Stamboom Van den Brande

Op deze website vindt u de stambomen van de familie Van den Brande, die vanaf 1290 voorkomt in het Land van Breda; in het bijzonder in de omgeving van Etten-Leur.

Uit deze familie stamt in rechte mannelijke lijn ook een familie Van Etten, Maaten en Maten.

Een Rubens ter nagedachtenis aan de ouders

Rond 1637 maakte de bekende Vlaamse schilder Peter Paul Rubens het hierboven afgebeelde schilderij van Maria’s hemelvaart - een groot altaarstuk ter nagedachtenis aan Theodore Schotte en Elisabeth van den Brandt. De opdracht aan Rubens werd gegeven door hun zonen Charles en Johannes Angelus Schotte, nadat hun ouders waren overleden. Dit blijkt uit het Latijnse epitaaf op het altaarstuk.

Rubens maakte meerdere altaarstukken met Maria’s hemelvaart of de tenhemelopneming van Maria. Het onderhavige stuk is het laatste en tevens het grootste: 5 meter hoog en 3,5 meter breed. Het laat Maria zien omringd door vijf putti en twee grote engelen. Haar hemelvaart wordt gade geslagen door de apostelen die zich rond haar lege graf hebben verzameld.

De afbeelding van Maria’s hemelvaart was destijds populair bij traditionele katholieken, die de verering van Maria een belangrijke plaats gaven in de contrareformatie. Het echtpaar waarvoor het altaarstuk werd gemaakt passte zeker in die traditie.

Elisabeth van den Brandt (of: Brande), geboren 1558, stamde uit een Bredase tak van de familie Van den Brande, die als traditioneel katholiek kan worden gekenschetst. Haar vader, de jurist Mr. Claes Thomasz van den Brandt, was schepen van Breda geweest, maar zijn herbenoeming werd door Willem van Oranje geblokkeerd vanwege zijn traditioneel katholieke en anti-protestantse houding. Elisabeth’s oom Mr. Willem van den Brande was priester-pastoor op het groot begijnhof te Mechelen en hij schreef een Tractaat over de Geheimenissen van de Mis.

Ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog trok Elisabeth met haar vader naar Antwerpen en Brussel en daar zal zij haar man Theodore Schotte hebben ontmoet.

Mr. Theodoor Schotte was ook duidelijk anti-protestants. Hij was raad van de Spaanse koning en auditeur-generaal van het Spaanse leger in de lage landen. Hij behoorde tot de magistraat van Brussel en was daar pensionaris. Een broer van Theodoor was prior van het kartuizerklooster te Lier.

Het schilderij dat hun zonen lieten maken door Rubens, was bedoeld om hun ouders te gedenken. Het gaf de opdrachtgevers en hun familie echter ook status. Het schilderij was bestemd voor de kerk van de Karthuizers in Brussel en kostte in die tijd een kapitaal. Rubens bracht voor een vergelijkbaar altaarstuk 1500 gulden in rekening.

Het altaarstuk bevindt zich nu in de collectie van de Prins van Liechtenstein te Wenen. Wanneer het daar terecht is gekomen is onzeker. Het lijkt erop dat het na de donatie door de broeders Schotte tot ca. 1755 in de kerk van de Karthuizers heeft gehangen, want die lieten toen een kopie van het werk van Rubens maken.

De kerk bevond zich in de huidige Kartuizerstraat en Johannes Angelus Schotte was daar na een (korte) militaire loopbaan in 1632 monnik geworden. Hij werd ook Ange Schotte genoemd.

Niet lang na het maken van de kopie in 1755 duikt het origineel op in het bezit van de Van Liechtensteins. Die stellen dat het al sinds 1643 in hun bezit was maar daarvoor is geen bewijs voorhanden. Wel maakte een hofschilder van de Van Liechtensteins toen een kopie van een Maria’s hemelvaart van Rubens.

Wat daar verder van zij, het doel van de gebroeders Schotte om een blijvende nagedachtenis aan hun ouders te creëren is zeker geslaagd.

Read more

The history of the Van den Brande family, with the branches Maaten en Van Etten

Part 1 - the first 200 years: 1250-1450


Introduction

This blog tells the story of the Van den Brande family from the Netherlands.

Two branches of this family adopted a different name in the 17th century: Maaten and Van Etten.

The family genealogy has been proven by in-depth DNA-research.

This part 1 deals with the origin of the family in the 13th century and the further family history until 1450.

The origin

As of the 13th century the Van den Brande family can be found in (the vicinity of) Etten-Leur. Etten-Leur is situated 10 kilometres to the west of the city of Breda, in the south of the Netherlands.

The family probably belonged to the settlers that came from the south – nowadays Belgium - in the second half of the 13th century. These settlers cultivated a large part of Etten-Leur that was still unoccupied at the time. This settlement was regulated by a deed of 1268, in which Hendrik, lord of Breda, granted rights to the men living at Etten.

The first Van den Brande’s

The first - but not the oldest - family member mentioned is a Jan van den Brande (in Latin: Johannes de Brande), who was born somewhere between 1240 and 1260. In a Latin deed dated 8 September 1287 the dean of the monastry of St. Catharinadal transfered to him 45 acres of land at Lies. Lies is an area located immediatley east to the land that was occupied by the aforementioned settlers, some 20 years earlier. The plot of land – that was in 1287 only partly cultivated – formed part of a large donation made by Arnoud van Leuven and his wife Isabella, lord and lady of Breda, to the monastry in 1279.

The oldest Van den Brande is mentioned in a Latin deed dated July 24, 1293, a copy of which is kept at the Abbey of St. Bernard in Belgium. In this deed Hendrik van den Brande, born around 1220-1240, establishes a tribute ( leasehold ) on a plot of land at Sprundel (south of Etten) to the Abbey of St. Bernard. The deed is made before four man, one of which is Hendrik’s son: Arnoldus filius Henrici de Brande, who was born before 1268. In Dutch the son was called Arnoud or Aert van den Brande.

The Jan van den Brande mentioned in the deed of 1287 might have been an older son of Hendrik van den Brande. He probably bought the land from the monastry to start his own farm.

Whether or not Jan en Aert (Arnoud) van den Brande were brothers, in the 200 years that followed, the names Jan and Aert were the dominant names within the family.

Social status

In the period 1250-1450 the family belonged to a class of large farmers who enjoyed certain legal privileges attached to their status.

The family lived as other peasants in timber-framed farmhouses with stables where they kept their cattle in the winter.

Family members participated as member in the local council of the settlers land at Etten-Leur. This council had a civil law function (mostly registration of property transactions) and adminstered justice. The council was headed by a sheriff. Around 1450 Cornelis Jans van den Brande was sheriff of Etten and headed the council.

The family maintained strong relations with the cities of Antwerp and Leuven. The council deeds of the city of Antwerp from about 1390 and onwards still exist.

In these deeds the Van den Brande’s from Etten-Leur appear to confirm property transactions. They also appear in the council deeds of Leuven, a Belgian city almost 90 kilometres south of Etten-Leur.

The appearance before the council of Leuven can be explained by the fact that this council had jurisdiction over the Sint-Pietermannen (=the Men of Saint Peter). The Men of Saint Peter had in medieval times several privileges, one of them was that they could only be sued before the council in Leuven, also if they lived in the land of Breda. The Van den Brande’s also had family relations with families such as Van Ypelaer and Heys that belonged to the Men of Sint Peter. Even in 1520 – when the privileges of the Men of Saint Peter were limited in the land of Breda - a Jan van den Brande relied on his privilege that he could only be sued in Leuven.

This link with Leuven and the Men of Saint Peter is interesting. It might very well be that Van den Brande’s came to Etten-Leur when (or shortly before) Arnoud van Leuven married the Lady of Breda in 1268. As mentioned above, Jan van den Brande bought in 1287 the land that this couple donated to the monastry St. Catharinadal. Jan’s family may have been working this land when the monastry acquired it in 1279.

In the Middle Ages, marriages were mostly concluded between people of the same social status. So marriages are relevant to determine this status. Around 1415 Heilwich Jans-daughter van den Brande from Etten-Leur married Franck van Cuijck, lord of Meer, which marriage brought her the title lady. Her sister Soete van den Brande married as a young widow with Peter Arnout Heys, a Man of Sint Peter whose family owned (a large part of) the wood of Lies (=Liesbos).

Around 1450, the family also delivered the priest of Etten – again a family member called Jan van den Brande. Traditionally, only free men could become priests, but this rule may have become outdated at the time.

Whatever their social status entailed, the Van den Brande’s life was similar to that of most large farmers in the Middle Ages. They mainly lived from the proceeds of their land and cattle. They, however, also made a living out of large exploitations of peatland, as will be discussed further below.


The family members around 1300, 1350, 1400 and 1450

Around 1300, 1350, 1400 and 1450 we find the following Van den Brande’s in Etten-Leur (minors excluded):

1300

1. Jan van den Brande, born before 1262.

2. Aert van den Brande, born before 1268.

1350

1. Jan van den Brande, council member of Etten-Leur in 1353.

1400

1. Jan van den Brande, council member of Etten-Leur in 1389.

2. Aert van den Brande, born around 1375.

3. Merten van den Brande, born before 1370.

4. Peter van den Brande, born before 1370.

1450

1. Cornelis Jans van den Brande, council member of Etten-Leur and sheriff, with his sons and daughters.

2. Adriaen Jans van den Brande (brother of 1)

3. Soete Jans van den Brande (probably sister of 1 and 2).

4. Claes Adriaens van den Brande (son of 2)

5. Cornelis Aerts van den Brande, council member of Etten.

6. Jan Aerts van den Brande (brother of 5 and 7) with his son(s) and daughter.

7. Anthonis Aerts van den Brande (brother of 5 and 6), with his sons and daughters.

8. Hendrik Mertens van den Brande, with his son.

9. Dyrck Mertens van den Brande (brother of 8).

Anthonis Aerts van den Brande (7), born around 1415 and son of Aert van den Brande and his wife Gheyle, is the ancestor of the families Van den Brande of Rotterdam, Maaten and Van Etten. The ancestral line of the first two families to Anthonis, has been proven by state of the art DNA-research of the Y-DNA of two male descandants.

The family property in the 14th and 15th century

In the 14th century members of the Van den Brande family owned land in the area allocated to the aforementioned settlers. In the 14th century, two family members – both named Jan - were member of the local council that had jurisdiction over the settlers land.

Around 1400 there were two Van den Brande’s who owned land there: Jan and Aert van den Brande. Their farmhouses were situated on the higher grounds in the east of Etten-Leur, at a place called Attelake.

The grass land and meadows lay at lower grounds in an area called Elshout (north of Attelake) and in an area south of Attelake. In total the descendants of Jan and Aert van den Brande owned more than 75 acres at Attelake and Elshout, around 1450. They also owned land at several other places in Etten-Leur. In addition to that they owned large plots of peatland.

The farms were originally large, but with each generation the land got divided in smaller plots, which lead several family members to move to other locations and/or to other professions . In the 15th century several branches of the family moved to Breda. Aert van den Brande (an ancestor of the family Van den Brande of Rotterdam) moved in 1479 to Bavel, a place 5 kilometres to the east of Breda, were he bought a farm.

The exploitation of peatland

In the south and south-west Etten-Leur borders on very large peatlands. As of the 13th century, monastries from nowadays Belgium started to the exploit these peatlands to produce peat (also called turf). In the late Middle Ages peat was the fuel that kept the large Belgian cities warm.

As of 1400, the peat production in the vicinity of Etten-Leur was mainly in local hands. The farmers of Etten-Leur acquired large stakeholdings in the peatland. Also the Van den Brande’s participated and, especially, Cornelis Jans and Adriaen Jans van den Brande had large stakeholdings.

To transport the peat the farmers had to dig long canals from the peatland to Etten-Leur. These canals were just wide enough for a small boat that could transport the peat to the harbour of Etten-Leur where the peat was transferred to larger boats. The canals had several canal locks to regulate the water level, one of these locks was called the “Aert vanden Branden spuye”.

For hunderds of years the peat was an important business for Etten-Leur and the family Van den Brande.

1400-1450: floodings

In the period 1400-1450, the area north of Etten-Leur was several times flooded by the sea. This had severe consequences for the land owned by the Van den Brande’s north of Etten-Leur.

Cornelis Jans van den Brande owned a large plot of land – probably 150 acres - at Zonzeel, approximately 10 kilometres north of Etten-Leur. The land that Cornelis acquired from the lord of Breda land was flooded by the infamous St. Elizabeth flood of 1421. As a result of the flooding, Cornelis stopped paying his tribute to the lord of Breda, who subsequently repossessed the land.

Closer to Etten-Leur, the Van den Brande’s owned land in Elshout. Also this land lay unprotected to the sea. The owners of the land – among which several Van den Brande’ - elected a board consisting of two men – one being Cornelis Jans van den Brande- to manage their joint interest. This board initiated the building of dikes which turned the Elshout into a typical Dutch polder.


To be continued.

Read more

DNA Bekend

Een genealogie op papier die reikt tot in de Middeleeuwen is mooi. Maar de vraag die zich snel opdringt is: klopt die wel? Voor 1500 is het bronnenmateriaal vaak beperkt en aannames zijn al snel een valkuil voor de genealoog die geneigd is familietakken aan elkaar te plakken.

DNA-onderzoek biedt tegenwoordig een mogelijkheid om de genealogie op papier op biologische werkelijkheid te testen.

De familie Van den Brande uit Rotterdam-Kralingen stamt af van Aert van den Brande die in 1522 woonde aan de Groenstraat (een buurtschap op de grens van Oosterhout en Dongen). Archiefonderzoek heeft veel aanwijzingen opgeleverd dat deze Aert van den Brande een zoon was van Aert Anthonis Aertsz van den Brande, die uit Etten-Leur afkomstig was en rond 1440 moet zijn geboren.

Jarenlang onderzoek in archieven heeft echter geen bewijs opgeleverd, waarmee deze waarschijnlijkheid tot werkelijkheid kon worden verheven.

De genoemde Aert Anthonis Aertsz van den Brande had een broer Laureys, wiens nageslacht zich in zeventiende eeuw Maet en later Maaten ging noemen.

In de zomer van 2018 vergeleken een afstammeling in rechte, mannelijke lijn van Laureys Thonis Aertsz van den Brande (een lid van de familie Maaten) en een afstammeling uit de Rotterdams-Kralingse tak van de familie Van den Brande, die dus van Aert Thonis Aerts van den Brande zou moeten afstammen, de resultaten van een onderzoek naar hun Y-DNA (= Y-chromosoom).

Het Y-DNA wordt van vader op zoon doorgegeven. Als de beide afstammelingen in rechte, mannelijke lijn verwant zouden zijn, dan zou dat dus op basis van hun Y-DNA moeten kunnen worden vastgesteld. Een positief resultaat zou hun afstamming op papier bewijzen. Maar hoe waarschijnlijk is dat? Het gaat – bij een positief resultaat- om de afstammelingen van Anthonis Aertsz van den Brande die rond 1415 moet zijn geboren. De beide afstammelingen zijn ongeveer 550 jaar en 16 generaties van deze mogelijke voorvader verwijderd.

Ondanks deze grote tijdspanne toont het uitgevoerde DNA-onderzoek aan dat beide afstammelingen in rechte mannelijke lijn aan elkaar verwant zijn. In totaal zijn 67 short tandem repeats (STRs) op het Y-chromossom vergeleken en daarvan bleken 62 hetzelfde te zijn. Dit stemt overeen met een gemeenschappelijke voorouder in de mannelijke lijn binnen 16 generaties. Behalve deze overeenstemming bleek ook dat het Y-DNA van beide afstammelingen unieke kenmerken heeft die niet bij andere families zijn vastgesteld.

Kortom, wat een papieren mogelijkheid was, is nu een biologische werkelijkheid. Een bijzonder resultaat, want het komt maar zelden voor dat een afstamming tot circa 1415 ook daadwerkelijk met DNA-onderzoek wordt bewezen.

Read more

Album amicorum Francisci van den Brande, Antwerpia 1609-1612

Francisco van den Brande (zoon van Matthijs Anthonisz van den Brande en Laurentia Danij) liet in 1609 te Antwerpen een Album Amicorum maken. In dit boekje liet hij zijn familiewapen afbeelden. 

Read more

Die men heet Van den Brande, vernoeming in de vrouwelijke lijn

In de late Middeleeuwen werden de oudste kinderen in een gezin vernoemd naar hun grootouders. Meestal kwamen de ouders van de man als eerste voor vernoeming in aanmerking. Anders dan nu werd bij vernoeming soms ook de achternaam van de vernoemde persoon doorgegeven.

Bij de familie Van den Brande uit Etten-Leur komt dit gebruik veel voor. Het werkte echter maar een kant op: afstammelingen in vrouwelijke lijn werden aangeduid als Van den Brande, maar andere achternamen kwamen niet de familie in. Het gebruik van de naam Van den Brande bij afstammelingen in vrouwelijke lijn was soms tijdelijk, maar de naam werd ook wel blijvend overgenomen.

Een goed voorbeeld betreft de afstammelingen van Aert van den Brande, geboren ca. 1390 of eerder, en zijn vrouw Gheyle. Zij hadden een dochter Adriana (Jaen) van den Brande, die omstreeks 1420 geboren is. Deze trouwde Matthys Lenaerts en zij vernoemden een dochter naar Gheyle van den Brande. Deze dochter heette volgens het gebruikelijke systeem Gheyle Matthys Lenaertsdr. Zij werd echter in de praktijk Van den Brande genoemd, zoals blijkt uit een Ettense akte uit 1508. Daarin wordt zij aangeduid als: Gheilen Thys Lenaerts-dochter diemen heet vanden Brande.

De genoemde Adriana Aertsdr van den Brande had ook een kleindochter die haar achternaam kreeg. In een Ettense akte uit 1497 wordt zij Adriana Aert Thys Lenaerts vanden Brande genoemd.

Gheyle Matthys Lenaertsdr, die dus Van den Brande werd genoemd, was gehuwd met Peter Jansz van der Legge. Haar zoon de priester heer Cornelis Petersz wordt behalve Van der Legge echter ook Van den Brande genoemd. Deze Cornelis was priester te Woensdrecht en kocht in 1520 een huis met land in Hildernisse. Hij had bezat ook een hoeve te (of nabij)  Moerstraten. In die contreien wordt hij al snel heer Cornelis van den Brande genoemd. Zijn broer wordt daar een keer Matthys Pietersz van den Brande genoemd.

Deze opvallende vernoemingen in vrouwelijke lijn komen ook voor bij de afstammelingen van Jan van den Brande, geboren ca. 1360. Zijn dochter Soete noemt haar zoon uit haar huwelijk met Claes Jacobsz Cocx naar haar vader: Jan van den Brande. Deze Jan van den Brande heeft een omvangrijk nageslacht dat de familienaam Van den Brande voerde.

De broer van Soete Jans van den Brande, te weten de Ettense schout en schepen Cornelis Jansz van den Brande, heeft ook afstammelingen in vrouwelijke lijn die Van den Brande worden genoemd. Zijn dochter Adriane van den Brande trouwde Domaes Henrick Domaesz, uit een familie die (later) ook De Vrome werd genoemd. Haar kleindochters worden echter ook genoemd: Margriet Anthonisdr van den Brande (gehuwd met de Bredase burgemeester Adriaen van Hoilten) en Denyse Anthonis van den Brande.

Dan is er nog de Bredase Michiel Michiel Kocx die men noemde Michiel vanden Brande. Zijn zoon zoon Anthonis werd in de praktijk Anthonis van den Brande genoemd. Vaak verschijnt hij in akten ook als Anthonis Michiel Kocx sone die men heyt van den Brande. Zijn dochter wordt Anne Anthonis van den Brande genoemd en ook zijn zussen gebruikten vaak de naam Van den Brande.  Een van hen was Jouffrou Heylwich van den Brande, die was gehuwd met de Turnhoutse schout jonker Engbrecht van Hasselt.

Hoe Michiel Michiel Kocx aan de naam Van den Brande komt is niet duidelijk. Zijn weduwe Aechte Henricx Wildens wordt in 1508 in Etten Aechte van den Brande genoemd, terwijl haar man in de akte alleen met zijn echte achternaam Kocx (in dit geval geschreven Cocs) wordt aangeduid.

Een andere dochter te weten Zoete, noemt haar vader in 1516 postuum simpelweg Michiel van den Brande en zichzelf Zoete wijlen Michiels dochter van den Brande.

Hoe in deze familie de naam Van den Brande kwam is onduidelijk. Michiel of zijn vrouw Aechte waren erfgenaam  van Cornelis Peter Nouten Heys, een zoon Soete Jans van den Brande! Deze Cornelis Peter Nouten Heys stierf zonder wettige nakomelingen. Zijn erfenis werd verdeeld onder de andere afstammelingen van zijn ouders. Dit wijst erop dat Michiel of Aechte de naam Van den Brande voerde als afstammeling van Soete Jans van den Brande.  Dit past binnen het gebruik van vernoeming in haar familie. Ook het feit dat Michiel en Aechte een dochter Zoete hadden wijst daarop.

Het doorgeven van de familienaam in vrouwelijke lijn komt in de Ettense familie Van den Brande zo vaak voor dat men mag spreken van een bijzondere traditie. Naar de redenen daarvoor kan men nu slechts gissen. Enkele omstandigheden lijken van belang.

In de eerste plaats, is er natuurlijk het feit dat de vernoeming met achternaam in de Middeleeuwen in Brabant en Holland gebruikelijk was.

Ten tweede, de grotere familie speelde in die tijd een belangrijke rol. Men deed vooral zaken met naaste verwanten (zie op deze webpagina de analyse van het Kasboekje van Jan van den Brande te Breda over de jaren 1459-1469). Grond hield men graag in de familie of men verhuurde die aan familie. Met vernoeming kon men ook aangeven dat men tot zo'n grotere familie behoorde.

Ten derde,  de sociale status  werd in de Middeleeuwen in belangrijke mate bepaalt door de afstamming in vrouwelijke lijn. Bij voorbeeld, de boeren met een vrije status in het land van Breda , de meisseniers, behielden die status alleen als zij in vrouwelijke lijn van een meisseniersvrouwe afstamden. Tegen die achtergrond is het voeren van een achternaam van een vrouwelijke voorouder niet vreemd.

Tenslotte, ook het feit dat de familie Van den Brande in Etten bekend was en daar al in de dertiende eeuw onder die familienaam voorkomt kan een rol hebben gespeeld.

Read more

Kasboekje van Jan van den Brande te Breda over de jaren 1459-1469

Introductie

Jan van den Brande stelde over de periode 1459-1469 (waarschijnlijk achteraf) een rekening samen van de inkomsten en uitgaven van zijn moeder Cornelie, weduwe van Claes Adriaensz van den Brande. In de rekening noemt hij behalve zijn moeder, zijn zus Antonie.  Waarschijnlijk was er ook nog een zus Lambrecht. Zij woonden in Breda.

Het kasboekje[i] werd door Jan van den Brande rijkelijk versierd met een ridder te paard, biddende mensen, een struisvogel en fantasiewezens, zoals een eenhoorn.  Het kasboekje bevat ook Latijnse hymnen[ii] (kerkliederen).

Jan van den Brande was later tingieter te Breda. Hij moet omstreeks 1445 zijn geboren en hij woonde rond 1500, en waarschijnlijk eerder al, in het huis de Zevensterre aan de Grote Markt te Breda. Jan trouwde met Margriet Jan Thomasdr van Meghen, een dochter van Jan Thomasz. van Meghen en Engelberten Jan Reynsdr van der Byestraten[iii]. Hij overleed in de winter van 1522-1523.

Hieronder volgt eerst een analyse van de informatie uit het kasboekje, waarna een volledige transcriptie van het kasboekje volgt.

De inkomsten en uitgaven

De inkomsten betreffen de opbrengsten uit turfwinning, de verhuur van onroeroend goed en renten op onroerend goed. Alhoewel Jan van den Brande met zijn moeder en zus in Breda woonden, was een groot gedeelte van hun inkomsten uit het platteland rond Breda afkomstig. In het kasboekje worden Etten, Princenhagen, Zundert, Sprundel, Bavel en Gilze genoemd.

Een analyse van de inkomsten toont aan dat de meeste bezittingen die inkomsten genereerden (zoals onroerend goed en renten), lang familiebezit bleven en vererfden. Sommige waren ruim 60 jaar na de opname in het kasboekje nog steeds familiebezit. Bij de huurders van gronden komen diverse familieleden voor.

De uitgaven betreffen o.a. vaargeld, kosten van onroerend goed, jaarbede en te betalen renten. Daarnaast komen ook de betaling van schoolgeld en betalingen aan de kerk voor. Allerhande kerkdienaren, zoals de prochiaan van het zielboek, kregen betalingen en ook werd er geld betaald voor het branden van kaarsen door de begijnen te Breda.

De inkomsten en uitgaven komen voor in verschillende munteenheden.  Het meest voorkomend zijn guldens en stuivers. Daarnaast worden genoemd de Leliaert, Oude Groten, Philipspenningen, Oude Schilden en gouden Arnoldusguldens.

Inkomsten uit turfwinning te Etten

Een grote inkomstenpost wordt steeds voldaan door Coman Gherijt. Deze koopman bezat samen met Jan’s grootvader Adriaen van den Brande grond te Etten, bij het Moleneinde. Adriaen die overleed in 1455, had grote aandelen in de turfwinning te Etten, waaronder een groot aandeel in de 400 bunder. Zijn zoon Claes kreeg daarvan weer een gedeelte in handen.

Waarschijnlijk verzorgde Coman Gherijt de exploitatie van de moergronden uit de erfenis van Adriaen van den Brande. Coman Gherijt betaalde steeds een wisselend totaal bedrag.

Dat de gewonnen turf naar elders werd afgevoerd blijkt uit de post vaargeld. Een enkele keer worden de betrokken schippers genoemd, te weten Neel opte Molegraft en Dieric Ravens.

Een andere kostenpost betreft de “scepen cost opt moer”. Daarnaast betaalde men moerchijns. Ook werd betaald aan een landmeter “van alde reise dat hi opte moer was”.

Oom Cornelis van den Brande zorgde ervoor dat graafwerkzaamheden werden verricht. Ook andere werden betaald voor graafwerk en de aanleg van wegen.

De exploitatie van de Ettense gronden lijkt dan ook grotendeels te zijn uitbesteed.

Onroerend goed

Om het onroerend goed te houden moesten renten en belastingen, zoals heerenchijns en schot, worden betaald. Daarnaast werd er meerdere malen geld uitgegeven als bijdrage aan het maken van dijken en wegen te Etten.

In het kasboekje wordt meerdere malen een leen genoemd. Uit een van de posten valt op te maken dat het leen lag te Sprundel en gehouden werd van heer Philips van Schoonhoven.  De leenboeken van de Hertog van Brabant bevestigen inderdaad dat Claes Adriaensz van den Brande leenman was van Philips van Schoonhoven.  Na zijn overlijden moest de leenheer betaald worden voor het overzetten van het leen.

Een steeds terugkerende post betreft de inkomsten uit het Crusblock (het Kruisblok). Het werd gehuurd door ene Laureys Jan Daems.

Ook is regelmatig sprake van inkomsten wegens “ghaershueren”.  Dit betreft de verhuur van grasland[iv].

Interessant zijn de inkomsten uit de verhuur van “de wech” te Etten aan Cleijs van der Strompe. Dit was niet een weg in de huidige betekenis. Het betrof een smalle strook weidegronden, ten westen van de Leurse Vaart, die doorgang boden naar de noordelijk gelegen grotere weidegronden. Deze strook werd de Brantse Weg en soms kortweg Den Brant genoemd.  De Van den Brande’s noemden dit stuk grond ook het Brantse Goet. Het is opvallend dat alle verschillende takken van de Van den Brande’s te Etten grond in dit Brantse Goet bezaten. Het duidt er op dat grote delen van de Weg al lang familiebezit waren.

Het aandeel van Claes Adriaensz van den Brande was drie bunder en vererfde op zijn dochter Anthonie Claesdr van den Brande. Dit aandeel bleef in de familie en werd verhuurd aan familie. Cleijs van der Strompe was namelijk gehuwd met Cornelia van den Brande, een buitenechtelijke dochter van de algenoemde Cornelis van den Brande.

Renten

Naast inkomsten uit de verhuur, bestonden de inkomsten ook uit renten. Deze renten werden gevestigd op onroerend goed en bleven daar als zakelijk recht op rusten.

Een rente van drie zester werd geheven op "Gheryt van Waeienberch te Sundert".  Een zester is een oude inhoudsmaat[v] en omvat vier viertelen. Deze rente betreft de hoeve Waayenberg te Zundert (nabij de huidige Belgsiche grens). De uitreiker was Gheryt IJsbrants. Jaarlijks moest hij uit de productie van de hoeve drie grote tonnen graan betalen. In de praktijk werd afgerekend in geld.

Jan van den Brande en zijn zus Antonie erfden als jonge kinderen van Kathelijn van der Molen, begijn in het begijnhof te Breda en in 1427 meesteres van het begijnhof, krachtens testament een rente van vier zester rogs die werd geheven op de hoeve van Waeyenberg te Zundert. Kathelijn van der Molen, die overleed in 1458, was mogelijk een zus van hun moeder of van een van hun grootouders. De rente was in 1522 nog familiebezit. De rente kwam toen terecht bij Thomas Jansz van den Brande, behoudens een gedeelte van een zester dat bij de erfgenamen van Anthonie Claesdr van den Brande bleef.

Familieleden

Uit het kasboekje blijkt dat veel inkomsten en uitgaven familieleden betroffen. Hieronder volgt een overzicht:

1.  Adriaen Jansz. van den Brande (ca. 1390-1455), moerexploitant te Etten, grootvader van Jan van den Brande. Door hem aangegane verplichtingen werden door Jan voldaan.

2. Cornelis Jansz van den Brande (ca. 1400-1475), moerexploitant, schepen van Etten in de palen van de Hoeven, 1435, 1438, 1439, 1442-46, 1458, 1461, schout van Etten, bestuurder van de polder Elshout, won. te Etten aan het Attelake, tr. Lijsbeth Domaes. Hij werd betaald voor werkzaamheden te Etten.

3. Domaes Cornelisz van den Brande (ca. 1440, ovl. 1504) zoon van 2, won. Etten aan het Attelake, daarna te Hoeven. Hij huurde grond.

4. Cleijs van der Strompe, gehuwd met een buitenechtelijke dochter van 2. Hij huurde grond.

5. Cornelis Heys, de zoon Soete Jansdr van den Brande, een zus van 1 en 2.

6. Cornelis Domaes, een zoon Adriane van den Brande, dochter van 2.

De transcriptie

Hieronder volgt de tekst van het kasboekje. De letterlijke tekst is gevolgd, op een enkele uitzondering na. De auteur gebruikt zowel voor de letter V en W in zijn handschrift de letter V. Dit is gecorrigieerd, om de transcriptie voor de hedendaagse lezer begrijpelijker te maken.


Folio 1


Item ontvangen van jofrou van Nispen

(…)


Dit is die rekeninghe ende bewisen

mijnre moeder van Sinte Jans mis daghe

int jar LIX tot Jaerdaghe LX


Item ontvanghen van Marcelis Busen[vi] van dat

hij in sijn rekeninghe overghgheven heef

van ghelde ende van sculden LXIX ½ gulden

en ii stuvers


Item van Lam Aerts en is niet ontfanghen


Item dat aen Cornelis van den Brand

ghevijst was en heeft van iiii ½ niet

ghegheven dat saet hij dat hij ulders

vor die kiiinder betaelt heeft


Item van Coppen Ouls van iiii jaren tsamen iii

viertele rogs die viertele xii stuvers


Item Gherijt Ijsbrant van sijs ix oud(...)


Folio 1 verso


Item van Peter van Aken en Neel van

Apssel van de Crusbloken XV gulden ende

ene leliaert


Item van Daen Wouter Reins van den

Plassen XX ½ gulden


Item van Cleijs van der Strump van den

wech tEtten II½ gulden


Item van Jeenken Baten tEtten van ghaers

huere V gulden


Item van Goeiaert van noer een sester

rogs V gulden en ii stuvers


Item Coppen Aert Nouens[vii] van den bloeck

tEtten III gulden en III brespennin


Des ghelts was X gulden dat ander

hout hij in voerdat hij den (…)

(…) dijck


folio 2


Dis dat uutgheven van den

jaer LIX van Sinte Jans daghe

tot  (…) daghe inghaende LX


Item van enen brief opten Heenberch

iiii stuvers


Item van den cost die daer vertert

waert doen Marcelis Busen sijn rekeninghe

dede metten X quarten vijns

dae die drosset dar op dede setten

al tesamen XLVII stuvers


Item van vaertgheeld XXX1½ stuvers


Item Cornelis Heijs van moer sijs ende

van verbeden X stuvers en enen leliaert


Item Ghijb Denijs van dijckerden

IIII philipse penninc


Item van Cornelis Heijs van sijs tEtten

III stuvers en een oert


Item heer Peter Rutten II stuvers van

enen lopen rogs


Item heer Anthonis Visseler van sijs

VIII½ ouden groten


Item her Jan Voegh van sijs VI gulden

en enen brespenninc


Folio 2 verso


Item Jan van den Put en Lijbet van

Lazouen van sijs XII gulden en VI stuvers


Item van Voecht de kiesen ende die heij

Te veilen VIII stuvers


Item van den leen te ontfaen III stuvers


Item Peter Heijnen van sijs van der

heij te Etten XLVIII oude groet

Item van sijs in de Crusbloeck IX penninghe


Item van eenen brief van Caerls hus

IIII stuvers


Item Cornelis van den Brande van der

heeij te graven XIII½ gulden


Item Jan Ghodevaerts dat hem Adriaen

van den Brand schuuldich was

IIII gulden en III stuvers


Item Jacob mijn van vaertgheeld

IIII ghulden


Item Willem Nouens III gulden die

Adriaen van den Brand hem van

ovuts schuldich was.


Item Merten den verver van Adriaen

Molens sijs LXXXII½ gulden


Folio 3


Dits oenfanc int jar LX


Item van Comen Gherit tot Etten XV gouden

Arnoldus gulden en noch XLII½ gulden

van ende af te quiten


Item Willem Vogheler XI gouden arnolus

gulden oet van sijs


Item van Kaerl Scnoeien XIII gulden aen costen


Item van Gherijt tot Rijsberghen III zeester

rogs die viertel XI stuvers


Item van broeder Jan die vijs ii oude

scild die ander II hout thi aen heem

selven van der tocht


Item van Claeijs Domaes tEtten van ghaer

hueren V gulden


Item van Henric Domaes XI gulden en iii stuvers


Item van Cornelis Maes van den plassen

XVIII½ gulden


Item Claes vander Strump van ghaerrueren

XXVI stuvers


Folio 3 verso


Item Laureis Jan Daems van den crusblocke

XVI gulden


Item van Gherit IJsbrant IX oude groot


Item van Jan Daems kynderen III seester

rogs die veertel XI stuvers


Folio 4


Dit is dat uutgheven int jar X


Item her Peter Ruutten van sijs en van rog tesamen XV stuivers


Item den rentmeester van sijs IX penningen


Item den parsoen[viii] van iii jaren elck jar iiii stuvers


Item Cornelis Heijs van sijs en van jeerbeden V stuvers en I ort


Item die scoelmeester van sijs XXXV stuvers


Item Hein Wijtmans van dijckerden indie Haghe XVII Philipse penninghe


Item Heinric van der Molen van sijs LXXXII½ gulden 10 stuvers voer de ghulden


Item Embrecht van Boeimer en Jan van der Put XII gulden en VI stuvers


Item Gielijs dekeens van capittel sijs VIII oude groten


Item XIIII Riinssche  ghuulden voer onssen cost


Folio 4 verso


Dits ontfanc int jaer LXI


Item Domaes van den Brande van eender schuren XXV stuvers en I oert


Item Cornelis Maes van ghaershueren in die Haghe XVIII½ gulden


Item Heenrick Domaes van ghaershueren XI gulden


Item Claeus Domaes van van ghaershueren V gulden


Item Laureis Jan Daems van den Crusblocke XVI gulden


Item Claes van der Strump van ghaershueren XXVI stuvers


Item Comen Gherijt XIIII gouden ghulden en XVI½ gulden van ene die hi afghequit heef


Item Wil Vogheler XI gouden Arnoldus gulden


Item van de cloester van Machghelen II oude scilde die ander twe houden sij aen heen selven van der tochten


Wordt vervolgd

noten


[i] Gemeentearchief Breda, Coll. Mr. G.A. Kleijn, nr. 58.

[ii] ) De genoemde hymnen zijn het  Christe qui lux et dies, Veni Creator Spiritus en het Ave Maris Stella, en een gebed het Veni, Sancte Spiritus.

[iii] Zie voor haar familie: Familieboek: Van der Biestraten, De Labistrate, Biegstra(a)ten van Ger Matthee en Ton Reniers. http://www.matthee.info/publicatie-van-der-byestraten-delabistrate-biegstraaten.

[iv] Gaers is een Middelnederlandse aanduiding voor gras. Het werd ook gebruikt als landmaat, maar in deze context is grasland waarschijnlijker. In de vijftiende eeuw werd de aanduiding in land van Breda nog gebruikt voor weidegronden. Zo vestigde Cornelis Jansz van den Brande in 1456 een rente “op omtrent vyfthiene buynder garsingen tZonzeele”.

[v] De inhoudsmaten voor rogge waren: een lopen = 21,6 liter, een veertel (= 4 lopen), een halster (= 8 lopen) en een zester (= 16 lopen).

[vi] Uit het kasboekje blijkt dat de inkomsten en uitgaven tot 1459 werden bijgehouden door ene Marcelis Buysen. Waarschijnlijk heeft Jan van den Brande die werkzaamheden op jonge leeftijd overgenomen.

[vii] Jacob Aert Noydens woonde te Etten, waarhij o.a. grond bezat in de Banacker.

[viii] parsoen (of persoon) betkent hier pastoor.



Read more

Brant , Van den Brant, Du Brant, Brant van Weteringen

In de Nederlandsche Leeuw van 1945 verscheen een artikel van W. J. J. C. Bijleveld over een geslacht Brant. Hij schreef:

“Dit geslacht is ongetwijfeld afkomstig uit Breda en omstreken, waarop ook het wapen, conform aan dat van de Bye (met de 7 bijen) wijst. Veelal komen de leden ook voor als van den Brant, du Brant, Brande of Brant van de Wateringe.

Niemand beter dan schrijver dezes is zich bewust, dat hiermede geenszins het laatste woord gesproken is, doch hij hoopt juist daardoor te bereiken, dat het ontbrekende mag worden aangevuld.”

Een lid van deze familie, Jan Brant, komt in de Bredase schepenakten driemaal voor onder de naam Van den Brande, te weten op 2 juni 1593, 22 oktober 1594 en op 17 mei 1599. Een goede reden dus om na te gaan of deze familie Brant verwant is aan de Bredase familie van Van den Brande.

Het antwoord is duidelijk: nee. Deze familie Brant heeft haar oorsprong in Amersfoort, waar zij in de veertiende eeuw al voorkomt. Dat Jan Brant in Breda “Jan van den Brande” werd genoemd, komt ongetwijfeld omdat die naam daar een bekende klank had. De naam werd kennelijk aangepast aan een bekende vorm. Zo kon een Brant van buiten Breda een Van den Brande worden.

Dat deze familie Brant het wapen van de familie De Bye voerde, zoals Bijleveld stelt, is mij niet bekend. Van jonker Cornelis (van den) Brandt is het wapen bekend. Het wapenschild staat rechtsboven in het portret dat de Leidse graveur Bartholomeus Dolendo in 1598 van hem maakte.

Wapenschild: gevierendeeld: 1 en 4 een keper vergezeld van drie lelies; 2 en 3 een leeuw. Het hartschild toont drie posthoorns.

Interessant is dat zowel Jan Brant, als zijn broer en zus, alhoewel zij in Amersfoort zijn geboren, hun huwelijkspartner in Breda vonden in kringen rond de familie De Bye. Deze broer en zus zijn door Bijleveld niet opgemerkt. Jan Brant huwde met Hillegonde Henrick Gherits Hubrechts, een dochter van  Kathelyne de Bye. Jan’s vrouw noemde zich ook Hillegond de Bye. Een zuster trouwde met Gherijt Andriesz Vervloet,  een kleinzoon van Mechtelde de Bye. Broer Hendrick Brant trouwde met Lijsbeth Hubrecht Sprenckels. Waar deze Bredase connectie vandaan komt is onduidelijk. Hun vader Dirck Brant was schepen te Amersfoort, maar hij had ook bezit in Leiden.

Jan Brant woonde na zijn huwelijk met Hillegonde Henrick Gherits Hubrechts in Breda. Na zijn verblijf in Breda woonde hij, na een korte terugkeer naar Amersfoort, in Leiden. Daar noemde hij zich zelf Van den Brant. Waarschijnlijk om duidelijk te maken dat hij niet tot de Bredase familie Van den Brant (Brande) behoorde, voerde hij in Leiden vaak de toevoeging “van Amersfoort”.

Zijn zoon jonker Cornelis Brandt noemde zich ook  “Van den Brandt”, “Du Brant” of “Brant van Weteringen”. Diens zoon noemde zich ook jonkheer Van Brant ende Wateringen. Ook deze toevoeging verwijst naar de Amersfoortse herkomst. Al in 1517 werd door de Amersfoortse familie Brant de toevoeging “van de Weteringe” gevoerd.

Voor de oudste generaties uit Amersfoort is nader onderzoek nodig. Onderstaande genealogie begint schepen Dirck Brant.

I. Dirck Brant, schepen van Amersfoort (1547,1550), raad (1541, 1546), cameraar (1548).

Kinderen:

1. Jan Brant, geb. 1538-39, volgt IIa.

2. Henrick Brant, volgt IIb

3. Geertruyd Dircks Brants, ovl. voor 1593 tr. Gheryt Andries Vervloet.

Inbrengboek Leiden 15 juli 1542  folio 15v. een huys ende erve gelegen opten Rijn in Onser Liever Vrouwenparochie. Verkoper: Jacob Bartram, appoteker. Koper: Adriaen Willemsz. Wassenaer, schuytvoerder. Belend: ene zijde Dirck Brandt tot Amersfoort, andere zijde Cornelis Claisz., goutsmit, mit sijn gange daironder gaende.


IIa. Jan (van den )Brant (van Amersfoort) of Van den Brande, geb. 1538/1539 te Amersfoort tr. Hillegonde Henrick Gherits Cornelis Hubrechts, geb. Breda, dochter van Henrick Gherit Cornelis Hubrechts en Kathelyne Henrick de Bye. Zij bezaten een huis aan de Papegracht te Leiden.

Zij wonen in 1566 te Amersfoort, nadat zij eerder te Breda hadden gewoond. In Leiden genoemd Jan van den Brant van Amersfoort geb. 1538/39 (in 1590 52 jaar oud, in 1599 60 jaar oud). Hij compareert te Breda op 2 juni 1593 en 22 oktober 1594 als Jan van den Brande, hij noemt zich ook Van den Brant. Op 17 mei 1599 wordt hij Johan van den Brande genoemd. In Leiden 1587 wordt hij Hans van den Brant genoemd.

Jan van den Brant Dircsz van Amersfoort wonende te Leiden geeft in 1585 volmacht aan zijn zoon Jan Brant de jonge.

Kinderen:

1. Jan, geb. Breda ca. 1560, woont 1587 te Leiden. Daar genoemd Jan van den Brant als hij 6 okt. 1587 in ondertrouw gaat met Anna Dammans.

2. Hendrick,  geb. Breda ca 1564. In 1587 te Leiden vermeld als jonkheer Henrick van den Brandt. Hij trouwde (2) Leuden 24 dec. 1594 Maria van Duvenvoorde.

3. Cornelis, geb. Amersfoort 1566, volgt III


IIb. Henrick Brant Dircksz,  geb. te Amersfoort, tr. Lijsbeth Hubrecht Sprenckels, geb. te Breda, dochter van de Bredase roedrager Hubrecht Peters Sprenckels. Henrick Brants wordt vermeld te Breda op 5 nov. 1577 als man van Lijsbeth Hubrecht Sprenckels.

Hij hield acht morgen land in ‘t Sticht van Utrecht, gelegen onder Doren en genaamd Vinckenborg, te  leen van de heere van Starckenborg.

In 1593 op verzoek van zijn vrouw door de krijgsraad te Breda gevangen gezet (waarschijnlijk omdat hij haar niet meer onderhield). Zijn "zwager" Geerijt Andriesz Vervloet (evenals Henrick's schoonzus een afstammeling van Henrick De Bye), soldaat in 1593 te Gorinchem, treedt dan op als zijn borg. Deze Geerijt Andriesz Vervloet diende als soldaat in dezelfde compagnie als Cornelis (van den) Brandt, namelijk de compagnie van kaptein Cluyt van Vorenbroeck, in 1599 garnizoen houdende op de Schans Noortdam. Dat fort lag bij de monding van de Zevenbergse haven in de Roode Vaart.

Waarschijnlijk hadden zij kinderen die in 1593 nog leefden.


III. Jonkheer Cornelis (van den) Brandt alias Du Brant of Brant van Weteringen, geb. Amersfoort 1566, ovl. 1602, vaandrig (1599), luitenant (1601), hij vocht aan de Staatse zijde tegen de Spanjaarden, tr. als "van Amersfoort" (doorgehaald Breda), te Leiden 4 jan. 1594 Beatrice Denijs.

Vermeld te Breda als Sr. Cornelis van den Brant Johan Brantssone, vaandrig 1599. In 1601 noemt zich hij Du Brant.

In 1598 liet hij een portret maken door de Leidse graveur Bartholomeus Dolendo.

Kinderen:

1. Jan, tr. 16 jan. 1619 te Leiden met jonkvrouw Wilhelmina van Mechelen, dochter van Cornelis en jonkvrouw Barbara van Nassau, weduwe van jonker Arent van Duvenvoirde tot Obdam. Hij noemde zichzelf "Brant  van Weteringen" en "Van Brant ende Weteringen"

2. Hendrik, geb. Leiden 1599, ovl. aldaar 11 okt. 1604.

3. Cornelis, geb. Leiden 1601, adelborst (1619), ovl. voor 21 mei 1627.


JonkerJan Brant  van Weteringen werd door zijn huwelijk met Wilhelmina van Mechelen een zwager van prins Maurits. Zijn vader Cornelis had als huldiger van Maurits in 1594 wat “kreupelrijmen” in twee talen uitgebracht, onder de titel “Himne oft Lotsanck van Hollandt in Duytsch ende Franchoys”.


De zonen van jonker Cornelis bleven kinderloos.

Read more

De Tachtigjarige Oorlog en het vertrek uit het Land van Breda


Inleiding

Aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog woonden  in het Land van Breda op diverse plaatsen leden van de familie Van den Brande. In deze periode worden alle takken vaak Van den Brandt of Van den Brant genoemd.

De oorlog leidde ertoe dat de meesten van hen hun bakermat verlieten. De takken die het katholieke geloof trouw bleven en de Spaanse koning steunden, vertrokken richting Antwerpen en Brussel. De protestantse takken zochten hun heenkomen in het noorden.

De Van den Brande’s treft men aan beide zijden van de strijdende partijen. Aan de zijde van de Spaanse koning treft men onder meer de twee juristen en neven met dezelfde naam Mr. Claes van den Brandt. Aan de zijde van Van Oranje onder meer de militair ingenieur Mr. Wouter van den Brande.

De prins grijpt in

Dit verhaal begint in het jaar 1565, kort voor het begin van de oorlog. De Bredase jurist Mr. Claes Thomasz van den Brant is dan eind dertig en al meerdere keren benoemd als schepen van Breda. Voor het jaar 1566 lijkt hij zijn herbenoeming als schepen op zak te hebben.  De adviseurs van prins Willem van Oranje  stellen voor dat hij wordt herbenoemd in de stadsregering.

De prins beslist echter anders: Mr. Claes van den Brant mag niet terugkomen in de stadsregering. Zijn traditionele katholieke en anti-protestantse houding spelen hem parten. De naaste familie van Mr. Claes bestaat ook uit behoudende katholieken. De broer van Mr. Claes, Mr. Willem van den Brande, is in 1565 priester-pastoor op het groot begijnhof te Mechelen. De vader van Mr. Claes had een broer die monnik was en een zus die non was.

Evenals Van den Brant, mag ook schepen Van Diepenbeeck niet terug komen. In hun plaats komen Van Wijfliet en Van den Kieboom in de stadsregering. Schepen Wachmans wordt buiten-burgemeester. Ook hier volgde de prins zijn adviseurs niet. Een opvallende keuze want zowel Wachmans als Van den Kieboom waren calvinistische sympathisanten.

De beeldenstorm

Een jaar later, op 21 augustus 1566, gaat in Breda het gerucht dat enige duizenden personen uit Antwerpen naar Breda onderweg zijn om daar in de kerken “de beelden aff te werpen”. In Vlaanderen is de beeldenstorm dan al in volle gang. Vele kerken zijn daar al geplunderd en van hun beelden ontdaan. De storm gaat nu richting het noorden.

In Breda vreest men het ergste. De Bredase stadsregering verzoekt Mr. Claes van den Brant en Andries van den Kieboom om ten zuiden van Breda polshoogte te nemen en de weg naar Antwerpen te controleren. Van den Kieboom rijdt te paard naar Rijsbergen en Zundert, en vervolgens naar Hoogstraten. Daar treft hij Mr. Claes van den Brant. Die was op zijn eigen paard en met een man op een huurpaard rechtstreeks naar Hoogstraten gereden. De beeldenstormers hebben zij niet gezien. Maar de beeldenstromers komen wel. Een dag later breekt ook in Breda de beeldenstorm los. De aanval op de O.L. Vrouwekerk te Breda zal Mr. Claes en zijn familie veel verdriet hebben gedaan. De verhoudingen werden er in Breda bepaald niet beter op en de calvinistische opstand was een feit.

De hertog van Alva en Raad van Beroerten

De beeldenstorm en de opstand leiden weer tot een tegenreactie van Spaanse zijde. In 1567 stuurt de Spaanse koning de beruchte hertog van Alva naar de Nederlanden. De prins van Oranje vlucht naar Duitsland en Breda komt in Spaanse handen. Driemaal verschijnt te Breda een commissie van de Raad van Beroerten voor een onderzoek naar beeldenstormers, ketters en rebellen. De katholieke tak van de Bredase Van den Brande’s houdt zich niet stil. Voor hen is het onderzoek een mogelijkheid om hun gram te halen tegen hun calvinistische tegenstanders, die hen uit het stadsbestuur hebben gewerkt.

De jurist Nicolaes van den Brant noemde in 1571 voor de Raad van Beroerten Willem de Bye als verdacht persoon. De Bye had zijn kind thuis door een dubieuze priester had laten dopen zonder heilige olie, zo verklaarde althans Van den Brant:

 (…) gevraecht wat volk dat hij alhier kent suspect van heresie ende die hem anders souden draecghen dan catholijck, seeght dat hij eenen houdt voor suspect ende culpable van heresie genoempt Willem de Bye die welcke in den tijden van den voirleden troublen zijn kint heeft doen doopen binnen zijnen huyse bij den pastoir alhier sonder chrisma den welcke hij deponent  (=Van den Brant) noyt en heeft zien misse hooren.

117 Algemeen Rijksarchief Brussel, Raad van Beroerten 506 f. 110.

Onduidelijk is of het hier de oud-schepen Mr. Claes van den Brant betreft of zijn neef, naamgenoot en ook jurist, Mr. Claes van den Brant, de latere griffier van het Bredase leenhof. Het maakt niet veel uit: beide neven hadden niets op met de calvinisten. De griffier van het leenhof leverde later in ieder geval zijn bijdrage aan het rapport voor Parma in 1581, waarin onder meer dezelfde De Bye weer op de korrel werd genomen.

Breda in handen van Oranje (1577-1581)

De duidelijke stellingname tegen de calvinisten leidde ongetwijfeld tot problemen voor de genoemde Van den Brande’s toen Breda weer in handen van de prins van Oranje kwam. Uit een Bredase akte d.d. 12 november 1580 blijkt dat oud-schepen Mr. Claes van den Brant in of voor 1580 naar Antwerpen was uitgeweken en dat zijn kinderen 100 karolusgulden hadden moeten betalen om hun vader, die eerder gevangen was gezet, vrij te krijgen. Mr. Claes was ongetwijfeld gevangen gezet door zijn calvinistische tegenstanders. Het ging er over en weer stevig aan toe. Hoe dan ook, de machtswisseling in Breda was voor Mr Claes reden om Breda definitief te verlaten. Zijn Bredase zaken liet hij na 1580 verder regelen door een oom van moederszijde, Willem Jan Roovers (Roevers).

Pas als het Twaalfjarig Bestand in 1609 van kracht wordt, durven de (schoon)kinderen van Mr Claes van den Brant zich weer in Breda te vertonen. In 1611 komt Sr. Joost van Dixmuijde, meier van Valenciennes, de weduwnaar van Jouffr. Marie van den Brande, naar Breda om namens haar familie erfgoederen in Breda en omgeving te verkopen.

Breda weer in Spaanse handen (1581-1590)

Als Breda in 1581 weer in Spaanse handen valt, ziet de genoemde neef en naamgenoot van Mr Claes van den Brant, kans om carrière te maken. Hij is een zoon van Frans Jansz van den Brande, die in 1558 -1559 tienman van Breda was. De oudere broer van deze Mr Claes, te weten Jan Frans Jansz van den Brande is in 1564 al naar Antwerpen vertrokken, waar hij schoolmeester is geworden. De jongere broer Thomas Frans Janssone van Brande is in of voor 1580 al naar Brussel uitgeweken waar hij als pasteibakker werkt.

Na de machtswisseling in 1581 wordt in Breda de katholieke godsdienst in ere hersteld en de hervormde godsdienst wordt verboden. Alexander Farnese, de hertog van Parma, besluit dan een algemeen pardon voor de Bredase inwoners uit te vaardigen. Hiervan wordt echter een groep calvinistische bestuurders en sympathisanten uitgesloten. De lijst van deze calvinisten wordt opgesteld door twee leden van de Raad van Brabant, Filips Veusels en Gooswijn Batson. Zij handelen conform een uitvoerige instructie van Parma en krijgen daarbij hulp van vijf vooraanstaande Bredase katholieken. Een van hen is Mr Claes van den Brant en het zal niet verbazen dat de calvinistische De Bye en Wachmans op de lijst verschijnen. Dan is het Willem de Bye die gevangen wordt gezet. De meesten anderen calvinistische bestuuders zijn Breda dan al ontvlucht.

Mr Claes van den Brant reist in augustus 1581 met Veussels naar het hof van Parma om persoonlijk verslag te doen van de situatie in Breda. Hij houdt er een goede positie in Breda aan over. Hij blijft griffier van het Bredase leenhof tot dat Breda in 1590 door de soldaten uit het bekende turfschip op de Spanjaarden wordt heroverd. Na deze herovering ontbreekt van griffier Claes van den Brant verder ieder spoor.

Maurits van Oranje en zijn militair ingenieur

Als Breda in 1590 in handen komt Maurits van Oranje, is het in feite een grensstad. Ten zuiden van de stad heerst de Spaanse vijand.  Dit is alle aanleiding om vanaf 1591 de Bredase vestingwerken te versterken. De bovengenoemde katholieke Van den Brande’s laten zich in Breda niet meer zien. Nu is het zaak hun Spaanse vrienden buiten de deur te houden.

Dan komt een andere Van den Brande aan bod. Bij de versterking van de vesting leert prins Maurits de Bredase metselaar en stratenmaker Wouter Goderts van den Brandt, ook genaamd Mr. Wouter van den Brande, kennen. Hij speelt een grote rol bij de versterking van de vesting.

Mr Wouter groeit met al zijn ervaring uit tot militair ingenieur en wint het persoonlijk vertrouwen van Prins Maurits.  Mr Wouter wordt in 1599 benoemd als "ingenieur of werckmeester" van de fortificaties. Snel daarna, op 7 januari 1600, wordt hij door Prins Maurits aanbevolen bij de Staten-Generaal en Raad van State en op 10 januari 1600 wordt hij door hen benoemd tot militair ingenieur.

Mr Wouter’s taken overstijgen dan de Bredase zaak. Hij moet zich bezig houden met vestigingwerken over de gehele frontlinie. Op 7 maart 1601 wordt hij op bevel van Prins Maurits zelf gezonden naar het Duitse Wezel om aan de fortificaties te werken. Hij krijgt voor zijn reis 60 gulden toegezegd.

In februari en maart 1602 adviseert Mr. Wouter van den Brande over de fortificaties van Oostende. Dat is dan het zuid-westelijke bastion van de Nederlanden. Zoals blijkt uit een resolutie van de Staten-Generaal:

"Aengaende de reparatien ende het maken van de voirder fortificatien binnen Oistende, conformeren hen insgelijcx d'heeren Staten mettet advis van den Raedt, te weeten, dat men sal maken de halve mane in 't Zuytoosten, twee redoubten in den polder ten Westen ende voirts de fortificatien volgende het advis van Mr. Wouter van den Brande". (Resolutien van de Staten-Generaal 25 maart 1602).

Mr. Wouter is al weer snel in Holland nodig. Op 1 mei 1602 komt te Oostende het bevel van Prins Maurits,  dat men "den Ingenieur Wouter van den Brant belasten soude dat hij in alder diligentie naar Hollandt soude comen / om beneffens andere te velde ghebruyckt te werden / ende bij so veere hij eenighe wercken onderhanden hadde / dat men die voor sijn vertreck overlveren soude in handen van den Ingenieur M. David van Oorliens".

Met zijn werk begeeft Mr Wouter zich steeds weer in de vuurlinie van de Spaanse vijand. En dat is niet zonder risico. In 1602 sneuvelt hij, mogelijk tijdens de belegering door de Spanjaarden van Oostende.

Zijn weduwe moest toen alleen de zorg voor  hun kinderen op zich nemen. Waarschijnlijk verzocht zij de voormalig werkgever van haar man om geldelijke steun, want op 11 augustus 1610 werd het rekest "van de weduwe van ingenieur Wouter van den Brande" door de Staten-Generaal afgewezen. Wat er van hen is geworden is onduidelijk. In ieder geval vertrokken ook zij uit Breda. Ook de naaste familie van Wouter verliet Breda.

Ook andere Van den Brande’s vertrekken uit Breda

Kort voor of aan het begin van de oorlog vertrekt ook Matthijs Anthonisz van den Brande uit Breda. Deze zoon van de Bredase schepen Anthonis Domaesz van den Brande, wordt woudmeester en drossaert van Brabant. Zijn (klein)kinderen vestigen zich blijvend in de zuidelijke Nederlanden. Dat zij de Spaanse koning goed gezind zijn blijkt duidelijk uit hun carrière.

De zoon van Mathijs, Mr. Franchoijs van den Brande, studeert rechten en wordt griffier-generaal van de munt van de Spaanse koning. Kleinzoon en ook jurist Mr. Jan-Baptiste van den Brande schopt het zelfs tot raad van oorlog van de koning. Zij hebben in Breda niets meer te zoeken en laten zich daar lang niet meer zien.

Pas als het Twaalfjarige Bestand van kracht is laat de oudste zoon en naamgenoot van Mr. Franchoijs zich in Breda zien. Mr. Francois van den Brande is op 4 mei 1612 te Breda om namens zijn vader en zijn mede-erfgenamen de moergrond te Dongen te verkopen die van de grootouders van zijn vader was geweest. Deze moergronden zijn dan waarschijnlijk decennialang voor hen onbereikbaar geweest.

Het vertrek van het Bredase platteland

Voor de Van den Brande’s die op het platteland rond Breda leefden bracht de Tachtigjarige Oorlog weinig goeds.

Op de grens tussen Oosterhout en Dongen leven tijdens de oorlog de (achter)kleinkinderen van Aert van den Brande. Hun bestaan speelt zich af rond de voorouderlijke hofstede aan de Groenstraat, de grensstraat tussen Oosterhout en Dongen, en in de buurt Middelwijk te Oosterhout.

Het krijgsgeweld en rondtrekkende soldaten zorgen lange tijd voor grote ellende. Regelmatig worden er huizen in brandgestoken of wordt daarmee gedreigd. De ellende komt van beide strijdende partijen. Of nu Breda of Geertruidenberg wordt belegerd, de Oosterhoutse bevolking is steeds het slachtoffer.

Een bende Geuzen steekt op 6 mei 1574 midden in de nacht 74 huizen in Oosterhout in brand. Zij eisen geld om erger te voorkomen.

In 1582 hebben de Staten van Brabant aan Oosterhout onverwacht een belasting opgelegd van 765 gulden. Het geld moet rechtstreeks uitbetaald worden aan de kapiteins van legereenheden in Herentals en Hoogstraten. Die laten, wanneer het geld niet snel genoeg komt, een paar Oosterhouters gevangen nemen en in Herentals opsluiten. Als na drie weken het geld er nog niet is, dreigen de kapiteins om Oosterhout helemaal af te branden. Een van de Oosterhoutse gevangenen is dan Peeter Cornelis Aertszoon. Mogelijk is hij dezelfde als Peeter Cornelis Aertsz van den Brandt, die in Oosterhout woont. Zeker is dat niet, maar deze Van den Brandt heeft alle reden om Oosterhout te verlaten.

Peeter van den Brandt verruilt het Oosterhoutse platteland uiteindelijk voor het Geertruidenberg dat in handen is van de prins van Oranje. Daar wordt hij meestal Peeter Cornelisz van Oosterhout genoemd en heeft hij een turfhandel. Zijn neef, de metselaar Merten Adriaensz van den Brande, verlaat gedurende de Tachtigjarige Oorlog ook de voorouderlijke gronden. Hij vestigt zich rond 1600 in Dordrecht.

De Tachtigjarige Oorlog ten einde

Als in 1648 de Tachtigjarige Oorlog ten einde is, is ook aan het verblijf van de Van den Brande’s in het land van Breda een einde gekomen. Zij zijn naar het noorden en het zuiden vertrokken.

De oorlog heeft ertoe geleid dat zij hun bakermat, het land van Breda, de rug toekeerden.

Read more

Genealogisch onderzoek in de jaren 1711 en 1909

Verwant of niet verwant, dat was steeds de vraag

Genealogisch onderzoek – een onderzoek naar de afstamming – is van alle tijden. Ook binnen de familie Van den Brande, zo blijkt uit briefwisselingen uit 1711 en 1909. Daarbij ging het in  beide gevallen om de veronderstelde verwantschap tussen de familie Van den Brande uit Zeeland en de familie Van den Brande uit het land van Breda. Uit deze laatste familie stamt de Rotterdamse familie. Hoe zit het met de verwantschap?

In december 1909 kwam op het effectenkantoor Firma W. A. H. van den Brande te Rotterdam een brief binnen van de heer J. H. van Reigersberg Versluys, gericht aan de heer Willem A.H. van den Brande. De laatste was effectenmakelaar en had zich inmiddels terugtrokken uit zaken en woonde in villa Welgelegen te Lent, nabij Nijmegen. 

De heer Van Reigersberg Versluys was een afstammeling van de uitgestorven Zeeuwse familie Van den Brande, die in de zeventiende eeuw adellijke titels en landgoederen had verworven. Van Reigersberg Versluys informeerde of de heer Van den Brande behoorde tot dezelfde familie.

Bij brief van 13 december 1909 antwoordde Van den Brande dat hij daarover in onzekerheid verkeerde en dat hij ook geen pogingen had ondernomen om zekerheid te verkrijgen.  Hij voegde daaraan toe: “Wel kan ik u verzekeren dat wijlen mijn vader (geboren 14 October 1803-overleden 5 Augustus 1891 te Rotterdam) vast overtuigd meende te zijn dat er maar een geslacht Van den Brande bestond en dat er ook een stamboom in het bezit zijnes ouders geweest is die zelven zoek schijnt geraakt”.

Jaren eerder had de Directie van het Archief te ’s-Gravenhage de Rotterdamse effectenmakelaar, na het overlijden van zijn vader Willem van den Brande in 1891, het aanbod gedaan om de verwantschap tussen de Rotterdamse en de Zeeuwse familie Van den Brande te onderzoeken. Op het aanbod was hij niet ingegaan, omdat hij “dat beschouwde als een geldzaakje van die heeren”, zo schreef hij aan Van Reigersberg Versluys. W.A.H. van den Brande beschikte wel over portretten (houtgravures) van twee leden uit de Zeeuwse familie. Zij stonden dus wel in zijn belangstelling.

De beide heren zetten hun correspondentie enkele maanden voort.  Van den Brande wist dat zijn grootvader Aart heette, maar verder terug ging zijn kennis niet. Van Reigersberg Versluys stelde voor een stamboom te maken, maar Van den Brande hield de boot af. Hij stelde voor “met het maken van een stamboom te wachten tot er een aansluiting gevonden is met mijn onmiddellijke voorgeslacht, aangezien die zonder deze  voor mij betrekkelijk weinig waarde heeft”. En daar bleef het bij. De aansluiting werd niet gevonden…

Echter, de Rotterdamse familie is afkomstig uit het land van Breda (zie de hoofdpagina) en de Zeeuwse familie was ervan overtuigd dat ook zij daar haar oorsprong vond.

Volgens een achttiende-eeuwse genealogie van de Zeeuwse Van den Brande’s zou de stamvader van deze familie, Thomas van den Brande heten en uit Breda komen. Zijn zoon Pieter van den Brande zou Brabant zijn ontvlucht. Waar komt dit verhaal vandaan?

De oorsprong van dit verhaal lijkt een oude stamreeks die rond het jaar 1711 in het bezit was  van  Maria Margaritha van den Brande. Zij woonde te Antwerpen en  stamde af van Jan van den Brande, geb. ca. 1370,  gegoed te Etten. Zie de pagina Etten-Breda.

Ridder-baronet Cornelis van den Brande, heer van Kleverskerke,  uit de Zeeuwse familie, bezocht in 1711 zijn Antwerpse naamgenote en kreeg een kopie van deze oude stamreeks, die terugging tot 1422. Cornelis schreef over zijn bezoek:

“Ick hebbe de oudste van dese doghters genaemt Maria Margo van den Brande in den jare 1711 te Antwerpen gesproken, die seer in decadentie is en getrout met een schilder genaamd Huijssen. Sij heeft een genealogie van de familie sedert het jaar 1422”

Cornelis was er van overtuigd dat hij familie was van deze Antwerpse dame. Dat zou betekenen dat ook de Zeeuwse familie haar oorsprong in Etten zou vinden. Cornelis en andere leden van de Zeeuwse familie maakten diverse stamreeksen die allemaal terug gingen tot de Jan van den Brande uit 1422.

Cornelis liet de assistent van de Antwerpse architect  Jan Pieter van Baurscheidt in Antwerpen rond 1711 ook tekeningen maken van grafstenen en wapenborden van de Antwerpse-Bredase familie. Het wapen van Mathijs van den Brande, op goud een zwarte leeuw, werd in de achttiende eeuw zelfs opgenomen in het wapen van de Zeeuwse familie.

Er is echter geen bewijs voor de afstamming van de Zeeuwse familie uit de Bredase, oorspronkelijk Ettense familie. Het lijkt er op dat de  oudst bekende stamvader van de Zeeuwse familie – de hierboven afgbeelde Jan Mr. Pieterse- zonder enig bewijs werd gekoppeld aan de stamreeks van de Van den Brande’s uit het land van Breda.

De oorsprong van de Zeeuwse familie is ondanks veel onderzoek nog in nevelen gehuld. Zie de pagina Zeeuwse regenten.

Read more

Oranjegezinden en patriotten

In juni 1785 tekenden de Rotterdamse tuinders Willem van den Brande, oud 78 jaar, zijn zoon David van den Brande, oud 51 jaar, en diens zoon Pieter van den Brande, oud 21 jaar, een rekest van de Oranjegezinden dat zich richtte tegen de heroprichting van het patriotse vrijkorps. Zij kozen daarmee expliciet stelling tegen de patriotse initiatieven in Rotterdam en voor de Oranjegezinden. Zo’n expliciete keuze was niet vanzelfsprekend. Het overgrote deel van de Rotterdammers hield zich afzijdig in deze politieke strijd.

Rotterdam had toen ongeveer 60.000 inwoners, terwijl slechts 1.200 patriotten en 1.800 Oranjegezinden daadwerkelijjk bij de politieke conflicten betrokken waren. 

Het rekest dat de drie Van den Brande's tekenden werd op 20 juni 1785 ingediend bij de Burgemeesteren en Vroedschap van Rotterdam. Het rekest was een steunbetuiging aan het  kort daarvoor - op 13 juni 1785 - door de Oranjegezinden tegen het patriotse vrijkorps ingediende rekest. Hierna volgde nog twee rekesten uit het Oranjekamp. De rekesten tegen het patriotse vrijkorps werden getekend door meer dan 900 Oranjegezinde Rotterdammers. De rekesten werden aangeduid als het Request Antidotaal. In modern Nederlands: een tegenverzoekschrift.

Het Request Antidotaal was de Oranjegezinde reactie op het patriotse verzoek tot heroprichting van een vrijkorps. 

Om dit verzoek goed te begrijpen moeten we terug naar 1783. In dat jaar kwamen de Oranjegezinden en de patriotten in Rotterdam herhaaldelijk met elkaar in aanvaring. De Oranjegezinden maakten zich schuldig aan excessen bij het vieren van de verjaardag van de Prins van Oranje, terwijl de het patriotse deel van de burgerwacht de Oranjegezinden provoceerden. De burgerwacht (schutterij) bestond zowel uit Oranjegezinden en patriotten. Eind 1783 richten de patriotten hun eigen vrijkorps - in feite een gewapende burgermilitie - op. Dit als onderdeel van hun nationale strategie om tot eigen milities te komen. Het vrijkorps fungeerde naast de burgerwacht. Met een eigen vrijkorps konden de patriotten hun aspiraties tot omvorming van de Nederlanden tot een republiek verwezenlijken.

Een reactie bleef niet uit. Op 29 maart 1784 werd bij het stadsbestuur een rekest ingediend, dat was ondertekend door 478 Oranjegezinde Rotterdammers. Zij verzochten de ontbinding van het Patriotse vrijkorps ingediend. De patriotten probeerden hun tegenstanders belachelijk te maken en noemden het rekest het "zoopjes-rekest", omdat de ondertekenaars na de ondertekening een glas brandewijn kregen. 

Ondanks die mediacampagne van de patriotten was het rekest toch succesvol. Op 8  mei 1784 besloot het stadsbestuur conform. De orde diende te worden bewaakt door de burgerwacht, die uit Oranjegezinden en patriotten bestond. Het patriotse vrijkorps werd de facto verboden. Om een compromis te vinden tussen de patriotten en Oranjegezinden verbood het stadsbestuur de schutters van de burgerwacht het dragen van oranje linten en cocardes. 

De patriotten bleven niet stil zitten. Op 11 april 1785 dienden 200 Rotterdamse patriotten een rekest in tot heroprichting van hun vrijkorps. Verdere acties van de patriotten volgden. Zo wisten zij een Statencommissie uit Den Haag naar Rotterdam te bewegen om orde op zaken te stellen. Die hulp uit Den Haag kwam niet uit onverdachte hoek. In het landelijke bestuur waren de patriotten anders dan in Rotterdam in de meerderheid.

Het Request Antidotaal was vooral bedoeld om het Rotterdamse stadsbestuur te steunen in het verbod op het patriotse vrijkorps. De patriotten maakten ook nu weer hun Oranjegezinden stadsgenoten belachelijk.

Behalve spotprenten gebruikten de patriotten in hun mediacampagne een “naming and shaming” strategie. Zo publiceerden zij een lijst met 856 Rotterdammers die het Request Antidotaal hadden getekend. Die lijst was echter niet compleet. Willem en David van den Brande worden genoemd in de door de patriotten gedrukte lijst. Hun (klein)zoon Pieter echter niet. Dat ook hij tekende blijkt uit een officieel afschrift van het rekest.

De antidotalen waren anders dan de patriotten suggereerden gemiddelde Rotterdammers uit alle lagen van de bevolking. Velen van hen kwamen uit het “gewone volk” waarboven de patriotten zich verheven voelden, maar tot de antidotalen behoorden ook veel middenstanders en leden uit regentenfamilies. In feite was het aantal antitdotalen vele malen groter dan het aantal patriotten dat de rekesten tekenden. Dat aantal zal een reden zijn geweest voor de patriotten om de antidotalen in een kwaad daglicht te stellen.

Met de steun uit Den Haag kwamen de Rotterdamse patriotten, ondanks de Oranjegezinde meerderheid onder de bevolking toch aan de macht. En zij kregen hun vrijkorps. Voor meer dan 80% bestond dat vrijkorps uit anderen dan leden van de Nederduitse Gereformeerde Kerk, toen de publieke kerk. In het patriotse vrijkorps zaten relatief veel Katholieken.

De drie Van den Brande's behoorden daarentegen tot de Nederduitse Gereformeerde Kerk. Pieter van den Brande die op 21 jarige leeftijd het Rekest Antidotaal tekende, was later als diaken actief in de Kralingse kerk. Zijn zoon Johannes van den Brande (gemeenteraadslid in Kralingen) was als notabele betrokken bij de oprichting van de Nederlands Hervormde kerk aan de Hoflaan te Kralingen.  De geloofsovertuiging van de familie Van den Brande speelde zeker een grote rol bij haar anti-patriotse houding.

Ongetwijfeld tot grote ergernis van de drie Van den Brande's, was de revolutie in Rotterdam op 23 april 1787 een feit. Een feit van korte duur overigens, want al op 13 september 1787 trok een detachement Pruisische huzaren Rotterdam binnen om de Oranjegezinden weer in het zadel te helpen. Het patriotse vrijkorps werd weer ontbonden.

Read more

Het levensverhaal van David van den Brande (1662-1743)

Stamvader

David van den Brande mag met recht de stamvader van de familie Van den Brande te Rotterdam-Kralingen worden genoemd. De beslissingen die hij nam hadden een grote invloed op zijn nakomelingen, die tot ver in de negentiende eeuw als tuinder werkzaam waren in Kralingen. 

De basis voor het tuindersbestaan werd gelegd in 1726 toen David ten behoeve van zijn zoon een stuk tuindersland kocht. Het stuk land bleef bijna tweehonderd jaar - tot in 1923 - in de familie. In dat jaar overleed Anna van den Brande, de laatste in de familie die het land in bezit had. 

De eerste jaren

David wordt eind 1662 geboren te Dordrecht. Hij is het negende kind van Abraham Maertensz van den Brande en Lijsbeth Jansdr. 

David is vernoemd naar zijn oudere neef David Davidsz, een bootsman in dienst van de VOC, die in 1659 overleed te Ambon. Na diens overlijden ontvangt Abraham Maertensz van den Brande samen met zijn broer Isaack de gage die David Davidsz nog van de VOC tegoed had. Als in 1660 Abraham een zoon krijgt noemt hij hem David. Deze David overlijdt op jonge leeftijd en de in 1662 geboren zoon word ook weer David genoemd.

David groeit op in een arm gezin. Zijn vader was oorspronkelijk huistimmerman, maar vanaf ongeveer 1664 verdient hij de kost als zakkendrager.

Bij zijn geboorte heeft David, drie oudere broers: Maerten, 15 jaar, Johannes, vijf jaar,  en Daniel een jaar oud. Zijn ouders hadden vijf andere kinderen gekregen maar die zijn op jonge leeftijd overleden.

In 1665, als David nog geen drie jaar oud is, heerst de laatste grote pestepidemie in Dordrecht. David ontspringt de dans. David’s nichtjes de dochters van zijn oom Isaack zijn echter minder gelukkig. In het najaar van 1665 overlijden de vier dan nog levende dochters van Isaack. De oudste is dan al in de twintig, de jongste vijf jaar oud.

David groeit op in Dordrecht, eerst in de Stoofstraat later in de Mazelaarsstraat. Hij gaat naar school waar hij leert lezen en schrijven. 

Het Rampjaar 

In 1672, als David tien jaar oud is, gaan de Nederlanden gebukt onder het Rampjaar. In dit jaar begon de Hollandse Oorlog en werd de Republiek aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Munster en Keulen.

Het was het jaar waarin de gebroeders De Witt werden vermoord. 

David zal de beide broers die uit Dordrecht afkomstig zijn en die ongeveer even oud zijn als vader, vaak in de stad hebben gezien. Johan de Witt werd in Den Haag vermoord, maar ook in Dordrecht gaat het er heftig aan toe.

Er zijn in 1672 ook in Dordrecht grote oproeren en de zakkendragers speelden daarin een grote rol.  David’s vader en broer werken dan als zakkendrager en de vraag is of zij meededen aan het oproer. Tijdens een oproer op 13 mei 1672 werd het huis van burgemeester Halling, een vriend van Cornelis de Wit, geplunderd. In september 1672 sloeg de vlam weer in de pan. Een verslag uit die tijd vermeldt dat de Dortse zakkendragers hun korenmaten kapotsloegen en in het vuur wierpen. De korenmaten die gebruikt werden om hun zakken met graan te vullen waren zo groot dat zij moeilijk te hanteren waren. Bij hun daad riepen de zakkendragers: "Nieuwe heeren, nieuwe maaten". Ze wilden een nieuw stadsbestuur evenals de andere Dortse gilden. Op 4 september 1674 werden diverse regenten uit hun ambt gezet.

Dertien jaar na het oproer kon een deelname daaraan de gemoederen nog bezig houden. David's broer, Maarten Abrahamsz van den Brande, werd er toen van beschuldigd dat hij aan het oproer had deelgenomen. Of dat echt zo was? Onderstaande akte uit het Dordtse archief lift een tipje van de sluier op.

4 dec. 1685: verklaring door Jacob Jansz. Schuttel, 53 jaar oud en Abraham Jansz. Bont, ongeveer 40 jaar oud, beiden arbeiders te Dordrecht, op verzoek van Maarten Abrahamsz. van den Branden, eveneens arbeider te Dordrecht. Zij getuigen, dat in 1672 , "ten selven dage, als wanneer het huijs van den heere out borgemeester Johan Hallingh binnen dese stadt wierde gespolieert, verweldight, ende geplundert (sonder nogtans dat sijlieden attestanten pertinent souden konnen seggen, wat dag het selve is geweest)", (noot: dat was 13 mei 1672) zij samen met Maarten van den Brande 120 tonnen turf hebben gedragen uit de turfschuit van Huijbert Jansz. van Bleijswijk naar het huis van Anthonij Buijs, veertigraad van Dordrecht, die toentertijd woonde in het huis van de Gevangenpoort [Vuilpoort] naast de Leuvebrug. Zij zijn daarmee bezig geweest van 's morgens 7 uur tot 's middags 3 uur, omdat in het huis de zakken turf 97 treden opgedragen moesten worden. Zij hebben alleen geschaft van 9 uur tot half 10 's morgens en zijn gedurende dat halve uur altijd samen met de rekwirant geweest. Na afloop van het werk omstreeks 3 uur 's middags zijn zij samen in de Suikerstraat een glaasje bier wezen drinken ten huize van de weduwe van Joost Corstiaensz. tot 's avonds 8 uur, zonder dat Maarten gedurende die tijd van hen weg is geweest, "veel min dat den requirant sig in, met of ontrent het spoliëren ofte plunderen van het huijs van voorsz. heere out borgemeester Hallingh soude hebben gemelleert ofte bemoeijt, of sulcx willen doen, te meer omdat deselve daadt bij de requirant en de attestanten te selver tijdt wierde verfoeijt en ten hoogste qualijk geoordeelt." (ONA Dordrecht inv. 446, f. 219 e.v.)

David’s broer Maerten verfoeide dus het oproer, aldus de getuigen. Ze zouden op de middag van het oproer van 3 uur tot 8 uur 's avonds rustig een biertje gedronken hebben. We zullen het nooit zeker weten. Er zal bij David thuis uitgebreid gesproken zijn over de oorlog, de moord op de gebroeders De Witt en het oproer. 

Een feit is dat het Rampjaar veel armoede bracht en ook in David’s gezin zal dat gevoeld zijn. Door de oorlog nam de international handel af, waardoor de zakkendragers in Dordrecht minder werk te verdelen hadden. Die verdeling vond plaats in het zakkendragershuisje waar de aanwezige zakkendragers – in Dordrecht Mazelaars genoemd- met dobbelen het werk verdeelden.

Omstreeks 1674 overleed David's vader Abraham. Rond die tijd woonde David bij zijn moeder in de Mazelaarstraat, vlakbij het Dortse zakkendragershuisje. Begin 1675 hertrouwt zijn moeder met de Dortse zakkendrager Leendert Jansz. Bleij.

Het vertrek uit Dordrecht

Een paar jaar na het rampjaar, in 1675, vertrekt David’s een jaar oudere broer Daniel, op veertienjarige leeftijd, als leerling-matroos uit Dordrecht. Op 15 augustus 1675 begint Daniel’s reis op een VOC-schip naar Tutucorin in India, waar hij na een reis van negen maanden, aankomt. Na zijn terugkomst zal hij zijn broer verteld hebben over zijn avonturen: de ontberingen aan boord, de stop in Kaapstad, en de flora en fauna van het exotische India.

Daniel maakt meerdere reizen. Op 27 mei 1681 vertrekt hij weer met  een VOC-schip naar Batavia, waar hij op 24 januari 1682 aankomt. Hij benoemt zijn moeder Lijsbeth Jansdr steeds tot begunstigde van een deel van zijn gage.

Ook David zal al op jonge leeftijd hebben moeten werken. Of hij evenals zijn broer matroos was? Het is goed mogelijk. Hij verliet Dordrecht dat staat vast en werkte later op de admiraliteitswerf te Rotterdam.

David’s huwelijk

David trouwt in 1690 te Haastrecht met de uit Boskoop afkomstige Anna Lammerse van Willigen. Van zijn moeder krijgt David dan kleding en "redinge" en 100 gulden tot “onderstand van zijn huwelijk”. 

David’s  broer Daniel is rond die tijd overleden. Een goede kans dat de reizen naar de Oost hem noodlottig werden.

David en zijn vrouw vestigden zich na hun huwelijk in Rotterdam. Zij woonden aan de Slakade, even buiten de Oostpoort van Rotterdam. De Slakade ligt in de dan nog zelfstandige ambacht Kralingen, maar David en zijn vrouw gingen in Rotterdam naar de kerk. Daar werd op 31 juli 1692 hun oudste zoon Abraham, vernoemd naar David’s vader, gedoopt. Er volgen meerdere kinderen, maar alleen Abraham en Willem bereiken de volwassen leeftijd.

In 1698 is David in Dordrecht om zijn aandeel in de erfenis van zijn oom Isaack van den Brande in ontvangst te nemen. Isaack, een mr.-huistimmerman, bezat meerdere huizen te Dordrecht en zijn erfenis werd verdeeld over de kinderen van zijn broers en de familie van zijn vrouw.

David werkt als sjouwer en waker op de Admiraliteitswerf. Een paar minuten lopen van zijn huisje aan de Slakade. 

Overdag sjouwt hij met de zware houten balken waarmee de schepen worden gebouwd. ‘s Avonds bewaakt hij de werf tegen diefstal. 

De Slakade

David koopt op 26 april 1700 een "huisje met loodsje gelegen aan de Slakade" voor  820 gulden.  De Slakade ligt aan een vaart net buiten de Oostpoort in het ambracht Kralingen. Waarschijnlijk bezat David een van de huisjes die wat verder op aan de kade lagen, richting de molens (nu het einde van de Slaak bij de Gerdesiaweg).

Beslommeringen in de familie 

In 1706 overlijdt David’s moeder en David gaat naar Dordrecht. Hij verschijnt daar samen met zijn broer Johannes  voor de notaris om de bescheiden erfenis te verdelen. Hun broer Maarten van den Brande is op dat moment “uitlandig”. Waarschijnlijk als matroos of soldaat. De inboedel wordt gegund aan hun zus Ida en David krijgt 37 gulden.

Later dat jaar komt Ida naar Rotterdam waar zij getuige is van de doop van haar neefje Willem van den Brande. Zij heeft hem niet vaak gezien. Twee jaar later overlijdt Ida op 42-jarige leeftijd te Dordrecht.

De oudste zoon van David, Abraham, vertrekt als hij 24 jaar is, als soldaat naar de Oost. Een gevaarlijk avontuur. En David weet dat als geen ander. Zijn broer Daniel was niet de enige die in dienst trad en jong overleed. David’s neef Abraham Maertensz was kannonier en kwam in 1708 om het leven toen het VOC-schip waarop hij diende verging in de Oost. Een andere neef, Jan van den Brande, werd in 1712 in de omgeving van Curacao gevangen genomen toen het schip waarop hij diende werd veroverd door een Franse kaper. De Fransen hielden hem enige tijd op Martinique gevangen, maar hij overleefde het avontuur. 

Ook David’s zoon Abraham zal in de zes jaar dat hij VOC-soldaat was de nodige avonturen hebben gemaakt Hij vertrok in 1716 vanuit Rotterdam naar Batavia (in het huidige Indonesie). Vandaar ging hij al snel naar het huidige India, waar hij als soldaat werd gestationeerd in Cochin, een plaats aan de westkust van India. In maart 1722 werd Abraham daar  tijdens een duel werd gedood.

David en zijn vrouw blijven lange tijd onzeker over het lot van hun zoon. Uit de boeken van de VOC blijkt dat David uiteindelijk de nog openstaande gage van zijn zoon in Rotterdam ontvangt.

Het tuindersland en de volgende generaties 

In 1726 is David in staat een stuk tuindersland te kopen. Hij lijkt daarmee zijn dan twintigjarige zoon Willem in de gelegenheid te stellen een bestaan in dienst van de VOC te ontlopen. Willem wordt tuinder en hij krijgt later de gelegenheid om op het stuk land een huis, loods en verder opstal  te bouwen.

Dit stuk land, dat 325 roeden groot (ongeveer 5.000 vierkante meter) was, lag naast de lijnbaan van de Admiraliteit, wat verder in de Voorpolder van Kralingen. Waarschijnlijk verhuist David daar naartoe, want het huisje aan de Slakade wordt later verhuurd. 

David en zijn zoon zullen op het land hun eigen groenten hebben verbouwd. Het is goed mogelijk dat David’s vrouw Anna uit Boskoop de know how meebracht. De groenten werden per praam vervoerd en van de Slakade konden ze naar het tuindersland in de Voorpolder varen.

In 1729 is David borg voor zijn zoon Willem en dat stelt hem in staat om op 23-jarige leeftijd een huisje te kopen voor 1.000 gulden. Het ligt aan een steeg die uitkomt op de Slakade. Willem trouwt rond die tijd met Dina Gladbeek. De dochter van de Kralingse tuinder Hendrick Jacobsz Gladbeek. Willem zal zijn hele leven in Kralingen werken als tuinder.

David’s vrouw Anna overlijdt op 7 december 1730. David  ziet na haar dood zijn kleinkinderen opgroeien. Zijn enige kleinzoon wordt naar hem vernoemd.

Op 27 augustus 1739, als David 76 jaar oud is, maakt hij zijn testament op voor notaris Van Rijp te Rotterdam. Hij benoemt tot zijn enige erfgenamen de minderjarige kinderen van zijn  zoon Willem met de bepaling dat deze “sijn leven lang” het vruchtgebruik hield van de goederen. Een mooi stukje estate planning, waarbij hij zijn kleinkinderen een goede start geeft. 

De achtergrond van deze regeling is onduidelijk. Willem had bij de Oudedijk in Kralingen een stuk tuindersland in bezit, dat groter was dan David’s land en dat van zijn schoonvader afkomstig was. Wilde David voorkomen dat zijn grond door zijn zoon werd verkocht? Het doorgeven aan de volgende generatie lijkt daar op te duiden.

Op 1 mei 1743 overlijdt David op 81 jarige leeftijd te Kralingen. De waarde van zijn goederen bedraagt in 1746 2.401 gulden.

David’s erfenis

Het stuk tuindersland dat David in 1726 kocht, komt uiteindelijk in het bezit van zijn kleinzoon David, die ook tuinder wordt. Hierna gaat het over naar diens zoon oudste zoon Pieter van den Brande, tuinder, wiens kinderen, ook allemaal tuinder, daar hun hele leven blijven wonen. 

Bij de kadastrale opname van 1832 lag het land nog steeds naast de lijnbaan van de Admiraliteit en ligt op het land de Warmoezierslaan, waar langs de bebouwing ligt. De aangesloten percelen van de familie Van den Brande zijn dan ongeveer een hectare groot. Dat betekent dat in de loop van de tijd nog een naastgelegen perceel is gekocht. Het oorspronkelijke perceel was namelijk ca. 5.000 vierkante meter groot.

In 1903, wanneer Kralingen grotendeels is volgebouwd, is het stuk land, dat in het midden van Kralingen ligt, afgezien van de oorspronkelijke  tuinderswoningen nog steeds onbebouwd. De naam Warmoezierslaan is dan gewijzigd in Touwslagerspad en vervolgens wordt het de Speelmanstraat.

De kinderen van Pieter hielden kennelijk vast aan hun bezit, terwijl de omgeving door de gemeente Rotterdam werd opgekocht. Niet onbegrijpelijk: het tuindersland was een vaste bron van inkomsten en al heel lang in de familie. De laatste van hen is Anna van den Brande die in 1923 op 93-jarige leeftijd overlijdt.  David’s opzet om de grond in de familie te houden was goed geslaagd.

Behalve dit verhaal is er niets meer dat aan David of zijn tuindersland herinnert. Op de noordkant van het zijn land staat nu de societeit van het Rotterdamsch Studentencorps op de zuidkant ligt het grasveld tussen de Willem Ruyslaan (oost) en de Speelmanstraat (west).

Read more