cotelstrate, zuid: Jan Aertsz. van Brande huys en erve, west: Willem Peter Stuvers en noord: Adriaen Ansem; om vierthiendalven silveren penninc geheiten stuver, munten sHertogen van Burgondien en van Brabant, voer daten, vel valorem tsjaers erfchys. Dandum op mertiny, veronderpant etc. Te vryen met heren chyse met vorwerden dat Jan Janz. voirs. gelooft dar op te setten en doen timmeren een huys met drie gebinden; om die erfchys voirs, te bat te versekeren en (te) dar me (de) te verpanden ut in forma. Gevest Jan vors. Datum V Mercy anno LXX. Scripta et solvit pro Petro.


 

RAWB Etten R 260, f. 20, 22-02-1470

Godert, Siers (Ceters), scepenen inde palen,

Kerstiaen Jacobsz. en Henrick Valck hebben gelooft gesamenderhant etc. op hen en op huer goet, voer hen etc. et successoribus Cornelis Dorincx, te doen met hueren playtscepe, dwelc sy nu tegen denselven Cornelis gecocht hebben of met enen anderen scepe alsoe groet, XLV reysen aen desselven Cornelis torven die hen wysen sal en te doen bynnen drie jaeren, te weten elx jaers XV reisen, en die torven te vueren en te brengen, te weten te Sierixee, of te Reymerswale, daerse hem Cornelis wysen sal te lossen, het sy aen gereeden keeten of te vercopen alsoe dat gebeuren sal. Welke reysen voirs. die vors. Kerstiaen en Henrick in elck jaer sullen moeten don na Sinxen, deen reise na dander; het ware datse hem Cornelis voer Sinxen wil laten doen.

Behoudelyck dat zy dyerste reise van elken jaer voirs. sullen doen ter yersten reise van ouden goede. Des sal hem Cornelis altoes telker reisen als zy laden sullen geresschap van torve doen bynnen eenen dage ten lanxsten nadat sy ree syn te laden.

RAWB Etten R 260, f. 20v, 22-02-1470

Wij Kerstiaen Jacobsz. en Henrick Valck bekennen en verlyen op ons en op ons goet dat wy sculdich syn Cornelis Dorincx te doen met onsen scepe die wy tegen hem nu gecocht hebben XLV reisen binnen drie jaeren proximo, telken jaer XV reisen in alle der maten die scepen brief inde palen etc. uutwyst die wy hem op heden etc. verleden hebben, En waert sake dat wy die vors. XLV reisen in sulken maten niet en deden soe verwilcoren wy tvoirs. plaitscip cum attencien te bliven staen in handen Cornelis Dorincx vel latori tallen plaetsen en havenen etc. ter tyt toe etc. Peter en Siers sullent zegelen. Pande. Datum ut supra.


 


 

Va. Cornelis Aertsz van den Brande, geb. naar schatting omstreeks 1525, won. Oosterhout, ovl. in of na 1603, tr. Alit Adriaen Slaetsdr ovl. voor 13 april 1571, dochter van Adriaen Cornelisz de Laet en Katherine Cornelis Claeijs Pluijmsdr. (RA Oosterhout 266, f. 25).

Kinderen:

1. Adriaen, volgt VIa.

2. Peter, volgt VIb.

3. Maria, tr. Jan Henrix Bijvoet, won. 's Gravenmoer, zoon van Hendrick Cornelis Bijvoets, hij overleed in of kort voor 1599, vgl. de inwonerlijst van ‘s Gravenmoer 1599: Maeycken Jan Hendrickxsz Bijvoets weduwe met ses kynderen waervan het jonxten audt is een jaer.

4. Anneken, (in 1585 nog minderjarig), tr. Cornelis Huijbrechts. Cornelis Huijbrechts en - later - zijn zoon Jan Cornelis Huijbrechts worden in het cijnsboek van Dongen vermeld als eigenaar van hofstede aan de Groenstraat die eigendom was geweest van Aert van den Brande. Zij en haar man zijn na 26 juni 1623 overleden.


 

De kinderen van wijlen Alijt Adriaen Slaetsdr en haar zus Marike Adriaen Slaetsdr verkochten op 4 jan. 1577 een “stede, huijs, schuere, kooije, hof ende erfenisse metten erve” groot ca. 3 bunder gelegen in de Berckenstert, “vierdalve loipensaet weije gelegen in de Grijndt” en “twee loipensaet saijlants gelegen in de Berckenstert” welke zij hebben geërfd van Henrick Cornelis Pluym. RA Oosterhout 281 f. 77. De genoemde boederij was eerder eigendom van Cornelis Claeijs Wouter Pluijm (1522) en maakte daarvoor deel uit van zes bunder die van Claeijs Wouter Pluijm was.


 

Cornelis Aertsz van den Brande wordt vermeld in de legger van de bundertalen (1580-1581) als eigenaar van een "stede met huijs ende hoff groot een buijnder lants" (een bunder is ca. 1,3 ha.) gelegen aan de Herenstraat in de buurt Middelwijk te Oosterhout.


 

Voordien bezat hij een stede, huis, hof en erfenisse groot drie lopensaet gelegen in de Grint, “teynde de Heystraet”. Hij verkocht dit op 13 april 1571 (RA 280 f. 23) aan Huijbreghten Jan Embrechts.


 

RA Oosterhout 290 f. 258: Huijbregt Jan Emmen verkocht aan Jan Hendrix Michiels“een huijs en schuere en erf en erfenisse daer aen gelegen, onbegrepen de mate, gestaen en gelegen in de Grint bij een vercoop vercregen van Cornelis Aertsz van Brandt, de erfgenamen van Jacob Adriaen Jacobs oist, den gebuerweg west, Geerit Leenaerts suijden, Wouter Jans erve noorden, te vrijen met twee blancken gort aen heeren commandeur van heerenchijns ende een veertel rogs aen Adriaen Tomas ende dertig stuijvers chijns aen Jenneken Adriaen Pottens, voorder vrij commerloos, gevest actum den 13 january 1607”.


 

Cornelis Aertsz bezat ook een halve bunder zaailand onder Dongen. In de 5e penning van 1581 wordt hij in Dongen vermeld onder de buitenlieden (hij woonde toen in Oosterhout) met een half bunder zaailand in Peeter Meeusz stede als Cornelis Aertsz van (den) Brant. Hetzelfde stuk land staat in de 5e penning uit 1601 en 1621 op naam van Cornelis Aerden. Cornelis Aertsz was in 1621 zeker al overleden. De betreffende vermelding ziet waarschijnlijk op zijn erfgenamen.


 

Cornelis Aertsz van den Brande kocht “twee lopensaet en seven roede seijlants gelegen aen de heikant in Middelwijck sherenvroente oist, Jan Adriaen Claes Peter Lemmens west, Gijsbregt Jan Goderts en de erfgenamen van Pieter Jacobsz noort”


 

RA Dongen 8 november 1546

Wij Peeter Jan Lemmens ende Arijaen Jan Clausen scepenen ende [sic] kennen dat voor ons quam Jan Willems kennende ende lijdende dat hij vercoft hadde om een somma van gelde die hem voll ende al betaelt is Cornelis Aerts van den Brande soen onttrent 28 roeijen seijlants [zaailand] off alsoe groot ende cleijn als dair gelegen is, Peeter Meus met sijnen erve aen die sud sijde ende die selve Cornelis met sijnen erve aen die noortsijde streckende van s heerenstrate tot Cornelis voirschr. erve toe vrij sonder heeren chijns ende Jan Willems geeft vvt sijn ander guet seven gulden tsiaers ter quitingen waer mede dit erve voirschr. is medepandt ende of Cornelis hijer aff bescadicht worde soe steldt Jan Willems sijn steede onttrent drije buijnder groot sijnde te waerborge ende all dat hij vercrijgen mach ende hijer in is Cornelis voirschr. gevest ende toegedaen met vonis ende met recht behouwelijken dus dat hij daer aff sal gelden scolen hiaden [?] binnen Dongen ende alle gebuerlijke rechten.

In oirconden deesen brijef met onsen segelen besegelt int jaer [onzes] Heeren [1546] den achten november.


 

RA Dongen 8 juli 1562

Cornelis Aertsz van den Brande heeft vercoft aen Bouwen Aertsz ende Jan Aertsz ende Dingen Aerts dochter sijn gedeelte in eender stede metter sueren ende huijse daer op staende ende met den hoff daer aen gelegen, gelegen Dingen Aerts dochter met haren erve sutwaert, ende Rijck Embrechs erve noortwaert, streckende van de Groender straten tot op de Waterlaat sloot toe.

Actum den VIIIen Julij Ao LXII.


 

RA Oosterhout 284 f. 101v-102:

Quamen Adriaen Cornelis Aertsz. van [den] Brande voor hem zelven, Peter Corn. Aertsz. zijn broeder, oock voor hemzelven ende Maria Cornelis Aertsdr., met Jan Henrix Bijvoet van tzgravenmoer haren man ende vooght ende Cornelis Aertsz. van [den] Brande als vader en vooght [van] Anneken zijne dochter die hij hierinne verving en voor wie hij hem sterck maeckte, van welcs knder moeder was Alit Adriaen Slaetsdochter, alle als erffgenamen [van] wijlen Maria Adriaen Slaetsdr. Erkenden en lijden dat zij luijden wel minnelijck en vruntlijck zijn overcomen gescheijden gemiddelt en gedeelt van en aengaende alle de goederen zoo haeffelijck als erffelijck, meubelen, cutelen [?], huijsraet en andersints, cleederen, juwelen, die zij zelve ennichsints souden mogen becomen en haer aenbestorven naer doode [van] wijlen de voorsz. Maria Adr. Slaetsdr. henne moeij [tante] was en die de zelve metterdoot geruijmpt en tharen sterffdage achtergelaten heeft inden forme, manieren en op conditiën naerbeschreven. Ten eersten is den voorsz. Adriaen Cornelisz. van den Brande bij lotinghe van cavelinghe bevallen en gedeelt op vier veertelen rogs tsiaers [jaarlijks] ter quijtinginge daer Jacop Adriaen Jan Jacops jaerlix den vuijtreijcker aff is. Item op twee Rijnse guldens tsiaers chijns daer Anna Claes Bremers weduwe woonende inde Leechstraet tot Dongen jaerlix vuijtreijckeresse aff is. Item op een schepenenschultbrieff innehoudende een zomma van vierenvijftich Carolus gl. luijdende op Willem Adriaensz. van Bavelen noch op een schepenenschultbrieff innehoudende en zomme van vierendevijftich Carolus gl. luijdende op Adriaen Aert voorsz. Daertegens is den voorsz. Peter Cornelis Aertsz. bij lotinghe van cavelinghe bevallen en gedeelte ten eersten op drie veertelen rogs tziaers erffpacht daer Adriaen Assentius [?] Joos jaerlix den vuijtreijcker aff is. Item op een veertel rogs tziaers daer Jacop Henrics Peters of zijne erffgenamen jaerlix de vuijtreijckers aff zijn. Item een schultbrieff van vier en vijfftich Carolus gl. luidende op Jan Geen Jansz. doude. Item op een schultbrieff van vier en vijfftich Carolus gl. luijdende op Bartholomeeus Geeritsz. weduwe en noch op twee Rijnse gl. tziaers chijns daer Willem Raessen Tzgravenmoer jaerlix den vuijtreijcker aff is. De voorsz. Maria Corn. Aertsdr. metten voorsz. Jan Henricxsz. Bijvoet haeren man en vooght zijn bevallen en gedeelt ten eersten op twee veertelen rogs tziaers erfpachts die Jacop Floris Jansz. jaerlix plach vuijt te reijcken [en] nu Jan Jansz. potmaecker. Item op twee veertelen rogs tziaers erffelijck met twee Rijnse gl. tziaers chijns die Wouter Aerts erffgenamen moeten jaerlix vuijt henne onderpanden vuijtreijcken. Item op een schultbrieff. Item op een schultbrieff innehoudende tachtentich Carolus gl. luijdende op Jacop Adriaen Jan Jacops woonende inde Groenstraet. Item op een schultbrieff innehoudende een zomme van sevenentwintich Carolus gl. luijdende op Hendrick Bartholomeus Heijnrick Aertsz.. Ende daertegens zoo is den voorsz. Cornelis Aertsz. van den Brande in naem van Anneken zijn dochter daer voor hij hem sterck maeckte bij lotinghe van cavelinghe bevallen en gedeelt ten eersten op een veertel rogd tziaers erfpachts daer Peter haren broeder hiervoor op de wederhelft gedeelt is en die Jacop Heijnrick Peters erfgenamen jaerlijks zijn vuitreijckende. Item op drie veertelen rogs tziaers erffelijk daer Cornelis Damen van de Vekens erfgenamen jaerlijx de vuijtreijckers aff zijn. Item op een schepenenschultbrieff innehoudende de zomme van vierenvijftich Carolus gl. luijdende op Adriaen Jan Joosz. Item op een schultbrieff innehoudende vierenvijftich Carolus guldens luijdende op Jan Harman Heijndricxsz. Item op een schultbrieff innehoudende sevenentwintich Carolus gl. luijdende op Adriaen Adriaensz. de Hont schipper. Item noch op thien stuijvers tziaers chijns daer Anna Claes Bremers woonende te Dongen inde Leechstraet jaerlix de vuijtreijckersse aff is. Is ten dezen noch merckelijk bevoorwaert dat ofte noch meer schultbrieven renten of pachten bevonden worden die hier voren nijet geruert noch gedeelt en zijn, dat die wederomme portie portie gelijck zullen gedeelt worden. Voorder houden de voorsz. parthijen erffgenamen gezamerderhand noch in weren en onbedeelt omme bij hen gezamenderhandt vercofft te worden off gedeelt ten eersten een huijsken metten hoff daeraen gelegen groot ontrent XXV roeden gelegen inde Leijssenhoeck, Thomas Jan Thomas oost, Antonia Jan Claes Gielisdr. erffgenamen west, Anna Adriaen Schoenmairs weduwe suijten sheerenstraet noort. Item drie lopen raet beempden, gelegen t'eijnde de Kijlen, Jan Bartholomeeus Geeritsz. erfgenamen oost, tcloister van Clantrijns erve west en zuijt en noort vrij commerloos. En noch zoo bekennen de erfgenamen voorschreven dat zijluijden respective de clederen, juwelen, meubelen en huijsraet onder malcanderen hebben gedeelt en gepaert sulx dat elx daermede te vreden is. En in desen manieren bedancten hen de parthijen condantenten goede scheijding deelinghe en minnelijcke vereenninghe verthijnde reciproche d'een op des anders gedeelte zoo deze behoort. Gelovende de zelve ten eeuwige dage te houden onwederbreeckelijck sonder argelist. Actum 21 novembris 1585.


 

RA Oosterhout 25 juni 1585

Cornelis Aertsz van de Brande is voogd over zijn nichtje Maria Steven Petersdr.;

Aert Sebrecht Jan Wijnen geloeff [aan] Cornelis Aertsz. van de Brande als voocht ende tot behoeff [van] Maria Steven Petersdr. de zomme van 25 ponden 10 schellingen danden [af te lossen ] lichtmis eerstcomende ten termijn [dus ieder jaar op lichtmis] met pant etc. Actum 25 juni 1585 present [volgen twee moelijk te ontcijferen namen, vermoedelijk van schepen]

in de marge staat: Cornelis Huijbert Corneliss als ge[machtigd] bij Maria Stevens bekendt van Adriaen Zebrechts voldaen ende betaald te wesen 24 febr. 1597, ten voorsz. daege gealimineerd


 

De rekening van de armmeesters van het Oostquartier van Oosterhout 1603-1607 f. 4v vermeldt:

“Van Cornelis Aertsz van den Brant ontvangen een pondt thien schellingen arthois over de redemptie van een lopen rogs tsiaers verschenen lichtmis anno 99 tot 1603 tsamen vijff jare pachts coempt alhier in gelde.”


In de Koningsbede en 5e penning van Oosterhout 1600-1619 wordt ene Huijbrecht Peeters, wonende te Gilze, vermeld met land “van Cornelisz Aertsz van den Brande gecomen”

 

Vb. Laureys Adriaen Laureys geb. ca. 1542, woonde op de Bremberg te Etten, tr. Adriaentke d'oude Jan Anthonis de Hoon, overleden voor 18‑5‑1598, dochter van Jan Anthonis de Hoon en Kathelyn Adriaen Hubrechts (Kathelyn Adriaen Cheeuwen). Kinderen uit dit huwelijk:

1. Adriaen, geb. ca. 1570.

2. Jan, geb. ca. 157o.


 

RAWB Etten R363 f 57v. 18‑5‑1598

Adriaen en Jan zonen van Laureys Adriaen Laureys delen met hun vader na het overlijden van hun moeder.


 

RAWB Etten R 340, 12 2 1567


Jan Jan Thonis Joos gehuwd Marie Jan Thonis de Hoene, Laureys Adriaen Laureys gehuwd Jeenke Jan Thonis de de Hoene, Adriaen Jan Cornelis Harmans voogd, Anthonis Willem Verschueren toeziender, van Adriaenke, Heylke, Cornelie en Janneke, Jan Thonis de Hoene dochters onbejaard, delen.



 

RAWB Etten R353f1 07-01-1579

Jacop Wouter Cornelis Luynen vercoft Laureys Adriaen Laureys om een somme een stede metten huyssinge, hoff en erfenisse groot omtrent vijff gemeten oft zo, op ten Bremberg, commende oostwaert aende Brembersche Strate, suijtwaert aent straetken aldaer ende Jacop Clays Henrick Neven erve, westwaert aen Willem Steven Henrick Joosz erve, noortwaert aen Anthonis Corneliss van Steenen erve, te vrijen etc

(…)

Verbind ende dair voor die voirsz Laureys zijnen persoon ende aller zyne goederen tegenwoerdigen ende toecomende ende specialijck die voirsz stede, noch een bunder erven onder lant ende weyde gelegen opten Bremberch tegens over Janneken Claes de Bruynen dochter te vryen met tsheren chynse sonder meer commers mede sijn voir schepenen bovengenoemd gecomen Anthonis van Steene, Cornelis Jansz (..?..), Stoffel Laureys Adriaenen Laureys, Adriaen Thonisz van der Mede ende Cornelis Jacopsz de Cuyper ende hebben hen gestelt (…) als borgen elck voir een vijfden deel van der voirsz somme. Actum xii january LXXIX.


 


 

Vc. Stoffel Adriaen Laureys, geb. ca. 1546, woonde op de Bremberg te Etten, tr. voor 13 jan. 1571 met Anna Jans van Putte, dochter van Jan Adriaen Willems van Put en Margriet Anthonis Hugen.

Uit kinderen uit dit huwelijk:

1. Margriet, geb. ca. 1569, ovl. in of voor 1611, tr. ca. 1594 met Peter Geryt Jacob Coevoets, geb. ca. 1567, overleden in of na 1649., zoon van Gerit Jacob Gerit Coevoets en Willemke Cornelis Thoen Denys (Loynen).

2. Peerke, overleden voor 16 nov. 1627, tr. ca. 1614 met Cornelis Jans d'oude Knaep, ovl. vóór 15 jan. 1630.

3. Adriaen Stoffel Adriaen volgt VIc.

4. Neeltke, tr. Peter Stevens.

5. Anthonia, tr. Pier Engels.

6. Janneke, tr. Jan Janssen, woont R 370, f. 29, 3‑3‑1615 als wednr. int Cruysland.


 

RAWB Etten R 377, 16‑11‑1627

Cornelis Jansz Knaep de oude, wednr. van Pierke Stoffels.

Steven Peter Stevens voogd, Cornelis Jan Knaep de jonge toeziender, tr. ca.


 

RAWB Etten R 371, 15‑01‑1630

Mayke franse wed. Cornelis Jansz Knaep d'oude, met voogd Jan Dirven de jonge.

Cornelis Jansz Knaep d'jonge voogd, Steven Peter Stevens toeziender over de onmondige kinderen bij Peerke Stoffels. Deling.


 

Etten R 377 17-11-1627

Cornelis Janssen Knaep doude getrout geweest met Pierken Stoffel Adriaen Lauwen dochter, als actie hebbende van Cornelis Jan Janssens sone daer moeder af was Janneken Stoffels, Cornelis Janssen Knaep de jonge uytten naem ende als toesiender van de weeskynderen der voorseyde Pierken, Steven Peeter Stevens, daer moeder af was Neeltke Stoffel Adriaen Lauwen ender Peeter Geeritssen als vader van Stoffel sijne sone verweckt bij Ghrietken Stoffels, elck van hen inde voirs qualiteyten voor hen selven ende te samen erfgenamen van den weeskynde wijle Atuntken Stoffel Adriaen Lauwendr daer vader af is Peeter Engels, vercochten om een somme Dingentken Geleyn Jansdr, weduwe Adriaen Stoffel Adriaen Lauwen en van haer kynderen de vier vijfde paerten hen comparanten competerende in eene stede ende erffenisse groot omtrent vijf gemeten oft zo, gelegen op den Bremberge, gecomen en hen bestorven bij doode van Stoffel Adriaen Lauwen voorst ende daerinne den voornoemde Adriaen Stoffelen tresterende vijfden paert was toebehoorende comende oostwaert aen sherenstraete suydt des Heylichengeest Armen alhier tot Etten, west de weeskynderen Cornelis Jochmis ende noort Adriaen Severyns Verstrompe met meer andere lyeden erven, vry met alsucken commer van renten als daer met recht schuldich is, etc. Actum den xvii November 1627.


 

Etten R 371 f5v 15-01-1630

Cornelis Jansz Knaep de oude is overleden. zijn weduwe Maeyken Franssen scheidt en deelt met de kinderen van Cornelis Jansz Knaep de oude bij zijn eerste vrouw Pierken Stoffels; de kinderen houden ondermeer recht in "den schult brief van meerdere somme verleden by de weduwe Adriaen Stoffelen maet daer af de voorschenen kynderen de reste van te voren competeert".


 


 


 

VIa. Adriaen Cornelis Aertsz van den Brande, geb. Oosterhout ca. 1554, overleden tussen 7 juli 1604 en 6 maart 1608, won. Oosterhout/Dongen. In 1582 kocht hij een “steede methen huyse (...) en erve” gelegen aan de Groenstraat. Hij bezat zaai- en hooiland onder Oosterhout. Hij tr. Elijsbeth Marten Wagemakers wiens vader Marten Adriaensz (ovl. in of voor 1579) in de Groenstraat woonde.

Kinderen:

1. Cornelis volgt VIIa.

2. Maijken, tr. Bouwen Henricx.

3. Zoetke, tr. Willem Jan Sijmons.

4. Merten volgt VIIb.

RA Oosterhout 280 f. 23 Op 13 april 1571 is Adriaen “oud omtrent 16 oft 17 jaren”

RA Dongen 1581: Opten XXX dach van martij [1581] alsoe bekende hem Adriaen Cornelis Aertss met Elijsbet Marten Wagemakers voordochter sijn wettige huijsvrouwe al nu ter tijt wesende voll ende all betaelt te weesen van Alit Martens wee[duwe] plach te wesen, all nu getrout hebbende Adriaen Jan Jan Roelens ende van haerder kijnderen, aengaende van alsulcken accordancie ende uitcoop als sij met den anderen gemaect hebben gehadt op date den XXVen septembris in het jaer negen ende tseventich gelijck dat besciet [bescheid] daer af breder begrijpt, te weten van alsulcken gescille ende versterfte als Elijsbetken de huijsvrouwe van Adriaen Cornelis mochte van Marten Adriaen Wagemaker haren vader was gegunt ende belooft hebben geweest bij sijnen leven, het sij met testamenten oft ander beloeften daer men geen blijck af en heeft connen gevijnden, maar door accordancie met malcanderen gemaect sijnde, soe dat Adriaen Cornelis met sijn huijsvrouwe voorsz. in als van hare vaderlijke goeden nimmermeer sij voorsz. oft haren naercomelijngen nu noch tot geenen dagen en sullen meer mogen om sien oft nae vragen oft doen vragen, wat ick mij ende mijn huijsvrouwe beijde present bekennen ons daer eerlijken ende vromelijken af tot onsen beijden wil voldaen te sijn, ende dat in personae van scepenen Heijnrick Gieliss ende Aert Jan Cornelis ende tot meerder sekerheijt der waerheijt getuijgenis te geven, soe hebben wij Adriaen voersz. ende mijn huijsvrou deese door beiden will doen bescrijven ende selver ondertekent, gelijck die ontwerp daer die copie af is ondertekent is ende Aert Janss bescreven heeft.


 RA Dongen maart 1582 Adriaen Cornelis Aertsz kocht van Lysbet Meus Peeters doghter en haar man en voogd Jan Huijbrechtse “een steede methen huyse daerop staende en methen erve daer aen alsoo groot en cleyn als daer gestaen en gelegen is / gelegen Sebrecht Jansz van sutwaert / en Peeter Meusz van noortwaert streckende van den groender straeten tot aan Sebrecht Jansz erve oostwaert”.

Cijnsboek Dongen

Adriaen Cornelis Aertsz  op omtrent de helft van iiii loopensaet ende iii quart saeylants vuijt vi loopensaet daer Sebrecht Jan Wijnricxs dander loopensaet aff heeft gelegen in de Gruenstraet gecomen van Meus Pier  (…) te voren lauwereijs Merten Pier Celien waren,  gelegen Sebrecht Jansz suijtwaert en oostwaert, Aert van den Brandts W noortwaert, houdende op heerenstraet westwaert.


 

Schuldboek Dongen juni 1582 Adriaen Cornelis Aertsz is 150 gulden schuldig aan Lauwereys Jan Cornelisz


 

ORA Dongen 95, f. 115, 1601: Adriaen Cornelis Aerden ende Cornelis Hubrechts als man ende voocht van Anniken Cornelis Aerdendr,transporteren een rente van 2 gl X st tsjaers aan Willem Peters Ploegen. Uit deze akte blijkt dat deze rente hen was aangekomen van hun - in de hierboven genoemde akte- genoemde tante Maria Adriaen Slaetsdr.


 

Adriaen Cornelis Aerden wordt in de 5e penning van 1601 in Dongen genoemd met een stede van 2 lopensaet (= 0,33 ha.) in de Groenstraat getaxeerd op 30 gulden. In het kohier van deze 5e penning wordt hij ook vermeld onder de inwoners van Dongen die onder Oosterhout gegoed zijn. Hij wordt daar vermeld als eigenaar van twee lopensaet zaailand getaxeerd op 30 gulden gelegen aan de Oosterhoutse zijde van de Groenstraat en van een vierde part in vierenhalf lopensaet (0,75 ha.) hooiland getaxeerd op 20 gulden, gelegen onder Oosterhout “teynde De Kijlen”. Waarschijnlijk deelde hij het met zijn broer en twee zusters.


 

Hij wordt vermeld in de Koningsbede en 5e penning van Oosterhout 1600-1619 onder de”binnen luyden” in de Groenstraat als Adriaen Cornelisz van den Brandt.


 

In het Koeijenboek van Dongen (kohier op hoorngeld) van 1599-1601 wordt hij aangeslagen voor 3 tot 4 stuivers hetgeen betekent dat hij in die periode 3 tot 4 beesten had. Het hoorngeld werd geheven over koeien, trekossen en paarden. De laatst bekende vermelding van Adriaen Cornelis Aerden is te vinden in de Dongense omslag van twee koningsbeden uit 1604. In het Koeijenboek uit 1606 wordt hij niet vermeld.


 

Geertruidenberg 1604 juli 7 R. 18, fol. 110v Akte van machtiging door Henrick Moerthorst, weduwnaar van Aeltken Jan Henricx Bijvoets, Janneken Henricx Bijvoets, Geerit Melssen, als voogd van de weeskinderen van Geerit Henricxz. Bijvoets, Adriaen en Peeter Cornelis Aertsz., allen erfgenamen van Aeltken Jan Henrick Bijvoets, dochter van Marie Cornelis Aertsdr., van Cornelis Huijbrecht Cornelisz. te Dongen, om voor schout en heemraden van sGravenmoer aan de jonge Laureijs Rutten een weiland, genaamd den hooghen werff, gelegen opte vaert, te sGravenmoer, over te dragen.


 

Register van Schepene Schultbrieven van Dongen d.d. 6 maart 1608: Cornelis Huijbrechts voor hem selve hem sterck maeckenden voor Peeter Cornelis Aertsz van den Brant, Bouwen Henricsz ende Merten Adriaen Cornelis Aertsz ende Cornelis Ariaen (Cornelis) Aertsz voor den partije ende Raes Huijben als voogt van Claes Ariaen Raes weeskint, Jan Peeter Maertens, Adriana Meeus Peetersdr weduwe wijlen Jan Cornelis Metsers ende den selven Jan Peeter Maertens hem sterck maeckenden en hier inne vervangende de weeskinderen van Jan Huijbrecht Ariaen Thonisz alle respectuve erffgenamen van Maeijken Peeter Meeus Peetersdr, hebben gesamenderhant uijt gesondert een voor al ende elck als principael gelooft te geven Jan Sebregt Jan Wijnen, Jan Aert Ruijsseners, Peeter Peeter Cornelis ende Peeter Joos Willemsz, respectuve heilige geestmeesters tot Oisterhout ende Dongen elcken het geregte hellichte scheijdinge van 32 rijnsgulden bamisse nu naestcomende anno 1608 ten termijs ende procederende van seecker testament bij den voorgenoemde Maeijken den voorsz. respectuven heijlige geest in haer dootbedde gemaeckt. Actum ende putes qui supra.

 

VIb. Peter Cornelis Aertsz van den Brandt alias Van Oosterhout alias In ’t Torffhuys, geb. Oosterhout, op 4 jan. 1577 nog onmondig, woonde te Geertruidenberg waar hij een turfhuis bezat, hij handelde waarschijnlijk in turf, ovl. in of na 1624 en voor 30 jan. 1629, tr. N.N.

Kinderen:

1. (waarschijnlijk) Sijken.


 

1597 juni 30 - R. 17, fol. 21r

Akte van overdracht door Dierick en Willem Adriaensz. aan Peeter Cornelisz. van Oosterhout, van de helft van twee huisjes, grond en toebehoren, gelegen In lucienstraetken, te Geertruidenberg.

Noord: het huis en erf van Geeraert Anthonisz., zuid: het ledighe erf van Anthonis Joosten, oost: de straat en west: stuitende op het erf van Cornelis Joosten.


 

1597 juni 30 - R. 17, fol. 21r Akte waarbij Peeter Cornelisz. van Oosterhout belooft met Sinte Mertensmis a.s. aan Dierick en Willem Adriaensz. 51 rijnsgulden te betalen vanwege verschuldigde kooppenningen voor de helft van twee huisjes c.a.


 

1601 januari 27 – R. 17, fol. 143r Akte waarbij Peeter Cornelisz. Int Torffhuys belooft met lichtmis, 2 februari 1602, aan Adriaen Adriaensz. Waelwijck de oude te ’s Gravenmoer 48 rijnsgulden te betalen vanwege geleverde turf.


 

1601 september 15 – R. 18, fol. 15r Akte van overdracht door Peeter Cornelisz. van Oosterhout aan Gillis Verbiest, van de helft van twee huisjes, gelegen In lucien straetken, te Geertruidenberg.

Noord: Geerit Anthonisz. met zijn huis en erf, zuid: een erf van Anthonis Joostens, oost: de straat en west: achter stuitende op het erf van Cornelis Joosten.


 

1603 april 18 – R. 18, fol. 68r Akte waarbij Peeter Cornelisz. Int torffhuys verklaart dat Heijliger Adriaensz., metser, een bepaald bedrag heeft voldaan en stemt toe dat Heijliger Adriaensz., als eigenaar van de soldatenhuisjes, gelegen noortwaarts van zijn huis In Lucienstraetken, te Geertruidenberg, altijd in de gevel van zijn huis zal mogen timmeren, ankeren en vesten.


 

RA Raamsdonk 58 f. 53v: Op 23 sept. 1605 compareerden “Cornelis Huijbrechts voir hem selven en vervangende Peeter Cornelis Aertsoon van den Brandt en Jan Lambregt Janss voir hem selven en vervangende Michiel Spranger als procuratie hebbende [van] ons schout en heemraeden”. Zij leveren aan Ariaen Roel Cleijs een stuk land in ‘t veen.


 

1606 oktober 20 - R. 19, fol. 9r Akte van overdracht door Willem Joosten van der Loo aan Maijken Mertensdr., weduwe van Geerit Matheus Smits van Brussel, van een soldatenhuisje, grond en toebehoren, gelegen In lucien straetken, te Geertruidenberg. Noord: Peeter Cornelisz. Int Torffhuys met zijn huis, zuid: het huis van Abraham Abrahamsz., west: de straat en oost: achter stuitende op het erf van Cornelis Joosten Thielen

1607 juni 5 – R. 9, fol. 36v Akte van schuldbekentenis door Peter Cornelisz. van Oosterhout aan Dierck Adriaensz. te Zevenbergen, van 85 rijnsgulden, vanwege geleend geld, onder verband van zijn huis, schuur, grond, erf en toebehoren, gelegen In lucien straetken, te Geertruidenberg.

1612 juni 1 – R. 20, fol. 32r/v Akte van overdracht door Peeter Cornelisz. van Oosterhout aan Thonis Ariaensz. Timmer, van een torffhuys, gelegen In Luciastraet, te Geertruidenberg.

Zuid: een scheijmuer tussen het huis van Peeter Cornelisz. van Oosterhout en het torffhuys, noord: Heijliger Adriaensz. met zijn huis, west: de straat en oost: stuitende op het erf van Jan Aertss. Buijs.


 

1612 juni 1 – R. 20, fol. 32v Akte van schuldbekentenis door Anthonis Ariaensz. Timmer aan Peter Cornelisz. van Oosterhout, van 294 rijnsgulden en 5 stuivers vanwege verschuldigde restant-kooppenningen voor een torffhuys.


 

1619 juni 28 – R. 21, fol. 32r Akte van machtiging door Peeter Cornelissen Int Torffhuijs te Geertruidenberg van Cornelis Pels, secretaris te Dongen, om voor wethouders van Dongen en Oosterhout aan zijn zwager Cornelis Huijbrechts de landerijen en erven uit de nalatenschap van zijn vader Cornelis Aertssen en van de weeskinderen van zijn overleden nicht Maeijken Peeter Meeusdr., over te dragen.


 

RA Dongen

“Ten eijnde Cornelis Sijmon Cornelisz. ernstelijk ende vredelijck meughen volgen ende van allen calangiën ende becommernissen bevrijt wordden ontrent drije loop bussel saijlants gelegen inden gront tusschen de grintsteegh ende den Groenstraat onder Oosterhoudt bij den selven Cornelis van Cornelis Huijbertsz. ende Peeter Cornelis Aertsz van de Brant woonende binnen Geertruidenberghe ten anderen sijde gecomen van Maeijken Steven Peeters de Tuijteler, Soo heefd de voorsz. Cornelis Huijbertsz. voor hem selven ende voor den voorsz. Peeter Cornelis Aertsz. gelooft gelijck hij gelooft mits desen alle calangïen ende nacommer dije naermaels opt voorsz. lant soude moghen rijschen ofte gestelt etc. wordden boven den commer dije aen Cornelis inde veste is aengenoempt te sullen affdraeghen, stellende daer vooren te waerborgen ende verhaelen namentlijck ende speciael ontrent 3 ossenloopen saeijlants onder Donghen ende voorts generalijck hem selven ende alle sijn andere goederen, lant ende anders, present ende toecomende, zonder reserve. Actum 16 mei 1624”


 

1629 januari 30 – R. 22, fol. 47v

Akte van schuldbekentenis door Jan Back, bakker te Geertruidenberg, aan Adriaen Jasperssen, timmerman, van 50 karolus gulden, vanwege geleend geld, onder hypothecair verband van zijn huis, grond en toebehoren, gelegen in Lucia straetgen, te Geertruidenberg.

Zuid: Laurens Mertensse, schrijnwerker, noord: het huis van de weduwe van Peeter int Torffhuijs, west: de straat en oost: strekkende tot achter op het erf van Johan Aertssen Buijs.


 

1630 maart 1 – R. 22, fol. 68r

Akte van verkoop door Jan Janssen, als man van Sijken Peetersdr., erfgename van Peeter int Torffhuijs, en de diaconie van de Christelijke gemeente van Geertruidenberg, aan Hendrick Breuckels, zakkendrager te Geertruidenberg, van een huis, grond en toebehoren, gelegen in lucia straetgen, te Geertruidenberg.

Zuid: het huis van Heijliger Andriess., bierdrager, noord: Theunis Adriaenss. Timmer, west: de straat en oost: achter strekkende op het erf van Johan Aertss. Buijs, oud-borgemeester.


 

VIc.Adriaen Stoffel Adriaen Lauwen, woonde op de Bremberg te Etten, overleden voor 17 nov. 1627 tr. na 20 april 1606 met Dingetke Geleyn Jans (Paedsien). In 1627 is sprake van kinderen.


 


 

VIIa. Cornelis Adriaensz van den Brande, woonde te Dongen, ovl. na 26 juni 1623 en voor 27 maart 1627 tr. Margriet Sijmen Cornelissen Maes, zij tr (2) Anthonis Matthijs Anthonissen. Margriet verkoopt 27 maart 1627 de helft van haar bezit in de Ham te Dongen.

Kind:

1. Dingena, geb 1621/1622. 

Cornelis Adriaensz van den Brant verkoopt op 7 feb. 1620 twee loopensaet zaailand gelegen aan de Groenstraat te Oosterhout “aenbestorven van sijn vader”. De koper is Cornelis Sijmonsz. RA Oosterhout 295 f. 47.


Cornelis Adriaensz van den Brande verkoopt op 26 juni 1623 samen met zijn twee zussen een derde part in een perceel zaailand gelegen in de Grint te Oosterhout (RA Oosterhout 295 f. 186):


 

“Anneken Cornelis Aertsdr van den Brant geassisteert met Cornelis Huijberts haeren man en voogt, deselve Cornelis Huijberts als last en procuratie hebbende van Peeter Cornelisz in dato 15 junij 1623 voor Adriaen van (?), notaris tot Geertruideberghe, schepenen gebleken, voor twee derden deelen, Cornelis Adriaensz van den Brande, Bouwen Henricx als man en voogt van Maeijken Adriaens van den Brande, Zoetke Adriaens van den Brande geassisteert met Willem Jan Sijmons, haeren man en vooght voor het resterende derde part, hebben gesamenlijk verkocht Cornelis Simons Timmerman, een parceel saijlants, groot omtrent drije loopen, onbegrepen der maten, gelegen in de Grint, Cornelis Henricx oost, Jan Janssen op hoeck zuijden en west, de Grintsteeg noord (...)

Deselve hebben verkocht Anneke Pauwels Joosten omtrent twee loop saijlants gelegen in de Grint Adriaen Cornelis Claes suijden en noorden Meeus Jacobs erfgenamen west Adriaen Peeters van Beeck oost, vrij met heerenchijns wegen en stegen, gevest de voors. Anneke Pauwels Joosten met consent van Adriaen Cornelis Claes present” (26 juni 1623).


 

VIIb. Merten Adriaensz van den Brande, afkomstig van Oosterhout, metselaar te Dordrecht, won. ald. in de Kromme Elleboog, overleden tussen 1622 en 1633, tr. Dordrecht 24 december 1606 in de Augustijnenkerk met IJken Joris Hoffertsdr, j.d. van Antwerpen, ovl. in of na 1633;

Kinderen gedoopt te Dordrecht:

1. Arien, februari 1608, volgt VIIIa.;

2. Lijsbeth, april 1610, tr. (1) Dordrecht 1 december 1630 David Davidsz, metselaar, tr. (2) Dordrecht 19 september 1638 Marcus Janssen, metselaar.


 

Lijsbeth tr. (1) Dordrecht 1 december 1630 als Lijsbeth Maerten Ariensdr. won. Kromme Elleboog met David Davidsz., metselaar, won. Kromme Elleboog, tr. (2) Dordrecht 5/19 sept. 1638 Marcus Janssen, metselaar, jongman wonende bij de Botgensstraat met Lijsbeth Maertens weduwe van David Davids. metselaar wonende in de Vriesestraat, beiden van Dordrecht, vermoedelijk is zij overleden voor 23 april 1645, gezien de volgende aantekening in het NG trouwboek van Dordrecht: 23 april 1645 attestatie gegeven aan Marcus Janssen metselaar en Catharina Demelius zijn vrouw, gewoond hebbende in de Vriesestraat, vertrokken naar Rotterdam.


 

Uit het eerste huwelijk van Lijsbeth een zoon David Davidsz, geb. kort na 1630, timmerman, die in 1653 als bootsman met het jacht "Mars", in dienst van de VOC kamer Zeeland naar Oost-Indië is gevaren en daar op Ambon is overleden voor 8 okt. 1659. Zijn ooms en enige erfgenamen Isaack en Abraham van den Brande geven in 1659 procuratie voor de inning van zijn gage bij de VOC.


 

Uit het tweede huwelijk van Lijsbeth een zoon Johannes, gedoopt NG Dordrecht juni 1639, jong ovl.


 

4 sept. 1636: comp. Jacobmijntgen Aertsdr., weduwe van Davidt Jansz., ongeveer 50 jaar oud en Lijsbeth Maertensdr., weduwe van Davidt Davidtsz., 26 jaar oud, beiden inwoners van Dordrecht. Zij verklaren, dat zij op diezelfde dag voor het ziekbed van Anneken Jansdr. en Baertgen Jansdr. zijn geweest, "gesusteren, beijde aende contagieuse sieckte der pestilentie sieck liggende", dewelke zij hebben horen verklaren, dat het hun "uiterste wil" is, dat de goederen van de eerstoverlijdende van hen beiden zal komen aan de langstlevende en dat, indien zij beiden komen te overlijden, hun gezamenlijke goederen zullen worden verdeeld onder huns ooms en tantes van vaders- en moederszijde, hoofd voor hoofd, en aan Susannecken Goris, kind van hun overleden tante Susannecken Dircx. Zij hebben aan attestanten verzocht hiervan akte te laten opmaken. (ONA Dordrecht inv. 75, f. 100) opm: Jacobmijntgen Aertsdr tr. 1617 Davidt Jansz van Telger, zij was afkomstig van Dongen.


 

3. Joris, december 1612;

4. Johannes, december 1617;

5. Isaack, geboren 1619/begin 1620, volgt VIIIb.;

6. Cornelis, november 1620;

7. Abraham februari 1622, volgt VIIIc.


 


 

Trouwboek Augustijnenkerk Dordrecht “Getrouwt den 24 dece(m)b(e)r 1606: Merten Adriaensz metzelaer van Oosterhouwt. IJcken Joris Hoffertsdr van Antwerpen.”


 

Register van schepene schultbrieve van Dongen d.d. 6 maart 1608: Cornelis Huijbrechts, gehuwd met Anneken Cornelis Aertsdr van den Brande, maakt zich sterkt voor Peeter Cornelis Aertsz van den Brant, voor Bouwen Henricsz gehuwd met Maeijken Adriaens van den Brande, voor Merten Ariaen Cornelis Aertsz en Cornelis Ariaen (Cornelis) Aertsz. Zij erven van Maeijken Peeter Meeus Peetersdr die op haar sterfbed in 1608 32 gulden vermaakte aan de Heilge Geestmeesters te Oosterhout en Dongen.


 

Verponding Dordrecht 1619: Marten Ariensz. metselaar 2 ponden 12 schellingen 6 duiten, in de Kromme Elleboog, tussen Jan Ariaensz. en Pieter Jansz wever, welke laatste huurt van Gijsbert Jansz schrijver (stadsarchief 3, inv. 3968, f. 189v); op f. 190v opnieuw Marten Ariaensz. metselaar met hetzelfde bedrag, in de Kromme Elleboog, tussen Evert Ritsertsz. en "den houck omme", daarna volgt Trijn Jans en dan de Gevolde Gracht ( een gedempte gracht, die lag in het verlengde van de Tolbrugstraat landzijde)


 

Verponding Dordrecht 1620: Marten Ariaensz. 2 ponden 12 schellingen, in de Kromme Elleboog, hij staat tussen Anneken Sanders en "den houck omme", dan volgt Trijn Jans "wijngersnijster", daarna Janssoen en dan de Gevolde Gracht (stadsarchief 3, inv. 3969, f. 192v)


 

Hoofdgeld Dordrecht 1622: Maerten Ariensz., zijn vrouw en 5 kinderen - 2 ponden (hij staat tussen Adriaentgen Pietersdr. weduwe en Jan Jansz. drager, daarna volgt de Gevolde Gracht, uit combinatie met de gegevens uit de verpondingen volgt dat het hier eveneens gaat om een een huis in de Kromme Elleboog) (stadsarchief 3, inv. 3974, f. 178)


 

Verponding Dordrecht 1633: de weduwe van Marten Adriaensz., huurt van Michiel van Ceulen

weduwe 3 ponden 15 sch., in de Kromme Elleboog (stadsarchief 3, inv. 3971, f. 216).


 Lijsbeth’s zoon David Davidsz, was bootsman in dienst van de VOC. Hij overleed voor 8 okt. 1659 te Ambon (foto boven). Zijn ooms en enige erfgenamen Isaack en Abraham van den Brande geven in 1659 procuratie voor de inning van zijn gage bij de VOC.


Abraham vernoemde zijn zoon David naar hem. Door verdere vernoemingen bleef de naam David veel voorkomen in de fam. Van den Brande. De laatste David van den Brande werd geboren in 1850.


 

VIIIa. Arien Maertensz van den Brande, alias Van Dort, metselaar, gedoopt Dordrecht februari 1608, tr. (1) mogelijk Dordrecht 18 augustus 1633 Neeltgen Bols, tr. (2) Hillegersberg 10 juli 1639 als weduwnaar van Dordrecht met Hillegont Sijmonsdr., waardin, begraven Rotterdam 10 aug. 1664. Zij woonden buiten de Goudse Poort te Rotterdam ‘op de Goutse weght’.

Kinderen (mogelijk gedoopt te Hillegersberg):

1. Maerten volgt IXa.

2. Sijmon volgt IXb.

3. Johannes volgt IXc.

4. Lijsbeth, o.tr. Rotterdam 10 augustus 1670, begraven te Rotterdam op 25 januari 1725, tr. Overschie 21 augustus 1670 met Jan Cornelisz van der Heijden. Op 6 sept. 1698 wordt zij vermeld als erfgename van haar oom Isaack Maertensz van den Brande.

5. Agnietje, tr. Overschie 2 augustus 1671 Jacob Willemsz de Bruin, varende man;

6. Maria, tr. Rotterdam 4 april 1683 Joannes van Berkel. Op 6 sept. 1698 wordt zij vermeld als erfgename van haar oom Isaack Maertensz van den Brande.

Vgl. trouwboek Dordrecht 18 aug. 1633: getrouwd, door schrijven van ds. Isaacus Lydius, Arien Meertensen en Neeltgen Bols


 

ONA Rotterdam 06/02/1650

Cornelis Jansz van der Houck, 43 jaar, Arien Maertensz, 42 jaar, en Jacob Aertsz Paradys, 36 jaar, allen metselaers, verklaren op verzoek van Huygh Tonisz Keyser, meester metselaer, dat zij enkele jaren bij hem gewerkt hebben, o.a. de afgelopen zomer voor werk voor het land, en dat zij als zomerloon dagelijks uitbetaald kregen: resp. 22, 23 en 22 stuivers, en als winterloon ieder 4 stuivers minder.

ONA Rotterdam 21/06/1653 Maertgen Bartolomeusdr, gemachtigde van haar man Dirck Willemsz, die van Delft uitgevaren is naar Oostindien als onderstierman met het schip Maeslant, bekent 200 gulden schuldig te zijn aan Arien Maertensz van Dort, metselaer, wonend buiten de Goutsepoort, voor 2 jaar door hen genoten kost en inwoning tot op heden. Zij zullen dit uit haar mans verdiensten terugbetalen en zij machtigt Arien en zijn vrouw Hillegont Sijmonsdr om bij de bewindhebbers van de Oostindische Compagnie van de Kamer Amsterdam, dit bedrag te innen uit reeds verdiende gage als schipper op het jacht Barchhout en van andere, ook toekomstige gage.

ONA Rotterdam 26/09/1645 Antony Symonsz, varedenman en Hillegont Sijmonsdr, getrouwd met Arien Maertensz, erfgenamen van Johannis Sijmonsz, haar broer, die in Oostindien met de schuit Perkijt is verongelukt en daarvoor op het schip Bergen op Zoom voer, machtigen Jacob Mathijsz van Bree, burger alhier, om uit haar naam bij de heren bewinthebberen van de Oost Indische compagnie alle gage te innen, die Johannis verdiend heeft.

ONA Rotterdam 20/04/1644 Jan Robbertsz Pot, 36 jaar en Willem Jacobsz Suycker, 35 jaar, beiden

gezworen bierwerckers, verklaren op verzoek van Susannetgen Mertensdr

Panneel, vrouw van Jacob Matijsz van Bree, dat op 13-04-1644

Hillegondt Symonsdr, waardin wonende buiten de Goutschepoort,

haar er van beschuldigde een verhouding te hebben met Jacob Jansz Neuw, en dat zij een hoer was.


 

ONA Rotterdam 13/04/1644

Susannetgen Mertensdr Paneels is geweest ten huize van Hilligondt Symonsdr, waerdinne, waar haar man Jacob Matijsz Bree met twee bierdragers, een genaamd Jan Pot, zat te drinken en waar toen een scheldpartij is ontstaan.


 

VIIIb. Isaeck Maertensz van den Brande, geboren Dordrecht 1619/1620, mr. huistimmerman, knaap van de Munt van Holland te Dordrecht, begraven Dordrecht 12 februari 1689 in de Augustijnenkerk (graf 64) tr. Dordrecht 7 maart 1649 (Augustijnenkerk) Neeltje Wouters van Groenesteijn, gedoopt Dordrecht 1 mei 1619, dochter van Wouter Bartholomeusz en Jacomynken Damis, begraven Dordrecht 9 juli 1698 in de Augustijnenkerk begr. In 1649 woonden beiden in de Doelstraat, vanaf 1654 woonden zij in de Nieuwstraat. In 1669 kocht Isaack daar het huis “De Schenckkan”.

Kinderen gedoopt te Dordrecht:

1. Fijtgen, ged. 24 april 1650;

2. Catrina, ged. 24 september 1651;

3. Elizabeth, ged. 23 maart 1654;

4. Jacomina, ged. 10 mei 1657;

5. Martijntje, ged. 11 maart 1659;.


 

In september 1665 zijn vier kinderen van Isaack en Neeltje begraven in de Augustijnenkerk. Op 16 oktober 1665 waren al hun vijf dochters al overleden.


 

Op 30 oktober 1659 werd Isaack geinstalleerd als grafelijkheidsknaap bij het Dortse Serment van de Munt, 1681 niet-werkende knaap. Zie Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie deel X, p. 82


 

Weeskamer Dordrecht inv. 109 (dodenregister), f. 55: 9 juli 1698 Neeltije Wouters, weduwe van Isaack van den Branden in de Nieuwstraat, geen minderjarigen volgens verklaring van Ida van den Branden "des overledens nigt". Zie voor Ida VIc. sub 9.


 

Weeskamer Dordrecht inv. 107 (dodenregister), f. 66: 12 febr. 1689 Isaack van den Branden wonende in de Nieuwstraat


 

ORA Dordrecht inv. 779, f. 81v e.v.: op 21 febr. 1654 verkoopt Maria Gosi, weduwe van Pieter Barthoutsz. van Esch cum tutore aan Ysaeck Maertensz. van de Brande burger van Dordrecht een huis in de Nieuwstraat, staande tussen het huis van ds. Gosuinus Buytendijck en dat van Arijen Stevensz. Scheij. Kent betaald, promittit quitare. Het huis is niet anders belast dan met een hypotheek van 700 gl. kapitaal en de pandponden, welke koper belooft te zijnen laste te nemen. Waarborg [voor verkoper]: Steven Arijensz. Scheij burger van Dordrecht.


 

ONA Dordrecht inv. 270 f. 146 e.v.: op 16 okt. 1665 [sic] testeren voor notaris Hugo van Dijck Isaack van den Branden meester-huistimmerman en Neeltgen Woutersdr. van Groenestijn, echtelieden, beiden gezond. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot universeel erfgenaam. Hij tekent met zijn naam, zij met de letter N. (NB: in dit testament worden geen voogden aangewezen).


 

ORA Dord. inv. 786, f. 132v: op 12 nov. 1669 verkoopt Sijmon Onder de Linde, boekdrukker te Dordrecht, aan Isaac van de Brande, timmerman en burger van Dordrecht, een huis met de woninkjes daar achter in zekere gang staande. Het huis staat in de Nieuwstraat, is genaamd de "Schenckkan" en wordt belend door het huis van Aert Evertsz. Troost aan de ene zijde en dat van de erfgenamen van Staes van Wageningen aan de andere zijde. Koper zal betalen een somma van 500 gl., deels in contant geld en deels door het overnemen van een schuldbrief van 300 gl. kapitaal, verzekerd op het voornoemde huis.


 

Weeskamer Dordrecht inv. 28 (weesboek), f. 229: 28 mrt. 1689 ter weeskamer getoond een extract uit het testament van Isaack van den Branden en Neeltgen Woutersdr. van Groenesteijn, gepasseerd voor notaris H. van Dijck op 23 okt. 1665


 

6 aug. 1696: Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn, weduwe van Isaak van den Brande, compareert voor notaris P. van Son, "na den ouderdom van hooge jare kloek en gesont van lichaam". Zij legateert aan Pieternelletje Pieters, die bij haar inwoont, wegens de trouwe diensten en behulpzaamheid aan haar bewezen, een somma van 100 gl., door haar erfgenamen ab intestato na haar overlijden uit te reiken. (ONA Dordrecht inv. 451, akte 72, f. 42 e.v., codicil, testatrice staat niet in de 200e penning)


 

30 juli 1698: voorwaarden, waarop de erfgenamen van Isaak van den Brande en Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn, willen verkopen een huis in de Nieuwstraat, een huis voor het Bagijnhof [zie hieronder bij 6 sept. 1698] en een huis aan de Noordendijk buiten Dordrecht, staande achter de blekerij van Jacobus van Leeuwen tussen het huis van Jan Arijens en dat van Harmen Theunis. Het laatstgenoemde huis wordt op 1 aug. 1698 voor 290 gl. verkocht aan Jan Lammertsen, "leverier" en burger van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 494, akte 86, f. 233 e.v.)


 

2 augustus 1698: Maerten van den Brande zich tevens sterk makende voor zijn broer David van den Brande, wonende te Rotterdam, Yda van den Brande, meerderjarige dochter wonende te Dordrecht, Johannes Ariense van den Brande, Jan van der Heijden, als echtgenoot van Lijsbet Ariens van den Brande, beide wonende te Rotterdam, zowel voor zichzelf als zich sterk makende voor Jan van Berckel, als echtgenoot van Maria Ariens van den Brande, wonende in Den Haag, allen benevens Johannes van den Brande, “enige erfgenamen van saliger Isaacq van den Brande”, en Jacobus de Kets, koopman te Rotterdam, als universele erfgenaam van Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn geven volmacht aan Johannes van den Brande. Zie verder de volgende akte. Maerten tekent met de letters MB als merk, Yda en Johannes Ariense van den Brande zetten een kruisje (ONA Dordrecht inv. 494, akte 89 f. 239 e.v.).


 

6 sept. 1698: compareert voor schepenen van Dordrecht Johannes van den Brande, burger van Dordrecht, als last en procuratie hebbende van Maarten van den Brande, burger van Dordrecht, zowel voor zichzelf als zich sterk makende voor zijn broer David van den Brande, wonende te Rotterdam en nog van Ida van den Brande, meerderjarige dochter wonende te Dordrecht en van Johannes Ariensz. van den Brande en van Jan van der Hijden, als echtgenoot van Lijsbet Ariensdr. van den Brande, beiden mede wonende te Rotterdam, zowel voor zichzelf als zich sterk makende voor Jan van Berckel, als echtgenoot van Maria Ariensdr. van den Brande, wonende in Den Haag, allen benevens de comparant enige erfgenamen van wijlen Isaacq van den Brande en nog procuratie hebbende van Jacobus de Kets, koopman te Rotterdam, als universele erfgenaam van Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn, in haar leven echtgenote van voornoemde Isaacq van den Brande, breder blijkende bij de procuratie op 2 aug. 1698 gepasseerd voor notaris E. Venlo te Dordrecht en verklaart in die hoedanigheid te transporteren aan Johannes Verlaer, burger van Dordrecht, een huis in de Nieuwstraat omtrent de brug tegenover de Augustijnenkamp, staande op de hoek van Schenkkansgang tussen die gang en het huis van Johannes Parie, met drie aparte woningen in de Schenkkansgang, verkocht aan Verlaer voor 1120 gulden contant. Comparant transporteert tevens in dezelfde hoedanigheid aan Henry Louis Certon, Franse predikant te Dordrecht, een huis voor het Bagijnhof over de brug, staande tussen het huis van Hendrick van Aensorgen en dat van Schipper Jan, verkocht aan Certon voor 680 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 800, f. 163 e.v.)


 

VIII.c. Abraham Maertensz van den Brande, ged. Dordrecht februari 1622, huistimmerman (1648), mr. huistimmerman (1659), timmerman (1663), arbeider (1665), maselaar (zakkendrager lid van het Maselaarsgilde), woonde 1648 Hofstraat te Dordrecht, ovl. na 28 mei 1670 en voor 10 febr. 1675, tr. als jonge man van Dordrecht, Dubbeldam 16 februari 1648, otr. Dordrecht 26 januari 1648 (trouwboek Augustijnenkerk), Lijsbeth Jansdr., j.d. van Dordrecht, woonde 1648 Lindegracht, begraven Dordrecht 15 juni 1706. Zij hertrouwde 25 februari 1675 Leendert Jansz Blij, arbeider aan de straat (zakkendrager).

Kinderen gedoopt te Dordrecht:

1. Maerten, ged. 8 juni 1648 volgt IXd;

2. Johannes, ged. 20 dec. 1649;

3. Johannes, ged. 2 december 1650;

4. Jan, ged. 28 februari 1654;

5. Johannes, ged. 1 maart 1656 volgt IXe;

6. Abraham ged.. 3 juli 1658;

7. David, ged. 29 november 1660;

8. Daniel;


Daniel Abrahamse van den Brande, matroos (1681), op 15 augustus 1675 vetrok hij als oploper (leerling-matroos) op het VOC-schip de Aardenburg naar Tutucorin in India, waar hij op 17 mei 1676 aankwam. Op 27 mei 1681 vertrok hij op het VOC-schip het Wapen van Tholen naar Batavia, waar hij op 24 januari 1682 aankwam. Tijdens beide reizen benoemde hij zijn moeder Lijsbeth Jans tot begunstigde van een deel van zijn gage. Ovl. voor 12 juni 1694

9. David, ged. 3 januari 1663 volgt IXf;

10. IJda, ged. 21 november 1664, begraven Dordrecht 5 juli 1707, tr. Dordrecht (gerecht) 13 juli 1704 Jacob de Goede.


 

4 mei 1702: compareren Sibilla Boers, waster, vrouw van Frans Croone en Grietje van Helmont, bejaarde ongehuwde dochter, beiden wonende te Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Yda van den Brande, ook meerderjarige dochter, rekwirante en ten eerste de eerste attestante alleen, dat zij gisterenavond omstreeks 10 uur gehoord heeft, dat Philip Rosier, schoenmaker, de rekwirante heeft uitgescholden voor "uijtgebruijde hoer met bijvoegingh dat hij haer meer gebesigt hadde als sijn eijge vrouw". En verklaart de tweede attestante, dat zij op diezelfde tijd ook heeft gehoord, dat Rosier Yda van den Brande heeft uitgescholden voor hoer "en dat hij daer bij sulcke onbetamelijcke woorden voegde, die sij uijt eerbaerheijts halve niet en durft noemen, maer daer op uijtcomende dat sij requirante hem Rosier tot het verlaten van sijn vrouw, en het plegen van hoerderije met hem, aengesocht hadde." (ONA Dordrecht inv. 498, akte 37)


 

Vgl. Weeskamer Dordrecht, dodenregister (archief 10, inv. 111), f. 58v, 5 juli 1707: Ida van den Brande, vrouw van Jacob de Goede, in de Wijngaardstraat, seclusie gepasseerd voor notaris G. Mugge te Dordrecht op 15 jan. 1705. ONA Dordrecht inv. 631, akte 1, f. 1 e.v. ("testament, geen capitalisten"): op 15 jan. 1705 testeren voor not. G. Mugge Jacobus de Goede en Ida van den Brande, echtelieden wonende te Dordrecht, beiden gezond. Zij benoemen tot erfgenaam en voogd de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn de kinderen bij mondigheid of eerder huwelijk een bedrag van 25 gl. uit te keren. Hij tekent, zij zet een kruisje.


 

11. Catharina, ged. 17 januari 1667, jong overleden;

12. Aadriaen, ged. 28 mei 1670, jong overleden;


 

8 okt. 1659: compareren voor notaris G. de With Geerit Geeritsz. mr.-metselaar en Philips Dircxsz. lijstenmaker, beiden burgers van Dordrecht, die op verzoek van Isaacq van den Brande en Abraham van den Brande, beiden mr.-huistimmerlieden en burgers van Dordrecht, verklaren, dat zij zeer wel gekend hebben David Davidsz. timmerman, die in 1653 als bootsman met het jacht "Mars", in dienst van de VOC kamer Zeeland naar Oost-Indië is gevaren en daar op Ambon is overleden. David heeft geen andere verwanten nagelaten dan de rekwiranten, zijn ooms, die derhalve zijn enige erfgenamen ab intestato zijn. (ONA Dordrecht inv. 226, f. 227 e.v.)


 

8 okt. 1659: Isaack en Abraham van den Brande, ooms en enige erfgenamen van hun neef David Davidsz., die op Ambon is overleden, verlenen procuratie aan Roelant van Stabroeck, koopmansbode van Dordrecht op Zeeland, om van de VOC kamer Zeeland te vorderen hetgeen David nog tegoed had. Beiden tekenen met hun naam. Abraham was geen geoefend schrijver. (ONA Dordrecht inv. 226, f 279).


 

Vgl. Begraafboek Grote Kerk 9 oktober 1663 een baer in de Stoofstraat voor Abram Maertensz, timmerman. 

13 juni 1665: ten overstaan van notaris G. de With verklaren Jan Cornelisz., knecht in de IJsere Waegh en Abraham Maertensz. van den Brande, arbeider, burgers van Dordrecht, op verzoek van mr. Willem Hallingh, baljuw van de heerlijkheid De Merwede, voorheen schout van acht dagen van Dordrecht, dat op 10 of 11 juni 1665, toen Halling schout van acht dagen was, zij op het Maartensgat zijn geweest en gezien hebben dat Arien Verdoolt en Jan Corsse, beiden sledenaars te Dordrecht, met elkaar handgemeen raakten en dat Jan Corsse een "bloot" mes uit zijn zak haalde en daarmee Verdoolt wilde steken. Verdoolt kon dat mes echter ontwijken en zei tegen Jan Corsse: "Ghij schelm, ghij soeckt mij te vermoorden. Ick sal daer over clagen." (ONA Dordrecht inv. 229, f. 56). Hij tekent deze akte met “Abram van den Branden”.


Leendert Jansz Blij arbeijder aen de straet, weduwnaar, wonende in de Marienbornstraet, met Lijsbeth Jansdr weduwe Abraham Martensz, wonende in de Maselaers straet, beijde van Dordrecht.
Getrouwt 25 Febr. 1675.

ONA Dordrecht inv. 129, f. 563 e.v.: op 12 juni 1694 compareerde voor notaris Gijsbert de Jager Lijsbeth Jansdr., weduwe van Abraham Maertensz. van den Brande, in zijn leven maselaar [zakkendrager] te Dordrecht, om te testeren.

Zij prelegateert:

- aan haar zoon Maarten Abrahamsz. de 140 gl. , waarmee zij voor hem gekocht heeft "de sack en de kleedinge en reedinge", die zij hem heeft gegeven bij zijn eerste huwelijk en het bed gegeven bij zijn tweede huwelijk, welke haar 50 gl. gekost heeft. Aangezien zij hem en zijn drie kinderen na het overlijden van zijn tweede vrouw gedurende 26 maanden "in hare familie" kost en drank gegeven heeft, waarvoor hij haar 3 gl. per week had moeten betalen, maar slechts 2 gl. per week heeft betaald, prelegateert zij hem bij deze de 112 gl., die hij haar schuldig is gebleven. Voorts de 6 gl. die zij hem bij zij derde huwelijk heeft gegeven.

- aan haar zoon Johannes Abrahamsz. de 140 gl., zijnde de waarde van de "zak" van zijn vader, die zij hem gegeven heeft, alsmede de nodige huisraad, kleding en "reedinge", die zij hem tot onderstand van zijn huwelijk gegeven heeft

- aan haar zoon David Abrahamsz., de kleding en "redinge" en de 100 gl., die zij hem tot onderstand van zijn huwelijk gegeven heeft

- aan haar dochter Ida Abrahamsdr., voor de menigvuldige diensten van haar genoten en ter compensatie van hetgeen haar broers van hun moeder reeds gekregen hebben, een somma van 200 gl., haar beste bed, peluw, twee kussens, drie beste dekens, 4 beste slaaplakens, al haar kleren, een tas met zilveren beugel en het "tuig" daarbij behorende, een gouden haaknaald, een gouden ringetje, twee gouden "stuckjens" met de bellen daaraan en het eiken kastje waarin haar dochter haar kleren bewaart

In al haar overige na te laten goederen, inclusief het kookgerei, benoemt testatrice tot haar erfgenamen haar vier voornoemde zoons en dochter of bij vooroverlijden hun kinderen. Tot voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij de langstlevende moeder of vader van die minderjarigen. Zij tekent met "Lijsbeth IJans"


 8 sept. 1698: testeert Lijsbeth Jansdr., weduwe van Abram Maertensz. van den Brande, wonende te Dordrecht. Zij herroept eerdere testamenten e.d. en legateert aan haar drie zoons Johannes, Maerten en Davidt Abramsz. van den Brande elk 10 gl. in plaats van de legitieme portie. Tot erfgenaam van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar meerderjarige dochter Yda van den Brande. Zij verklaart "vermits haer onvermogen" niets aan de Diaconie-armen van de Nederduits Gereformeerde gemeente van Dordrecht te kunnen maken. Testatrice tekent met "Lijbet Yans". (ONA Dordrecht inv. 494, akte 101, f. 291 e.v.)


 Weeskamer Dordrecht, dodenregister (archief 10, inv. 111): f. 47v, 15 juni 1706: de weduwe van Abraham van de Brande in de Wingertstraet geen wezen [d.w.z. geen minderjarigen erfgenamen] volgens verklaring van Ida van den Brande, dochter van de overledene (begraafregister Nieuwkerk Dordrecht: de weduwe van Abrahm [sic] van de Branden in de Wingerstaet [Wijngaardstraat])


 ONA Dordrecht inv. 645, akte 48 f. 146 e.v.: op 15 juni 1706 compareren Johannes en David van den Brande, zich tevens sterk makende voor Maarten van den Brande, die op dat moment uitlandig is, allen kinderen en erfgenamen van Lijsbeth van den Brande. Zij geven te kennen, dat hun moeder enkele dagen tevoren is overleden, geruime tijd haar inwoning gehad heeft en in de kost en onder de goede voorzorgen is geweest van haar dochter Ida van den Brande, getrouwd met Jacob de Goede en dat zij weinig "meubilen" en goederen heeft nagelaten. Die goederen waren niet van zodanige importantie, dat zij verkocht of onder haar kinderen verdeeld hoefden te worden. Gezien het feit, dat hun moeder door haar dochter Ida is verzorgd en onderhouden, hebben eerste comparanten besloten, dat Jacob de Goede de goederen, die hun moeder heeft nagelaten, mag behouden, mits hij aan hen eerste comparanten op 1 mei 1707 ieder een somma van 37 gl. en 10 st. zal uitreiken, samen derhalve een bedrag van 112 gl. en 10 st., hetwelk Jacob de Goede beloofd heeft aan zijn zwagers te zullen betalen. Jacob en David tekenen, Johannes zet een kruisje.


 


 

IXa. Maerten Ariens van den Brande, won.te Rotterdam in de Rijstuijn (1657) ovl. Rotterdam juni 1661, tr. Hillegersberg, als jonge man van Rotterdam, (o.tr. Rotterdam 8 april 1657) Trijntje Roelants alias Trijntje de Roo. Uit dit huwelijk ged. Rotterdam:

1. Arij, ged. 4 oktober 1657;

2. Pieter, ged. 29 december 1658, volgt Xa.


 


 

IXb. Sijmon Ariens van den Brande, zoutstooter en haringtolder (benoemd 14 oktober 1677), woonde Rotterdam, tr. Sijthie Ariens.

Uit dit huwelijk ged. Rotterdam:

1. Arij, ged. 3 september 1671;

2. Hillegond, ged. 22 juli 1675 tr. Pieter Jansz. Nagtegaal, konstabel ter zee, woonden Banketstr. te Rotterdam;

3. Grietie, ged. 3 februari 1677;

4. Johannes, ged. 31 januari 1679;

5. Martinus, ged. 5 februari 1682.


 


 

IXc. Johannes Ariens van den Brande, mr. grutter, woonde te Rotterdam aan de Kalverstraat, aan het einde van de Heerestraat en later wz. Swaenshals, begr. Hillegersberg 20 maart 1728 in de kerk, tr. Rotterdam 22 juli 1692 Trijntje Isaacx van der Meulen, dr. van Isaac Jacobsz. Molenaar alias Van der Meulen en Dieuwertje Philips Huis.

Uit dit huwelijk ged. Rotterdam:

1. Dieuwertje, ged. 24 oktober 1683, begr. 25 maart 1687;

2. Adrijanus, ged. 18 juni 1690 volgt Xb.


 

IXd. Maarten Abrahamsz van den Brande, ged. Dordrecht 8 juni 1648, arbeider aan de straat, maselaar (zakkendrager lid van het Maselaarsgilde), begr. Dordrecht (Nieuwkerk) 8 februari 1716, tr. (1) De Lindt op 9 nov. 1670, o.tr. Dordrecht 26 okt. 1670 Geertruij Jans Backer, ged. Dordrecht 12 maart 1649, dochter van Jan Ariensz (Backer) en Anneken Govert, tr. (2) Dordrecht 11 oktober 1677 Marijke Jans van Buel, ged. Dordrecht 28 april 1652, dochter van Jan Jacobsen van Buel en Aeltgen Isaacks van Geertsbergen, ovl. 10 januari 1686, tr. (3) Dordrecht 2 maart 1688 Maaike Claesdr., weduwe van Henrijck van der Nat; o.tr (4) Dordrecht 11 okt. 1693 Maijcke Fransdr van den Dis, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Vriesestraat (1693), begr. Dordrecht 7 juni 1733.

Kinderen eerste huwelijk gedoopt Dordrecht:

1. een kind jong overleden; Vgl. Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 21 okt. 1671: een kind van Maerten Aberamse [sic] in de Dolhuisstraat;

2. Abraham, ged. 2 aug. 1673;

Kinderen tweede huwelijk gedoopt Dordrecht:

3. Abraham, ged. 3 juni 1678;

4. Abram, ged. 4 september 1679, volgt Xb;

5.Aaltje, ged. 16 maart 1681, begr. Rotterdam 17 april 1754.


 

Aeltje bleef ongehuwd. Op 25 augustus 1734 werd zij door haar tante Geertruijd van Buel, samen met haar broer Jan, benoemd tot erfgenaam. Geertruij woonde toen al te Rotterdam. In 1754 woonde ze daar aan het Achter Klooster/Swanesteeg.

6. Jan, ged. 17 feb. 1683, volgt Xc;

7. IJsaac, ged. 1 jan. 1686;

Kind derde huwelijk ged. Dordrecht:

8. Andries, ged. 22 juni 1689;


 

Begraafboek Grote Kerk 10 november 1678 een kind van Maerten van den Brandel [sic] sackendrager in de Stoofstraat.


 

ONA Dord. inv. 211, f. 344 e.v.: op 31 okt. 1671 comp. voor notaris Hans Smits Joost Gillisz. Frins, weduwnaar van Anneken Goverts, enerzijds en Arijen Jansz. Backer, Maijken Jansdr. Backer, Maerten Abrahamsz. van den Brande, getrouwd met Geertruij Jansdr. Backer en Hendrick Buijtendijck als voogd over het nagelaten weeskind van Passchijntje Jansdr. Backer, bij haar verwekt door Jan Joosten Frins, anderzijds. Zij verklaren "met malcanderen te hebben overslaegen" de nagelaten goederen van Anneken Goverts, die zij in gemeenschappelijk bezit heeft gehad met Joost Gillisz. Frins. Na "pertinente liquidatie" is bevonden, dat de lasten van de boedel 480 gl. bedragen en de baten 329 gl. 14 st., zodat er een tekort is van 150 gl. 6 st., die beide partijen ieder voor de helft zullen voldoen. Tevens is overeengekomen, dat tweede comparanten onder zich zullen mogen houden de goederen, die door hun moeder ten huwelijk zijn ingebracht. [Anneken Goverts was dus blijkbaar in een eerder huwelijk moeder geworden van o.a. de vrouw van Maerten van den Brande]. Maerten tekent met een merk.


 


 

ONA Dordrecht inv. 156, f. 129 e.v.: op 3 mrt. 1673 testeren voor not. A. van Neten Maerten Abrahamsz. van den Brande arbeider aan de straat en Geertruijt Jansdr. Back [sic] zijn vrouw, burgers van Dordrecht, beiden gezond. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd. De kinderen zullen bij hun huwelijk een somma van drie gl. uitgereikt krijgen. Hij tekent met een merkje, zij met de letters G IJ B.


 


 

Weeskamer Dordrecht inv. 107 (dodenregister), f. 18: 10 jan. 1686 de vrouw van Maerten van den Brande in de Stoofstraat, sine bonis volgens verklaring van Maerten van den Brande en Geertruijt Jans "des overledens suster"


 

4 dec. 1685: verklaring door Jacob Jansz. Schuttel, 53 jaar oud en Abraham Jansz. Bont, ongeveer 40 jaar oud, beiden arbeiders te Dordrecht, op verzoek van Maarten Abrahamsz. van den Branden, eveneens arbeider te Dordrecht. Zij getuigen, dat in 1672 [noot: 13 mei 1672] , "ten selven dage, als wanneer het huijs van den heere out borgemeester Johan Hallingh binnen dese stadt wierde gespolieert, verweldight, ende geplundert (sonder nogtans dat sijlieden attestanten pertinent souden konnen seggen, wat dag het selve is geweest)", zij samen met Maarten van den Brande 120 tonnen turf hebben gedragen uit de turfschuit van Huijbert Jansz. van Bleijswijk naar het huis van Anthonij Buijs, veertigraad van Dordrecht, die toentertijd woonde in het huis van de Gevangenpoort [Vuilpoort] naast de Leuvebrug. Zij zijn daarmee bezig geweest van 's morgens 7 uur tot 's middags 3 uur, omdat in het huis de zakken turf 97 treden opgedragen moesten worden. Zij hebben alleen geschaft van 9 uur tot half 10 's morgens en zijn gedurende dat halve uur altijd samen met de rekwirant geweest. Na afloop van het werk omstreeks 3 uur 's middags zijn zij samen in de Suikerstraat een glaasje bier wezen drinken ten huize van de weduwe van Joost Corstiaensz. tot 's avonds 8 uur, zonder dat Maarten gedurende die tijd van hen weg is geweest, "veel min dat den requirant sig in, met of ontrent het spoliëren ofte plunderen van het huijs van voorsz. heere out borgemeester Hallingh soude hebben gemelleert ofte bemoeijt, of sulcx willen doen, te meer omdat deselve daadt bij de requirant en de attestanten te selver tijdt wierde verfoeijt en ten hoogste qualijk geoordeelt." (ONA Dordrecht inv. 446, f. 219 e.v.)


 

6 dec. 1688: compareert Maeijcken Claes, echtgenote van Marten van den Brande, ongeveer 41 jaar oud, wonende te Dordrecht en legt een verklaring af.(ONA Dordrecht inv. 357, f. 353 e.v.)


 

13 mei 1689: "Mijn Ed. heeren van den Gerechte, ten genoegen gebleecken sijnde, dat Maerten van den Brande, ende Maeijcken Claes, echteluijden nu reets eenige tijt quaat huijs, met malkanderen hebben gehouden, hebben om de voorsz. onordentelijckheden voor te komen ende wel voornamentlijck, op haerluijder versoeck bij requeste gedaen, goetgevonden ... de voorgemelte persoonen te schijden van bed ende taeffel, sullende ider naer sich nemen 't gene als sijn goed bij den anderen gebracht heeft als mede de helft vande schulden betalen sonder dat den eene voor des anderen schulden aengesproocken sal connen worden, ende sal Maerten van den Brande gehouden sijn alle weecken aen Maeijken Claes sijn gewesene huijsvrouw, twaalff st[uivers] uijt te reijcken, tot aliementatie vant kint, waar van sij jegenwoordigh bij den voorn. vanden Brande swanger gaet. Ende sal haar bijde Extract van dese ... resolutie toegesonden worden omme haer naer den innehoude vandien exactelijc te reguleren". (ORA Dordrecht inv. 14, f. 54v e.v.)

7 febr. 1716: overleden Maerte van den Brande, buiten de Sint Jorispoort, sine bonis, volgens verklaring van zijn vrouw (Weeskamer Dordrecht inv. 112, f. 178v)

 

begraafboek Nieuwkerk Dordrecht 7 juni 1733: Maijke Fransen weduwe van Marten van den Brande, laat kinderen na , wonende in de Vriesetraat tegenover de Breestraat, begraven "in't gemeen".


 

IXe. Johannes Abrahamsz van den Brande, gedoopt Dordrecht 1 maart 1656, maselaar (zakkendrager lid van het Maselaarsgilde), woonde bij de Nieuwbrug, later Zakkendragersstraat, begraven Dordrecht 31 mei 1731, tr. Dordrecht 10 juli/8 aug. 1678 Cornelia Cornelisdr van der Kade.

Kinderen gedoopt te Dordrecht:

1. Cornelis, ged. 15 juli 1673

2. Lijsbeth, ged. 19 april 1679

3. Cornelis, ged. 4 dec. 1680, volgt Xd.

4. Jenneken, ged. 11 mei 1682;

5. Abraham, ged. 16 jan. 1684;

6. Lijsbeth, ged. 27 juli 1687;

7. Lijsbeth, ged. 14 maart 1689, tr. 8 april 1708 te Dordrecht Christoffel van der Steen.

8. Isaak, ged. 16 januari 1691;

9. Yda, ged. 20 juli 1693, tr. 12 juli 1720 te Dordrecht met Hendrik de Visser; begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 16 april 1749 (IJda van den Brande, vrouw van Hendrik Visser, in de Augustijnenkamp, laat kinderen na, beste graf).


ONA 561, 24 jan. 1688, verklaring door o.a. Johannes Abrahamsz. van den Brande, mazelaar en burger van Dordrecht. Hij verklaart, dat hij in 1687 ongeveer 3 weken voor Dordtse Beestenmarkt in het huis van Johannes van der Hoeve, koopman te Dordrecht, 9 zakken lijnzaad in een ton gestort heeft en daarvoor door Van der Hoeven is betaald. Hij tekent met een kruisje.

6 sept. 1698: compareert voor schepenen van Dordrecht Johannes van den Brande, burger van Dordrecht, als last en procuratie hebbende van Maarten van den Brande, burger van Dordrecht, zowel voor zichzelf als zich sterk makende voor zijn broer David van den Brande, wonende te Rotterdam en nog van Ida van den Brande, meerderjarige dochter wonende te Dordrecht en van Johannes Ariensz. van den Brande en van Jan van der Hijden, als echtgenoot van Lijsbet Ariensdr. van den Brande, beiden mede wonende te Rotterdam, zowel voor zichzelf als zich sterk makende voor Jan van Berckel, als echtgenoot van Maria Ariensdr. van den Brande, wonende in Den Haag, allen benevens de comparant enige erfgenamen van wijlen Isaacq van den Brande en nog procuratie hebbende van Jacobus de Kets, koopman te Rotterdam, als universele erfgenaam van Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn, in haar leven echtgenote van voornoemde Isaacq van den Brande, breder blijkende bij de procuratie op 2 aug. 1698 gepasseerd voor notaris E. Venlo te Dordrecht en verklaart in die hoedanigheid te transporteren aan Johannes Verlaer, burger van Dordrecht, een huis in de Nieuwstraat omtrent de brug tegenover de Augustijnenkamp, staande op de hoek van Schenkkansgang tussen die gang en het huis van Johannes Parie, met drie aparte woningen in de Schenkkansgang, verkocht aan Verlaer voor 1120 gulden contant. Comparant transporteert tevens in dezelfde hoedanigheid aan Henry Louis Certon, Franse predikant te Dordrecht, een huis voor het Bagijnhof over de brug, staande tussen het huis van Hendrick van Aensorgen en dat van Schipper Jan, verkocht aan Certon voor 680 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 800, f. 163 e.v.)


 

IXf. David Abrahamsz van den Brande, ged. Dordrecht 3 januari 1663, sjouwer en waker op 's Lantswerf (Admiraliteitswerf) te Rotterdam, ovl. Kralingen 1 mei 1743, tr. Haastrecht januari/april 1690 Anna Lammerse van Willigen, dr. van Lambert Jacobs van Willigen en Marrichjen Willems Brughman, gedoopt Boskoop 1 sept. 1664, ovl. Kralingen 7 december 1730. Zij woonden aan de Slakade te Kralingen.

Kinderen gedoopt te Rotterdam:

1.Abraham, ged. 31 juli 1692, soldaat, vertrok 7 mei 1716 met het VOC-schip Rijnestein naar Batavia waar hij op 19 februari 1717 aankwam. Ovl. te Cochin, India, waar hij op 31-jarige leeftijd, in maart 1722, tijdens een duel werd gedood.

2. Lambertus, ged. 20 december 1695;

3. Dirck, ged. 9 november 1698;

4. Dirck, ged. 17 januari 1704;

5. Willem, ged. 31 oktober 1706 volgt Xf.


20 sept. 1698: David Abrahamsz. van den Brande, wonende te Rotterdam, mede-erfgenaam ab intestato van Isaacq van den Brande, in zijn leven huistimmerman te Dordrecht, "approbeert" het transport van drie huizen, gekomen uit de nalatenschap van Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn, weduwe van Isaacq van den Brande en machtigt zijn broer Johannes van den Brande om zijn aandeel in de erfenis van Neeltje Woutersdr. van Groensteijn in ontvangst te nemen. Hij ondertekent met “David Abramse van den Branden” (ONA Dordrecht inv. 494, f. 306 e.v.).

Abraham Davidsz. van den Brande diende als soldaat in dienst in dienst van de VOC. Hij vertrok in 1716 vanuit Rotterdam naar Batavia. Hij bleef tot in 1722 in dienst van de VOC. Hij was als soldaat gestationeerd in Cochin, India, waar hij in maart 1722 tijdens een duel werd gedood.

David kocht op 26 april 1700 een "huisje met loodsje gelegen aan de Slakade" voor fl. 820,- . In 1746, bij verkoop t.b.v. zijn erfgenamen, vermeld als strekkende uit de Molevliet. Het stukje grond aan de Slakade was 227 vierkantemeter groot. 

Voorts bezat hij een stuk warmoeziersland, groot 320 roeden, waarop door zoon Willem een huis, loods en verder opstal was getimmerd. Tot 1820 rekende men in Kralingen met de Rijnlandse roede, die 14,19 vierkante meter bedroeg. Het was derhalve 0,46 hectare groot. Dit stuk warmoeziersland, dat op 31 december 1726 was gekocht, lag naast de lijnbaan van de Admiraliteit. In 1746 werd het getaxeerd op fl 1700. Het testament van David werd op 27 augustus 1739 verleden voor notaris Van Rijp te Rotterdam. Hij benoemde tot zijn enige erfgenamen de minderjarige kinderen van zijn Willem met de bepaling dat deze “sijn leven lang” het vruchtgebruik hield van de goederen. De waarde van zijn goederen bedroeg in 1746 fl. 2.401.



Xa. Pieter van den Brande, mr. kleermaker, roklijfmaker, ged. Rotterdam 29 december 1658, ovl. Rotterdam (aangeg.) 21 mei 1729, begraven Hillegersberg in de kerk 23 mei 1729; woonde toen Blommersdijksenweg; koopt 1692 huis wz. Nieuwstraat te Rotterdam, tr. Rotterdam 30 april 1690 Wilhelmina Tielemans Berck, zij hertrouwde te Rotterdam 27 oktober 1737 met Thomas Wilde, j.m. van Londen.

Kinderen gedoopt te Rotterdam:

1. Susanna, ged. 13 maart 1691, ovl. (aangeg.) Rotterdam 14 augustus 1691;

2. Martinus, ged. 12 augustus 1692 volgt IXa;

3. Jacobus, ged. 27 februari 1695, ovl. (aangeg.) Rotterdam 2 maart 1703;

4. Jacobus, ged. 22 november 1703, ovl. (aangeg.) Rotterdam 2 april 1704);

5. Wilhelmus, ged. 17 mei 1705, jong overleden;

6. Agatha, ged. 11 januari 1707, jong overleden;

7. Jacobus, ged. 6 augustus 1710, begr. Rotterdam (Schotse Kerkhof) 17 september 1711, een jaar oud.

8. Susanna, ged. 26 januari 1713, begr. Rotterdam (Schotse Kerkhof) 4 december 1720, zeven jaar oud.


NB: Pieter en later zijn zoon Maartijnus woonden in de Nieuwstraat te Rotterdam. Op 12 december 1699 wordt te Rotterdam Knelis van den Brande, wonende in de Nieuwstraat, begraven. Mogelijk is hij familie en woonde hij bij Pieter.

Acte, verleden voor schout, burgemeesteren en schepenen van Rotterdam, waarin ten verzoeke van Huijbert van Lokhorst en ten laste van Aelbert Kleij bij executie worden verkocht twee panden aan de Santstraat O.Z. (Prot. No. 836 en 837), die gekocht worden door Pieter van den Brande, 1 mei 1716


Xb. Adrijanus van den Brande, ged. 18 juni 1690, woonde Swaenshals te Hillegersberg, ovl. Rotterdam (aangeg.) 17 februari 1750, woonde toen Herenstraat, tr. Rotterdam 16 september 1721 Niesje 't Hoen of Thoen.

 

Xc. Abraham Maartensz van den Brande, bosschieter (kannonier en ervaren matroos) ged. Dordrecht 4 september 1679, ovl. 1708, tr. Dordrecht (gerecht) 17 september 1702 Geertruij Goverts van Emmerick, (waars. ged. Dordrecht 4 feb. 1671 als dochter van Govert Jansz en Lijsbet Dirckx) zij hertr. 28 maart 1719 Gerrit van Vegt.

Kind gedoopt te Dordrecht:

1. Abraham, ged. 6 oktober 1706, begr. Dordrecht (Nieuwkerk) 20 dec. 1710: het kind van de weduwe van Abram van den Brande, woont in de Pelserstraat.

Abraham Maertensz van den Brande diende als kannonier bij de VOC. Hij vertrok 20 februari 1706 met het VOC-schip de Donau naar Batavia waar hij op 29 oktober 1706 aankwam. Abraham kwam in 1708 om het leven toen het schip waarop hij diende verging. 

Xd. Johannes (Jan) van den Brande, gedoopt Dordrecht 17 febr. 1683, matroos (1711), deken mazelaarsgilde (1722-1724), mazelaar (zakkendrager lid van het Mazelaarsgilde), waarschijnlijk ook tabakverkoper, wonende buiten de St. Jorispoort (1712), weduwnaar wonende op de Nieuwbrug (1735), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 6 april 1738, tr. (1) Dordrecht 2/16 okt. 1712 Ariaentie de Vries, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 24 nov. 1734, tr. (2) Dordrecht 4/20 febr. 1735 Maria, jonge dochter van Zevenbergen, wonende bij de St. Jorispoort (1735), begr. Nieuwe Tonge 31 mei 1747, zij tr. (2) 6 dec. 1739 Nieuwe Tonge met Maarten Janse Breesnee.

Kinderen eerste huwelijk gedoopt te Dordrecht:

1. Maria, 24 december 1713

2. Johanna, 30 september 1715

3. Marijke, 5 oktober 1718

4. Marija, 19 oktober 1719

5. Martinus, 17 mei 1722

6. Geertruij, 5 december 1724.


 

25 febr. 1725: comp. voor notaris R. Nolthenius Jan van den Branden, mazelaar en burger van Dordrecht en verklaart op verzoek van Maria van Haale, de vrouw van Jan Kordes, dat hij in 1711 of 1712 Jan Kordes op het eiland St. Tomas heeft ontmoet en daar met hem heeft gegeten en gedronken, dat hij daarna is gevaren naar Curacao en "vandaar sullende varen na de kust van Krakes is genomen van een Frans kaper genaemt de Poelon, en te Martenique opgebragt." Daar heeft hij een landgenoot ontmoet, een Hagenaar, "sijn gewesene maat genaamt Philips", die hem "als een gevange man zijnde noodigde op een glas wijn" en aan wie hij toen heeft gevraagd naar hun landgenoten, waarop Philips heeft gezegd, dat Jan Kordes, "varende op een Franse kaaper [genaamd de Trampoes] slaags was geweest tegens een Engelsman" en toen is doodgeschoten. Van den Branden verklaart, dat hij jaren later, wanneer hij vroeg naar Jan Kordes, die door zijn maats altijd Jan den Blauwen werd genoemd, nooit anders heeft gehoord dan dat Kordes dood was. Hij heeft Jan Kordes zeer goed gekend en toen zij onder de heer Van Convent voeren, hebben zij samen aan één bak gegeten. Comparant tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 901, akte 34)


 

25 aug. 1734: testeert voor notaris B. van der Star Geertruijd van Buel, bejaarde, ongehuwde vrouw, wonende te Dordrecht, ziek te bed liggende. Zij legateert aan Elisabeth Schiltmans, weduwe van Abraham van Terneij, wonende te Dordrecht, 25 gl., aan Marijke van Vredenburg, vrouw van Willem de Bois bierdrager, haar grote huisbijbel met koperbeslag, aan Ariaantje Notten, twee vrouwehemden, aan de vrouw van Antonij van Kessel, twee vrouwehemden en een eiken kastje "van twee deuren", aan Marijke van Enst, dochter van Egbert van Enst, een zilveren lepel, aan haar nicht Geertruijd van den Branden, dochter van Jan van den Brande, een testament met zilveren slotjes, aan Anna Robijn, weduwe van Johannis Lieffmulder, twee vrouwehemden, een kamerbezem en een blikken wateremmer, aan Leendert de Visser "een schilderij verbeeldende eenige zee schepen", aan Willemijntje van Terneij, een zilveren eierlepeltje, aan haar nicht Aeltje van den Brande, dochter van haar overleden zuster Maria van Buel, wonende te Rotterdam, haar bed, hoofdpeluwen, drie oorkussens, een witte en een groene deken, een koperen koffieketel en een tinnen bierkan en aan Jan van den Brande, mazelaar te Dordrecht, haar beste witte deken en een oude groene deken, alle overige kussentjes, een tinnen waterpot en dito fles. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar nicht Aeltje van Brande en haar neef Jan van den Brande, ieder voor de helft. Als executeur-testamentair stelt zij aan Jacob Victoor, mr. glazemaker te Dordrecht. Zij wenst, dat Victoor haar stoffelijk overschot op een "fatsoenlijke" wijze laat begraven, met drie koetsen, t.w. de lijkkoets en twee andere koetsen, en dat hij daartoe zal verzoeken veertien "vrijers", aan wie hij na de begrafenis elk een daalder moet geven. Zij wenst, dat haar lichaam begraven wordt in de Augustijnenkerk te Dordrecht. De executeur-testamentair zal als loon een bedrag van 10 gl. ontvangen. Akte door testatrice ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 860, akte 35)


 

31 aug. 1734: begraven Geertruijt van Buel, ongehuwd, in het Steegoversloot, met "ordinare" koetsen (begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht)


 

28 sept. 1734: comp. voor B. van der Star, notaris te Dordrecht, Aeltje van den Brande, meerderjarige ongehuwde vrouw, wonende te Dordrecht en Jan van den Brande, wonende te Dordrecht, enige erfgenamen van hun tante Geertruijdt van Buel, in haar leven bejaarde ongehuwde vrouw, wonende te Dordrecht en daar overleden op 28 aug. 1734. Zij verklaren, dat hun tante in haar testament, dat zij heeft gepasseerd voor genoemde notaris op 25 aug. 1734, "aan verscheide particuliere persoonen eenige geringe legaetjes, en aen ... comparanten ider int bijsonder eenige prelegaatjes van weinige importantie hadde gemaeckt" en hen, beide comparanten, tot erfgenamen van al haar overige goederen heeft benoemd. Tot executeur-testamentair heeft zij benoemd Jacob Victoor, "mr. glasemaker" te Dordrecht, die na haar overlijden de legaten en prelegaten aan de legatarissen heeft overhandigd. Na aftrek van de begrafeniskosten, doodschulden en het loon van de executeur-testamentair zijn er nog drie handgeschreven schuldbekentenissen overgebleven, de eerste één van 125 gl. ten laste van Jan van den Brande, de tweede één van 125 gl. ten laste van Elisabet van Terneij en de derde één van 100 gl. ten laste van Heiltje Kock. Bij de liquidatie van de nalatenschap heeft Aeltje van den Brande van Jacob Victoor een bedrag van 157 gl. 4 st. 8 penningen ontvangen en Jan van den Brande een aantal handgeschreven schuldbekentenissen ter waarde van 250 gl. Jan belooft Aeltje daarvan een bedrag van 46 gl. 7 st. en 12 penn. uit te keren. (ONA Dordrecht inv. 860, akte 41, f. 141 e.v.) Op 25 augustus 1734 werd Jan, samen met zijn zus Aeltje, door hun tante Geertruijd van Buel benoemd tot erfgenaam.(ONA Dordrecht inv. 860, akte 35)


 

14 april 1738: inventaris van de nagelaten boedel van Jan van den Branden, "op't aangeven" van zijn weduwe Marij Arent. Tot de nalatenschap behoorde een huis op de Nieuwbrug aan de haven, waarin zich o.a. bevonden: in het voorhuis een toon- en voetenbank, 2 koperen schalen en ijzeren unster, 2 koperen tabakskomforen, een ton met daarin enige "quade" tabak, een kleinere ton met wat tabak, 5 stukjes gewicht, 1 loden tabaksdoos, een schilderij, 1 schootsvel, 1 tabakskast. Boven in het huis bevonden zich onder meer 8 schilderijen, 2 houten tabaksrollen, een hoedenkast met daarin een pruik en op zolder nog 2 tonnen met "quade" tabak. (ORA Dordrecht inv. 1480)


 

21 april 1738: begraven Johannis van den Brande, op de Nieuwbrug (Weeskamer Dordrecht inv. 115, f. 136); begraven Dordrecht (Nieuwkerk); 6 april 1738 (Johannes van den Brande, op de Nieuwbrug, laat kinderen na, "beste graft")


 

22 mei 1738: mr. Hermen Franciscus Ketelanus, als secretaris en administrateur van de Weeskamer van Dordrecht, Hendricus van Steenbergen, medicinae doctor te Dordrecht, als vader van het Armenweeshuis te Dordrecht en Marij Arent, weduwe van Jan van den Brande, verkopen aan Helmert Backer, raffinadeur te Dordrecht, een huis op de Nieuwbrug, staande in het opgaan van de brug aan de zijde van de Voorstraat tussen het huis van de weduwe van Samuel van IJperen en de Appelhaven, voor een somma van 625 gl. en 5 st. contant. (ORA Dordrecht inv. 819, f. 45 e.v.)


 

9 mei 1738: de Weesmeesters van Dordrecht, als voogden over de minderjarige erfgenamen van Jan van den Brande en de Vaders en Regenten van het Armen-Weeshuis zijn van mening in het openbaar te veilen een goed en wel ter nering staand huis op de Nieuwbrug, staande in het opgaan van de brug aan de zijde van de Voorstraat tussen het huis van de weduwe van Samuel van IJperen en de Appelhaven. De definitieve verkoping zal geschieden op zaterdag 17 mei 1738 in de Weeskamer tussen 11 en 12 uur 's morgens. Nadere inlichtingen zijn verkrijgbaar bij mr. H. F. Ketelanus, secretaris van de Weeskamer. (ORA Dordrecht inv. 1480)


 


 

Xe. Cornelis van den Brande, ged. Dordrecht 15 juli 1693, mr. twijnder (1715), woont bij de Nieuwbrug, tr (1) Dordrecht 25 juni 1713 Geertruij van Overkamp, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 12 juli 1743 trouwde 2e Gerecht/NG Dordrecht 24 sept./11 okt. 1744 Marijke Moll, weduwe van Frans de Prée, van Dordrecht, wonende in de Augustijnenkamp.

Uit dit huwelijk ged. Dordrecht:

1. Cornelia, ged. 11 december 1713, tr. Dordrecht 18 mei 1738 Jan van Bochoven, j.m. van Piershil;

2. Jenneke, ged. 30 juni 1716;

3. Jenneke, ged. 9 januari 1718;

4. Hendrik, ged. 8 augustus 1719, begr. Rotterdam 28 aug. 1751;

5. Johannes, ged. 2 december 1721;

6. Jenneke, ged. 7 mei 1724, begr. Rotterdam 16 juli 1768, tr. Rotterdam 8 mei 1755 Pieter Victoor, hij tr. (2) 7 april 1771 Magdalena Swedde;

7. Anna, ged. 27 oktober 1726 tr. Rotterdam 4 maart 1749, ovl. Rotterdam (aangeg.) 6 februari 1759, woonde Doelstraat Johannes de Niet, zoon van Cornelis en Maria Geesthuijse;

8. Cornelis, ged. 16 april 1730 volgt XIb;

9. Johannes, ged. 18 april 1732;


 

1 juli 1734: begraven een kind van Cornelis van den Brande, in de Augustijnenkamp, beide ouders leven, "int gemeen" begraven. (Begraafboek Dordrecht Nieuwkerk)


 8 jan. 1715: Hendrick Steenwijck, linnenwever en burger van Dordrecht, verkoopt voor 210 gl. aan Cornelis van den Brande, mr. twijnder en burger van Dordrecht, een huis in de Augustijnenkamp bij de brug, staande tussen het huis van Hendrick de Ruijter en de stadsgracht. (ORA Dordrecht inv. 810, f. 2)

12 jan. 1745: Cornelis van den Brande, burger van Dordrecht, verkoopt aan Hendrica de Hart, vrouw van Casper Rank, die daartoe gekwalificeerd is door "appoinctement" van het Gerecht te Dordrecht dd 24 dec. 1744, een huis in de Augustijnenkamp bij de brug, staande tussen het huis van Hendrik de Ruijter en de stadsgracht, voor 180 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 821, f. 53v)


 

24 april 1760: compareren voor schepenen van Dordrecht Cornelis van de Brande, wonende te Rotterdam, voor zichzelf en als voogd over de twee nagelaten kinderen van Cornelia van den Brande, in huwelijk verwekt door Jan Bokhoven, Pieter Victoor, als echtgenoot van Janneke van den Brande, mede wonende te Rotterdam, mitsgaders Cornelis van den Brande en Pieter Fiktoor in deze vervangende Marija Moll, weduwe van Cornelis van den Brande, alsmede Franchois Beudt, koopman te Dordrecht, als last en procuratie hebbende van Abraham Hoogwerff en Franchois Beudt, als regenten van het Weeshuis te Rotterdam, waar "gealimenteerd" worden Cornelis en Geertruij de Niet, nagelaten kinderen van Johannes de Niet, in huwelijk verwekt bij Anna van den Brande, te Rotterdam overleden, volgens procuratie gepasseerd voor notaris Cornelis van der Looij te Rotterdam op 25 dec. 1759. Comparanten verkopen aan Willem Visser, catechiseermeester te Dordrecht, een huis in de Augustijnenkamp te Dordrecht, staande tussen het huis van Hendrik Blommert en het huis van de weduwe Vermeulen, voor 348 gl. en 10 st. Koper bekent schuldig te zijn aan Cornelis van den Brande, wonende te Rotterdam een bedrag van 375 gl. wegens geleende penningen, daarvoor verbindende het voornoemde huis. (ORA Dordrecht inv. 827, f. 25 e.v.)


 

Xf.Willem Davidse van den Brande, ged. Rotterdam 31 oktober 1706, tuinder, woonde aan de Slakade te Kralingen, begr. Kralingen 3 april 1778 (verongelukt in de Hoogen Boesem), tr. Dina Gladbeek, dr. van Jacob Heyndricksz. Gladbeek, tuinder, en Ingetje Ariens van den Bouw, ged. Rotterdam 10 augustus 1698, begr. Kralingen 28 december 1753.

Kinderen gedoopt te Rotterdam:

1. (Joh)anna, ged. 27 januari 1729, ovl./begr. Rotterdam 28 maart/1 april 1802, tr. Kralingen 26 december 1757 Bastiaan Sweere, ged. Ameide 3 augustus 1732, zoon van Sweer Bastiaensz en Johanna Willems Nobel, ovl. Rotterdam 20 april 1807;

2. Ingetie, ged. 23 november 1730, tr. Leiden (rk.) 18 april 1753, tr. Kralingen 25 april 1751 Cornelis Moerman, geb. Leiden, zoon van Rochus en Catharina Ploegmans.

3. Davit, ged. 12 juni 1743, begr. Kralingen 8 juli 1733;

4. David, ged. 19 november 1733, volgt XIc;

5. Geertruij, ged. 23 october 1736, groentevrouw, ovl. Rotterdam 12 november 1814, tr. Kralingen 9 mei 1758, Reijnier Dirksz. Romberg, ged. Rotterdam 9 sept. 1728 te Rotterdam, ovl. Rotterdam 14 april 1792, wonende Stinksloot, zoon van Dirk Romberg en Apolonia van der Wier.

Willem Davidse had op stuk warmoeziersland van zijn vader een huis, loods en verder opstal gebouwd. Zijn boedel werd op 7 april 1778 verdeeld voor notaris Cornelis van der Looy ter Rotterdam. Zoon David kocht het erfdeel van zijn zussen m.b.t. het warmoeziersland af.

 

XIa. Maartijnus van den Branden, ged. Rotterdam 12 augustus 1692, mr. grutter, 1715 hoofdman gruttersgilde, 1727 benoemd tot korenmeter,, begraven Rotterdam 2 december 1733 (met vermelding dat hij twee meerderjarige kinderen na liet), woonde Hoofdsteeg en later in de Nieuwstraat., tr. Rotterdam 16 augustus 1713, Magetlina Donckers, dr. van Antony Donckers en Lucia Leenderts Verboom, j.d. van Moerkapelle won. West-Nieuwland. Uit dit huwelijk ged. Rotterdam:

1. Willemina, ged. 5 juni 1714, jong ovl.;

2. Pieter, ged. 23 aug. 1716, jong ovl.;

3. Willemina, ged. 10 juni 1723, waars. begr. als “jonge dochter ”26 nov. 1762 Waalsekerk;

4. Pieter, ged. 23 nov. 1727, begr. 26 nov 1726;

5. Pieter, ged. 9 aug. 1731, volgt XIIa.


 Op 30 sept 1716 en 6 okt. 1719 werd te Rotterdam een kind van Maartijnus van den Branden begraven.

Willemina Berck benoemde 1734 haar kleinkinderen Willemina en Pieter tot haar enige erfgenamen; executeurs, voogden en administrateurs van de erfgenamen zijn Willem Plemp, mr. timmerman, won. St. Jacobstr., Willem Huijs won. Nieuwstr., Pieter Verburg, zakkendrager, won. Botersloot.


XIb. Cornelis van den Brande, ged. Dordrecht 16 april 1730, timmermansknecht, 1782/ 1783 busbewaarder timmermansknechten, won. Steiger, won. 1758 Boeresteijger midden, 1762 vermeld als wonende Steiger in ’t huis van Eppesteijn, ovl. Rotterdam 22 april 1801, begr. ald. 27 april 1801 (Prinsennkerk) ; tr. (1) Rotterdam 23 april 1753 Maria de Jongh (begr. Rotterdam 25 september 1762 St. Janskerkhof) tr. (2) Rotterdam 8 november 1763 Sebilla van Delkom, geb. te Nijmegen, begr. Rotterdam 13 okt. 1781.

Uit het eerste huwelijk ged. Rotterdam:

1. Geertruij, ged. 3 november 1753, ovl. Kralingen 7 april 1838, tr. Rotterdam 10 september 1780 Egbert van Emmen, j.m. uit Groningen.

2. Neeltje, ged. 3 september 1756, ovl. Zevenhuizen 26 februari 1838, tr. Rotterdam (stadstrouw) 21 oktober 1798 Jan Roon, j.m. van Zevenhuizen;

3. Christina, ged. 26 oktober 1760, begr. 13 aug. 1765 (St. Janskerkhof).


 

XIc. David van den Brande, ged. Rotterdam 19 november 1733, tuinder, woonde aan de Warmoezierslaan te Kralingen, ovl. Kralingen 17 oktober 1820, tr. Rotterdam 3 november 1761 Grietje Kloppers, dr. van Pieter Kloppers en Marijtie Olijman, ged. Rotterdam 3 december 1733, begr. Kralingen 16 oktober 1808.

Uit dit huwelijk ged. Rotterdam:

1. Dina, ged. 4 april 1762, groenteverkoopster, ovl. Kralingen 5 oktober 1838, tr. Kralingen 1 juli 1781 Cornelis van Duivenbode, ged. Kralingen 27 okt. 1757 zoon van Willem en Ariaentie Verdijs. Zij woonden aan de Slakade.

2. Pieter, ged. 27 mei 1764, volgt XIIb;

3. Maria, ged. 4 januari 1767, woonde 1786 “buiten de Oostpoort in de Warmoezierslaan” ovl. Rotterdam 15 augustus 1850 woonde aan de Schiekade ald., tr. Rotterdam 5 november 1786 Arij Hartkoorn, ged. Rotterdam 9 juni 1765, ovl. Rotterdam 27 april 1826, zoon van Dirk en Maria Neemsdaal;

4. Willem, ged. 31 augustus 1769, volgt XIIc;

5. Aart, ged. 5 juli 1772, volgt XIId;

6. Bastiaan, ged. 5 januari 1777, volgt Xe;

David kocht op 7 juli 1775 van zijn vader Willem van den Brande, een huijsje, loots en verder getimmerte en erve, staende en gelegen in de Warmoezierslaan in de Voorpolder aan de Hoogendijk. Het stond op de grond die David's grootvader, David van den Brande, in 1726 had gekocht en in 1745 door Willem van den Brande was verworven. De koopprijs was f 400.

David kocht op 26 september 1783, voor schout en schepenen van Kralingen, van Willem Aardenhout, een stuk warmoeziersland en water, met de bepootinge en beplantingen daerop staende, groot ofte verongelden voor 160 roeden, gelegen in de Voorpolder binnen deze Ambagte, strekkende van Willem van den Branden af tot de gemeene scheiheijning van Jan Wijne toe, belend ten oosten Mej. Bisdom, ten westen slands lijnbaan. De koopprijs was f 1.150.

David verwierf in 1778 de volle eigendom van het stuk warmoeziersland, groot 325 roeden, dat zijn grootvader David van den Brande in 1726 had gekocht.

David kocht op 3 maart 1792, voor schout en schepenen van Kralingen, van zijn schoonzoon Cornelis van Duivenbode en zijn zus Antje van Duivenbode, gehuwd met Gerrit Wijtman, uit de erfenis van hun ouders, een stuk warmoeziersland, groot ofte verongelden voor 417,5 roeden, gelegen aan den Oudendijk, in dezen Ambagte, strekkende van Willem Groenewout af, noord op  op de gemeene sloot van de vletplaats van den Oudendijk, belend ten oosten Mej. M.D. Bisdom, ten westen het land van de Admiraliteit. De koopprijs was f 3.300.

David huurde ook warmoeziersland in de voorpolder van Kralingen hetgeen blijkt uit een op 13 maart 1780 op zijn verzoek voor notaris Jakob van Waning jr. afgelegde getuigeverklaring. Op 7 november 1820 wordt de inventaris van zijn goederen opgemaakt door Christiaan Vaart.

Eind achttiende eeuw had David van den Brande bijna 1,3 hectare tuindersland liggen in de Voorpolder van Kralingen. De grond lag over de gehele lengte aan de oostzijde van de lijnbaan van de admiraliteit. 
 

XIIa. Pieter van den Brande, ged. Rotterdam 9 aug. 1731, woonde in het weeshuis 1754, begraven Rotterdam 10 april 1771 won. Grote Wagenstraat bij de Kipstraat, liet bij zijn overlijden twee meerderjarige kinderen na, tr. Rotterdam 3 mei 1754 Maria van der Mout, dochter van Klaes van der Mout en Arijaentie van Hermelle, zij hertrouwde 26 augustus 1772 met Jacob de Vries.

Uit dit huwelijk ged. Rotterdam:

1. Magdalena, ged. 10 december 1758, tr. Rotterdam 16 april 1776 Willem Pieter van Doorne;

2. Clasina, ged. 16 augustus 1761, tr. Rotterdam 20 januari 1785, Pieter Manssen, j.m. uit Hoesen in Denemarken;

3. Jannetje, ged. 31 januari 1768, begr. Rotterdam 18 juni 1770;


 

XIIb. Pieter van den Brande, ged. Rotterdam 27 mei 1764, tuinder, 1810-1812 diaken Ned. Herv. Kerk Kralingen, woonde aan de Warmoezierslaan te Kralingen, ovl. Kralingen 20 november 1815, tr. Rotterdam 8 januari 1792 Anna van Vessem, dr. van Jacobus van Vessem en Krijntje van der Wind, ged. Kralingen 4 februari 1770, ovl. Kralingen 24 september 1836.

Uit dit huwelijk geb. Kralingen:

1. Margretha (Grietje), geb. 28 augustus 1792, ged. Rotterdam 6 september 1792, ovl. Rotterdam 1 september 1860, woonde ald. aan de Klompwerf Rotterdam, tr. Rotterdam 22 april 1818 Zegerinus Verhart, scheepstimmerman, zoon van Huybert en Rijkje van Weijeren;

2. Jacobus, geb. 13 mei 1794, ged. Rotterdam 25 mei 1794, volgt XIIIa.

3. Krijntje, geb. 21 juli 1796, ged. Rotterdam 31 juli 1796,

4. David, geb. 12 december 1798 volgt XIIIb;

5. Krijntje, geb. 7 maart 1801, ged. Rotterdam 12 maart 1801, ovl. Delft 16 augustus 1867, tr. Kralingen 15 april 1826 Pieter van den Ende, tuinder te Delft, geb. te Rijswijk, zoon van Leendert Leendertsz en Jannetje van der Gaag;

6. Dina, geb. 5 januari 1804, ged. 15 januari 1804;

7. Gerrit, geb. 8 april 1805 volgt XIIIc;

8. Gosewijn, geb. 12 juli 1810, ged. 22 juli 1810, ovl. 23 april 1813;

9. Dina, geb. 17 oktober 1807, ged. 5 november 1807;

10. Gosewinus, ovl. 18 april 1817, oud 2 jaar 11 maanden;


Pieter van den Brande bezat diverse stukken warmoeziersland gelegen aan de Warmoezierslaan. Daarnaast bezat hij een stuk warmoeziersland achter de Oudedijk. Op het laatste stuk land werd veel later de IJsclub Kralingen aangelegd (thans Tennispark Kralingen).

 

XIIc. Willem van den Brande, ged. Rotterdam 31 augustus 1769, tuinder, woonde aan de Warmoezierslaan en de Slakade te Kralingen, ovl. Kralingen 9 september 1848, tr. Kralingen 18 maart 1798 Cornelia Swaans, wed. van Jan Scotemeijer.

Uit dit huwelijk geb. Rotterdam:

1. Grietje, geb. 2 maart 1799, ged. Rotterdam 10 maart 1799, ovl. Kralingen 27 dec. 1817;

2. Martinus, geb. 25 mei 1800;

3. Dina, geb. 1 oktober 1802;

4. Meindert, geb. 7 november 1803;

5. Maria, geb. 16 juli 1805, begr. Kralingen 7 november 1806;

6. Dina, geb. 17 november 1807;

7. Goosen, geb. 12 juli 1810;



 

XIId. Aart van den Brande(r), ged. Rotterdam 5 juli 1772,  tuinder te Kralingen, later commies bij de stedelijke belasting, (vermeld ambtenboek 1806-1826,592 en 1826-1848) woonde 1793-1804 in de Westlandse Buurt achter de Oudedijk (tussen de latere IJsclub Kralingen en de latere Mecklenburglaan), vanaf 1805 wonende aan de Slakade, na 1833 Schiedamsche Dijk, ovl. Rotterdam 8 maart 1840, tr. (1) Rotterdam 20 mei 1793 Margje van Halewijn, dr. van Jan van Halewijn en Maria Westerhoudt, ged. Krimpen aan den Lek 5 maart 1769, ovl. Kralingen 20 juli 1833, tr. (2) Rotterdam 8 februari 1837 Anna Kettler, winkelierster, dr. van Gerrit Hendrik Kettler en Anna Bekker, geb. Rotterdam 17 maart 1798, ovl. Rotterdam juni 1853.

Uit het eerste huwelijk geb. Kralingen:

1. Margaretha, geb. 2 feb. 1794, groenteverkoopster, ovl. 15 november 1853;

2. Johannes, geb. 27 juni 1795 volgt XIIId;

3. David, geb. 7 februari 1798 volgt XIIIe;

4. Pieter, geb. 2 april 1801 volgt XIIIf;

5. Willem, geb. 14 oktober 1803 volgt XIIIg;

6. Maria, geb. 16 mei 1807 Rotterdam, ovl. Rotterdam 30 januari 1860;

7. Dina, geb. 2 oktober 1810, naaister, ovl. 9 maart 1881, tr. Kralingen 1 juli 1842 Pieter Johannes Sijpesteijn, ververskecht, zoon van Gerrit Sijpesteijn en Aletta Leurs;

Uit het tweede huwelijk:

8. Gerrit Hendrik, geb. Rotterdam 15 april 1837, ovl. Rotterdam 25 mei 1837;

9. Anna Jacoba, geb. Rotterdam 30 aug. 1838, ovl. Rotterdam 05 nov. 1838.
 

De kinderen van Aart werden onder de naam Van den Brander gedoopt. Bij zijn tweede huwelijk liet hij voor de burgerlijke stand een verklaring afleggen door getuigen die verklaarden dat zijn familienaam Van den Brande was en dat zijn vader die naam ook altijd had gevoerd. Aart tekende ook met de naam van Van den Brande.

Aart kocht op 29 november 1793, voor schout en schepenen van Kralingen, van Jacob Knegtmans "een stuk warmoeziersland, twee woonhuijsen, loots en turfschuur, gelegen in de Westlandse Buurt agter den Oudendijk in dezen ambacht te verongelden voor 300 roeden, belend ten oosten Matthijs van Zanten, ten zuijden en westen de weduwe van Willem de Lange, ten noorden Tijs van Zeventer". De koopprijs was f 2.800, waarvan f 300 contant werd voldaan en f 2.500, door het overnemen van een schuld.

Aart van den Brander compareert 27 april 1804 voor schepenen van Kralingen en transporteert dan aan Huybert van Lockhorst “een stuk warmoeziersland met twee woonhuijzen, loots en turfschuur daarop staande, gelegen in de Westlandsche Buurt agter den Oudendijk onder dezen ambacht, belent ten oosten Maarten van Zanten, ten zuijden en westen Maria Kaze weduwe van Willem de Lange, ten noorden de erfgenamen van Matthijs van Zevender, groot ofte verongelden voor 300 roeden (...) staande in de verponding op no. 160 en tot f 5,-” De akte vermeldt in de marge een koopprijs van f 2.500,- maar de akte vermeldt: dat de comparant verklaarde “van deze gift voldaan en betaalt te zijn met ‘t mortificeeren en vernietigen van een schuldrentebrief op den 29 october 1784 door Jacob Knegtmans ten behoeve van mejuffr. Maria Lockhorst, wed. Bernardus de Wit, gepasseert en op dit getransporteerde speciaal gehypothequert, bij comp[arant] op heden gequiteerd ontvangen.”

Na de verkoop van zijn land huurde Aart een huis aan de Slakade en werd hij commies bij de Stedelijke Belasting.

 

XIIe. Bastiaan van den Brande, ged. Rotterdam 5 januari 1777, tuinder, woonde aan de Oudedijk, ovl. Kralingen 9 mei 1858, tr. Maartje van Walraven, dr. Pieter van Walraven en Barbara van Eik, ovl. 8 maart 1836.

Uit dit huwelijk geb. Kralingen:

1. Margaretha, geb. 8 jan. 1811, ovl. Kralingen, won. aan de Warmoezierslaan 12 feb. 1875, tr. Kralingen 16 juni 1835 met Cornelis van Zanten, zoon van Leendert en Cornelia van Eck;

2. Barbara, geb. Rotterdam 26 jan. 1813, ovl. ongehuwd Kralingen, won. aan de Oudedijk, 8 dec. 1881;

3. David, geb. Rotterdam 9 aug. 1814, ovl. 11 sept. 1826;

4. Bastiaan, geb. aug. 1818, ovl. 26 juli 1819;

5. Pieter, geb. 4 dec. 1816, ovl. Kralingen 2 aug. 1833;

6. Willem, geb. 18 juni 1820, ovl. 19 aug. 1822;

7. Bastiaan, geb. 19 sept. 1821, ovl. 5 maart 1822;

8. Trijntje, geb. 30 sept. 1822, ovl. Kralingen, won. aan de Oudedijk, 25 okt. 1894;

9. Willem, geb. 9 juli 1825, tuinder, ovl. ongehuwd Kralingen 13 aug. 1887;

10. Dina, geb. 28 jan. 1824, ovl. 3 okt. 1824;

11. Dirkje, geb. 7 juni 1827, ovl. 15 juni 1827.


 

“Als eene bijzonderheid meldt men, dat bij den warmoezier Bastiaan van den Brande, woonachtig onder de gemeente Kralingen, aan den Oudendijk, in het voorjaar één aardappel in veertien stukken verdeeld en gelegd is; thans bij de delving is bevonden dat deze ééne aardappel ruim een kwart mud gezonde aardappelen heeft opgeleverd, zijnde bij telling bevonden 244 stuks, waarvan slechts één door de ziekte was aangetast.” 18 sept 1855 Dordrechtse Courant


 

XIIIa. Jacobus van den Brande, geb. 13 mei 1794, ged. Rotterdam 25 mei 1794, tuinder, kroosheemraad Kralingen (benoemd 1822), notabele Ned. Herv. Kerk Kralingen, gemeenteraadslid Kralingen 1851, woonde aan de Vriendenlaan, ovl. Kralingen 22 oktober 1854, tr. Kralingen 15 april 1826, Neeltje Kleijwegt, wed. van Jan van Vessem, dochter van Leendert en Maria van der Tas.


 

XIIIb. David van den Brande, geb. Kralingen 12 dec. 1798, tuinder, ovl. Kralingen 24 sept. 1880, tr. Rotterdam 9 mei 1827 met Clasina van Oversteeg, dochter van Johannes en Geertruij Struijk, geb. Rotterdam 1 aug. 1805, ovl. Kralingen 9 aug. 1884. Zij woonden aan de Warmoezierslaan 58 te Kralingen.

Kinderen geboren te Kralingen:

1. Pieter, geb. 13 feb. 1828, tuinder, ovl. ongehuwd 26 december 1888 te Kralingen. Zijn overlijdensannounce vermeldt als zijn adres Warmoezierslaan 58.

2. Geertruij, geb. 30 april 1829, ovl. Rotterdam 3 mei 1915, tr. Kralingen 27 juli 1853 Dirk den Dikkenboer, zoon van Cornelis en Pieternella van der Wal;

3. Anna, geb. 17 dec. 1830 ovl. Rotterdam-Kralingen 11 december 1923;

4. Clazina, geb. 26 juni 1833, ovl. Delfshaven 1 nov. 1885, tr. Kralingen 10 dec. 1862 Hendrik Gillis Boekhout, zoon van Johannes en Wilhelmina Edenburg;

5. Margrietha, geb. 21 april 1835, ovl. 29 okt. 1836;

6. Margrietha, geb. 25 april 1837, ovl. Rotterdam 29 nov. 1887, tr. 10 jan 1872 Gerrit Westerduijn, koopman, zoon van Cornelis en Adriana van Heel.

7. Johannes, geb. 10 maart 1839, ovl. 4 feb. 1841;

8. Krijntje, geb. 2 juli 1840, ovl. 4 feb. 1841;

9. Johannes, tuinder, ovl. ongehuwd 16 oktober 1893 te Kralingen, hij woonde aan de Warmoezierslaan 58.


 

XIIIc. Gerrit van den Brande, geb. Kralingen 8 april 1805, mr. loodgieter, eigenaar van een loodgietersaffaire, ovl. Rotterdam 25 februari 1872. Hij tr. Kralingen 11 mei 1838, Anna van Vessem, geb. Rotterdam 24 nov. 1816, dochter van Jan van Vessem en Neeltje Kleijweg.

Kinderen geboren te Rotterdam:

1. Pieter, geb. 19 jan. 1839, ovl. 1 feb. 1839;

2. Anna, geb. 18 jan. 1840, ovl. 6 maart 1840;

3. Pieter, geb. 8 jan. 1841, ovl. 9 jan. 1844;

4. Jan, geb. 27 sept. 1842, ovl. 5 okt. 1842;

5. Neeltje, geb. 31 aug. 1843, tr. Rotterdam 9 juni 1870, Adrianus Cornelis van Dam, zoon van Gerrit en Adriana Woudenberg; ovl. Rotterdam 17 mei 1889.

6. Anna, geb. 30 jan. 1845, ovl. 5 okt. 1847;

7. Anna, geb. 17 mei 1848, ov. 10 okt. 1849;

8. Maria, geb. 28 okt. 1849, tr. Rotterdam 25 sept. 1890 Adrianus Cornelis van Dam, de weduwnaar van haar zus Neeltje.


 


 

XIIId. Johannes van den Brande(r) geb. Kralingen 27 juni 1794, tuinder, ovl. Rotterdam 22 nov. 1851. Hij tr. Rotterdam 10 jan. 1827 met Neeltje van den Bosch, dochter van Maria Appeldoorn (die getrouwd was met Eijmbert van den Bosch), geb. Zijderveld 28 nov. 1800, groenteverkoopster, ovl. Kralingen 25 nov. 1879. Zij woonden te Kralingen aan de Oost- en Beneden Zeedijk, Slakade en Hoogenzeedijk.

Kinderen geboren te Rotterdam:

1. Jan, geb. 1 nov. 1828, volgt XIVa.

2. Aart, geb. 8 mei 1831, volgt XIVb.

3. Pieter, geb. 18 mei 1834, volgt XIVc.

4. David, geb. 29 aug. 1836, ovl. 25 nov. 1837;

5. Margaretha, geb. 20 nov. 1838, tr. als "Margje van den Brande" Rotterdam 15 mei 1861 Cornelis van Otteren, schrijnwerker, zoon van Jacob van Otteren en Christina Meeuse;

6. Margrietha, geb. 6 aug. 1842, tr. Rotterdam 11 aug. 1875 Marie Grootveld, schrijnwerker, zoon van Johannes en Maria van der Mast;

7. Maria, geb. 28 mei 1845, tr. Rotterdam 13 mei 1868, Pieter Cornelis de Graaf, pakhuisknecht, zoon van Cornelis en Helena Delfgaauw. Bij haar huwelijk wordt haar vader vermeld als "Jan van den Brande, ook geschreven Johannes van den Brander".


 

XIIIe. David van den Brande, geb. Kralingen 7 feb. 1798, schoenmaker, brugwachter, ovl. Rotterdam 20 dec. 1871, tr. Rotterdam 21 mei 1828 Johanna Valk, geb. Rotterdam 1 aug. 1805, dochter van Dirk en Jacoba Koens. Zij woonden aan de Slakade te Kralingen en aan de Meent te Rotterdam.

Kinderen geboren te Rotterdam:

1. Marrigje, geb. 6 april 1829, ovl. 22 nov. 1829;

2. Dirk, geb. 18 sept. 1830, ovl. 3 feb. 1833;

3. Marrigje, geb.12 jan. 1835;

4. Jacoba, geb. 30 mei 1838, ovl. Rotterdam 1 aug. 1878 (ongehuwd);

5. Jansje, geb. 17 jan. 1841, ovl. Rotterdam 25 aug. 1899 (ongehuwd);

6. Maria, geb. 4 juli 1843, ovl. Rotterdam 17 juli 1902, tr. 27 augustus 1873, Bartholomeus Johannes Moll, zoon van Hendrik en Adriana Kuijk.

6. David, geb. 2 jan. 1847, ovl. 4 jan. 1849;

7. David, geb. 5 maart 1850.


 

XIIIf. Pieter van den Brander, geb. Kralingen 2 april 1801, ovl. Zoeterwoude 1 feb. 1874, meesterknecht op oliemolen te Zoeterwoude, tr. Kralingen 14 november 1828 Teuntje Mulder, dochter van Hendrik Mulder en Maria Schell, geb. Rotterdam 15 september 1805. Zij verhuisden naar Zoeterwoude waar zij in huis nr. 365 woonden. Pieter tekende met de achternaam Van den Brander. Uit dit huwelijk geboren te Zoeterwoude:

1. Teuntje, geb. Kralingen 6 maart 1831, tr. 11 nov. 1858 in Zoeterwoude met Jan van den Brander, zoon van Johannes (Jan) van van den Brander en Neeltje van den Bosch. Zie XIVa.

2. Pieter, geb. Zoeterwoude 27 augustus 1833, volgt XIVd.

3. Johan Frederik geb. Zoeterwoude 21 nov. 1834, volgt XIVe.

4. Aart, geb. Zoeterwoude 24 sept. 1836, volgt XIVf.

5. George Frederic, geb. Zoeterwoude 20-02-1838, tr. Zoeterwoude 06-08-1874 Hendrika van Enk, geboren in 1843 in Wijhe, dochter van Asjen van Enk en Berendina Berends.

6. Johannes, geb. Zoeterwoude 20 okt. 1839, overl. aldaar 8 juni 1840;

7. Johannes, geb. Zoeterwoude 18 jan.1841, volgt XIVg.

8. Willem Frederik, geb. Zoeterwoude 20 juli 1843, volgt XIVh.

9. Johan Christofeel, geb. Zoeterwoude 1 april 1846 volgt XIVi.


 

Op 6 november 1818 wordt voor het Hof van Assisen de zaak tegen Pieter van den Brander behandeld. Pieter van den Brander is 17 jaar, geboren te Kralingen, ongehuwd en van beroep baandersknecht. Hij wordt beschuldigd van diefstal in dienstbetrekking in het tweede kwartaal van hetzelfde jaar. Pieter handelde niet alleen. De vijftienjarige Willem Kruiswegt, eveneens baandersjongen, wordt ook in staat van beschuldiging gesteld. De eis luidt 3 jaar tuchthuis. Het vonnis is aanmerkelijk lichter. Pieter wordt veroordeeld tot zes maanden tuchthuis en betaling van de proceskosten. Zijn compaan Willem wordt veroordeeld tot vier maanden huis van correctie (verbeterhuis) en betaling van de proceskosten.


 


 

XIIIg. Willem van den Brande(r), geb. Kralingen 14 oktober 1803, onderwijzer, ovl. Kralingen, 5 april 1891. Hij tr. Rotterdam 30 juli 1828 Maria Huberta Onderberg, dochter van Hendrik Onderberg en Neeltje Vurons, geb. Kralingen 20 april 1809, ovl. 20 september 1892. Zij woonden aan de Slakade te Kralingen. Willem tekende bij zijn huwelijk in 1828 met de naam “Van den Brander”. Later tekent hij met de naam “Van den Brande”.

Kinderen geboren te Kralingen-Rotterdam:

1. Margje, geb. 29 okt. 1828, ovl. 1 maart 1829;

2. Neeltje, geb. 5 feb. 1839, ovl. 3 mei 1839;

3. Willem Adolf Hendrik, geb. 14 feb. 1842, ovl. 16 mei 1842;

4. Adolf Hendrik, geb. 22 juli 1843, ovl. 16 mei 1843;

5. Neeltje, geb. 10 nov. 1846, ovl. 31 aug. 1847;

6. Hendrik, geb. 10 nov. 1846, ovl. 22 aug. 1846;

7. Willem Adolf Hendrik van den Brande, commissionair in effecten (commissiehandel in effecten en coupons), in 1892 hield hij kantoor aan de Hoogstraat te Rotterdam, ovl. Oosterbeek 1 oktober 1921, tr. 8 januari 1898 te Elst met ENGELINA MARGARETHA HORSTMANN, ovl. Oosterbeek 19 maart 1931.


 

XIVa. Jan van den Brande(r), geb. 1 nov. 1828, bakkerskecht, pakhuiskecht, tabakswerker, ovl. Rotterdam 20 juni 1891, tr. 11 november 1858 te Zoeterwoude, Teuntje van den Brander, dochter van Pieter van den Brande(r) en Teuntje Mulder, geb. Rotterdam 6 maart 1831, ovl. 22 feb. 1916. Zij woonden Warmoezierslaan (Kralingen) en in het Lijnbaanshofje.

Kinderen uit dit huwelijk geboren te Kralingen/ Rotterdam:

1. Teuntje, geb. 5 okt. 1859, tr. (1) Kralingen 27 okt. 1880 Pieter Strookman, tr. (2) Rotterdam 10 mei 1911 Leendert Breederveld;

2. Neeltje, geb. 29 sept. 1861, tr. Rotterdam 18 mei 1887 Johannes Peelen, bediende;

3. Jacoba Margretha, geb. 16 juli 1867, ovl. 11 dec. 1923, tr. Rotterdam 14 okt. 1891 Jan Rooderkerk, pakhuiskecht;

4. Pieternella, ovl. 3 april 1870;

5. Jan, geb. 4 maart 1870, lantaarnopsteker, ovl. 26 mei 1919 (ongehuwd);

6. Pieternella, geb. 25 okt. 1873;


 

XIVb. Aart van den Brande, geb. Rotterdam 8 mei 1831, tuinder, ovl. Rotterdam 16 aug. 1907, tr. (1) Rotterdam 22 augustus 1855 Neeltje van Kleef, dochter van Arij en Lena Bouwman, tr. (2) Rotterdam 11 dec. 1878 Hendrika Maria Hak, dochter van Gerrit Johanna Ooiman, weduwe van Adrianus den Draak, geb. 's-Gravenhage 3 sept. 1844.

Kinderen eerste huwelijk geboren Rotterdam/Kralingen:

1. Neeltje, geb. 26 juli 1856;

2. Arie, geb. 15 okt. 1857, ovl. 3 mei 1866;

3. Johannes, geb. 15 april 1862, volgt XVa.

4. Helena, geb. 20 juni 1865, tr. Rotterdam 24 juli 1889 Cornelis Mes;

5. Neeltje, geb. 6 maart 1867, tr. Rotterdam 1 nov. 1893 Willem Johannes van Willigenburg zoon van Jan en Cornelia van der Kulk.

Kinderen tweede huwelijk geboren Kralingen:

6. Cornelia, geb. 1 aug. 1880, tr. Jan van Willigenburg, zoon van Jan en Cornelia van der Kulk;

7. Arie, geb. 1 mei 1882, ovl. Rotterdam 16 dec. 1891;

8. Koosje, geb. 29 juli 1884, tr. Rotterdam als 17 okt. 1906 Adrianus Jacobus Hoogerwerf, zoon van Adrianus Jacobus en Adriana de Haas.


 

XIVc. Pieter van den Brande, geb. Rotterdam 18 mei 1834, tuinder (1853), pakhuisknecht, besteller op een Leidsche pakschuit, brievenbesteller, ovl. 21 mei 1905. Pieter tekende met de naam Van den Brande, terwijl zijn vader de naam “Van den Brander” had gevoerd. Hij tr. Rotterdam 20 juli 1864 Maria Petronella Nieuwendijk, geb. Vianen 22 december 1840, dochter van Willem (van den) Nieuwendijk, schipper, en Maaike van den Bosch. Zij woonden te Rotterdam: Jan van Loonstraat, Frederikstraat, Schotelboslaan en Bernadinastraat.

Kinderen geboren te Rotterdam:

1. Willemina, geb. 8 juli 1866, ovl. 5 augustus 1866;

2. Johannes, geb. 4 okt. 1867, ovl. 6 sept. 1870;

3. Maaike, geb. 19 mei 1870, ovl. 13 april 1871;

4. Maaike, geb. 19 sept. 1873, ovl. 5 feb. 1875;

5. Pieter, geb. 29 nov. 1875, brievenbesteller, tr. Rotterdam 6 juni 1906 Jacoba van den Bos, dochter van Pieter en Paulina Adriana Vis, (geen nageslacht);

6. Willem, geb. 27 nov. 1877 volgt XVb.

7. Maaike, geb. 9 juni 1880, ovl. 7 juli 1883;

8. Johannes, geb. 30 juli 1882, ovl. 21 juli 1883;

9.Johannes, geb. 1 juli 1886, ovl. 12 okt. 1898.


 


 

XIVd. Pieter van den Brander, geb. Zoeterwoude 27 augustus 1833, timmerman, ovl. Groningen, 12 mei 1919, tr. (1) Johanna Maria Koetsveld, tr. (2) Derkje Wulke van Malsen;

Uit huwelijk (1):

1. Pieter, geb. Leiden, ovl. Zoeterwoude 25 juni 1862;

2. Hendrica Jacoba, geb. Zoeterwoude 4 sept. 1862, ovl. ald. 2 okt. 1862;

3. Pieter, geb. Zoeterwoude 27 maart 1864, ovl. ald. 30 juli 1864;

4. Hendrica Jacoba, geb. Zoeterwoude 4 sept. 1865;

5. Pieter, geb. Zoeterwoude 2 sept. 1869;

6. Teuntje, geb. Zoeterwoude 22 juni 1871, ovl. ald. 28 april 1872

7. Pieternella , ovl. Groningen 19 juni 1961, tr. Abraham van Egmond.


 


 

XIVe. Johan Hendrik van den Brander geb. Zoeterwoude 21 nov. 1834, meesterknecht olieslagerij, ovl. Zoeterwoude 12 juni 1905, tr. Veur 13 mei 1874, Cornelia van Spengen, dochter van Johannes van Spengen en Johanna Vijftigschild, geb. Voorschoten.

Kinderen geb. te Zoeterwoude:

1. Teuntje, geb. 13 feb. 1875, ovl. Zoeterwoude 10 feb. 1880;

2. Adriana Johanna, geb. 2 sept. 1876, ovl. Zoeterwoude 21 okt. 1902;

3. Cornelia, geb. Zoeterwoude 18 feb. 1878, ovl. Zoeterwoude 24 juni 1901;

4. Johan Hendrik geb. 14 april 1880, volgt XVc

5. Johanna Petronella, geb. 25 juli 1882, ovl. Leiden 25 maart 1962;

6. Pieter, geb. 25 okt. 1889, ovl. Leiden 3 mei 1959;


 


 

XIVf. Aart van den Brander, geb. Zoeterwoude 24 sept. 1836, olieslager, geb. Zoeterwoude 24 sept. 1836, ovl. ald. 10 mei 1915, tr. Voorschoten 2 juni 1867 met Gerritje van Spengen, dochter van Johannes van Spengen en Johanna Vijftigschild, geb. Voorschoten.

Kind:

1. Pieter Johannes, geb. Zoeterwoude 24 april 1868, ovl. ald. 25 mei 1868.


 

XIVg. Johannes van den Brander, geb. Zoeterwoude 18 jan.1841, steenhouwer, ovl. 4 sept. 1869, tr. Leiden 19 aug. 1863 in Leiden met Cornelia Coppij, dienstbode (1863), dochter van Bartholomeus Coppij en Cornelia Bink.

Kinderen:

1 .Pieter geb. Leiden 2 aug. 1864 volgt XVd

2. .Cornelia Antonia, geb. Leiden 23 sept. 1866, huishoudster, ovl. Leiden 16 december 1918.


 


 

XIVh. Willem Frederik Hendrik van den Brander, geb. Zoeterwoude 20 juli 1843, ovl. Leiden 5 sept. 1899, timmerman, tr. Lijdia Sirag.

Kinderen:

1. Teuntje, geb. Zoeterwoude

2. Marcus, geb. Leiderdorp 8 jan. 1870, volgt XIIIe

1.Lydia, geb. Leiderdorp 25 maart 1877, tr. Leiden 29 juni 1898 Johannes de Kler;


 

XIVi. Johan Christoffel van den Brande, geb. Zoeterwoude 1 april 1846, kastenmaker, meubelmaker, tr. Zoeterwoude 30 maart 1876 Maria Johanna de Jong;

Kind:

1. Maria Johanna, geb. Leiden 27 maart 1882, modiste;

2. Geertruida Maria, geb. Zoeterwoude 31 okt. 1894;


 


 

XVa. Johannes van den Brande, geb. Kralingen 15 april 1862, voor 1897 herbergier in de Zandstraat te Rotterdam, koopman (1897) en kermisreiziger (1903), ovl. ‘s-Gravenhage 25 februari 1945, tr. Dordrecht 25 feb. 1897 Louise Knieper, geb. Höhr (Duitsland) 4 april 1877, dochter van Michael en Josephina Enders.

Kinderen:

1. Arie, geb. Dordrecht 18 december 1898 volgt XVIa;

2. Josephina, geb. ’s-Gravenhage 25 januari 1900, tr. ald. 17 okt. 1923 Charles Emile Pieters;

3.Johannes geb. ’s-Gravenhage 30 december 1901, smid, volgt XVIb;

4.Michael, geb. ’s-Gravenhage 28 maart 1903, meubelmaker, later winkelier.

5. Louise, geb. Rotterdam 18 april 1905, had een zoon genaamd Michael Groeneweg.

6. Elisabeth Geertruida, geb. Dordrecht 2 juni 1907, ovl. ald. 14 juni 1907;

7. Jacob, geb. ‘s-Gravenhage 8 mei 1909;

8. Maria, geb. ‘s-Gravenhage 9 april 1911, tr. Rudolf Arnold Gerard Johannes Baron Sloet tot Everlo;

9. Elisabeth, geb. ‘s-Gravenhage 5 november 1913;

10. Cornelia, geb. ‘s-Gravenhage 27 november 1916 tr. Julius Johannes Kolijn


 

XVb. Willem van den Brande, geb. Rotterdam 27 nov. 1877, kantoorbediende, vanaf ca. 1910 expeditiebaas, werkte ruim dertig jaar als hoofdbaas bij Plouvier’s Transport Compagnie N.V. en N.V. Vola Transport Mij, ovl. Rotterdam 2 feb. 1940. Hij tr. Rotterdam 16 mei 1900 Maria Wilhelima van der Kuij, dochter van Jan van der Kuij, timmerman, en Apolonia Veerman, geb. Waddinxveen 21 juni 1877 - zij woonde vanaf 1879 met haar ouders aan de Vlietkade te Kralingen.

Kinderen geboren te Rotterdam:

1. Maria Petronella, geb. 7 oktober 1900, tr. Cornelis Romein;

2. Apolonia Adriana, geb. 31 aug. 1902, tr. Dirk Gerard van Brussel;

3. Pieter, geb. 24 sept. 1903 volgt XVIc;

4. Jan, geb. 21 dec. 1905, tr. volgt XVId;

5. Adriaan, geb. 11 jan. 1908, tr. volgt XVIe;

6. Maaike, geb. 1 maart 1909, tr. Vries Strookman;

7. Willem, geb. 8 mei 1910, tr. Joanna Woutherina Koelewijn;

8. Wilhelmina Maria, geb. 25 okt. 1912 tr. Willem van der Spek;

9. Margaretha, geb. 9 maart 1914;

10. Hendrik, geb. 11 dec. 1916 tr. Johanna van der Waag.


 


 


 

XVc. Johan Hendrik van den Brander, geb. Zoeterwoude 14 april 1880, olieslager op de stoom-olieslagerij de Fortuijn te Zoeterwoude (1902), ovl. Velsen 11 jan. 1920, tr. Jacoba Does, dochter van Nicolaas Does en Betje van ’t Veldt;

Kinderen:

1. Cornelia Adriana, geb. Hilversum 22 april 1913, ovl. 2 december 1953, tr. Jacobus Rol;

2. Elisabeth Klasina, geb. Ermelo 16 september 1915;

3. Johanna Jacoba, geb. Emmen 15 november 1916.


 


 

XVd. Pieter van den Brander, geb. Leiden 2 aug. 1864, hoofdboekhouder-kassier Leidsche Spaarbank, ovl. ald. 5 maart 1919, tr. Leiden 24 juni 1891 Clasina Elisabeth van Oosten, geb. 27 feb. 1871;

Kinderen geb. Leiden:

1.Cornelia Clasina, geb. 2 april 1892, tr. 4 maart 1915 Jean Corneille Pierre van Erkel, dominee;

2.Willem, ovl. 1905

3.Johannes, geb. 8 maart 1897, directeur maatschappelijk hulpbetoon en secretaris armenraad , tr. Gre Gerritse; zij hadden twee kinderen. Daaruit verder geen nageslacht.


 


 


 

XVe. Marcus van den Brander, geb. Leiderdorp 8 jan. 1870, timmerman, later agent ziekenfonds, ovl. Leiden 12 maart 1948, tr. Leiderdorp 30 juni 1896 Maria Catharina van Hest, ovl. Leiden 23 juli 1941;

Kinderen:

1. Lijdia, geb. Leiden 17 juli 1897 ovl. Amsterdam 23 feb. 1985, tr. Leiden 20 dec. 1924 Willem Marinus

Ragut, inspecteur van politie;

2. Maria Catharina, geb. Leiden 25 okt. 1898, ovl. Katwijk 28 oktober 1981, tr. Leiden 8 augustus 1925 Arie Veldmeijer, tekenaar;

3.Willemina Frederika, geb. Leiden 11 augustus 1902, tr. Leiden 7 maart 1925, Frikke Dirk Nanning, waterschapsambtenaar;

4.Antoinette Elisabeth, tr. C. Dorreboom.


 


 

XVIa Arie van den Brande, geb. Dordrecht 18 december 1898, koopman, tr. 8 jan. 1927 Wachenbuchen, Duitsland, Rieda Strauß, dochter van Samuel Strauß en Antonie Stern.

Kinderen:

1. Louise Anthonie (Liesel), geb. Frankfurt 10 maart 1928. Liesel van den Brande tr. Albert Grünberg, zij ovl. 26 aug. 1999 Amstelveen.


 

XVIb Johannes van den Brande, geb. ’s-Gravenhage 30 december 1901, smid, tr. ‘s-Gravenhage 17 april 1929, Johanna Maria Wilhelmina Hulsker, dochter van Cornelis David Hermanus Hulsker, gasmetermaker, en Antonia Maria Hulscher.

Kinderen:

1. Michael geb. ‘s-Gravenhage 3 augustus 1929. Michael van den Brande heeft kleinkinderen.


 

XVIc. Pieter van den Brande, geb. Rotterdam 24 sept. 1903, emigreerde naar de Verenigde Staten, hij woonde op Long Island (NY) en had een dochter genaamd Eva Lucille.


 

XVId. Jan van den Brande, geb. Rotterdam 21 dec. 1905, slager, tr. Rotterdam 15 april 1931 Adriana Johanna Elisabeth Koopman, dochter van Hendrik Koopman, winkelier, en Maria Anna Schilperoord.

Kinderen:

1. Willem (heeft kleinkinderen )

2. Johan Pieter (heeft kleinkinderen)


 

XVIe. Adriaan van den Brande, geb. 11 jan. 1908, voorman havenbedrijf, tr. 24 oktober 1934 Henriette Johanna Maria Rademakers.

Kind:

1. Adriaan Willem Johannes (heeft kleinkinderen)


 

Contact