Stamboom Van den Brande

Op deze website vindt u de stambomen van de familie Van den Brande, die vanaf 1290 voorkomt in het Land van Breda; in het bijzonder in de omgeving van Etten-Leur.

Uit deze familie stamt in rechte mannelijke lijn ook een familie Van Etten, Maaten en Maten.

De Tachtigjarige Oorlog en het vertrek uit het Land van Breda


Inleiding

Aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog woonden  in het Land van Breda op diverse plaatsen leden van de familie Van den Brande. In deze periode worden alle takken vaak Van den Brandt of Van den Brant genoemd.

De oorlog leidde ertoe dat de meesten van hen hun bakermat verlieten. De takken die het katholieke geloof trouw bleven en de Spaanse koning steunden, vertrokken richting Antwerpen en Brussel. De protestantse takken zochten hun heenkomen in het noorden.

De Van den Brande’s treft men aan beide zijden van de strijdende partijen. Aan de zijde van de Spaanse koning treft men onder meer de twee juristen en neven met dezelfde naam Mr. Claes van den Brandt. Aan de zijde van Van Oranje onder meer de militair ingenieur Mr. Wouter van den Brande.

De prins grijpt in

Dit verhaal begint in het jaar 1565, kort voor het begin van de oorlog. De Bredase jurist Mr. Claes Thomasz van den Brant is dan eind dertig en al meerdere keren benoemd als schepen van Breda. Voor het jaar 1566 lijkt hij zijn herbenoeming als schepen op zak te hebben.  De adviseurs van prins Willem van Oranje  stellen voor dat hij wordt herbenoemd in de stadsregering.

De prins beslist echter anders: Mr. Claes van den Brant mag niet terugkomen in de stadsregering. Zijn traditionele katholieke en anti-protestantse houding spelen hem parten. De naaste familie van Mr. Claes bestaat ook uit behoudende katholieken. De broer van Mr. Claes, Mr. Willem van den Brande, is in 1565 priester-pastoor op het groot begijnhof te Mechelen. De vader van Mr. Claes had een broer die monnik was en een zus die non was.

Evenals Van den Brant, mag ook schepen Van Diepenbeeck niet terug komen. In hun plaats komen Van Wijfliet en Van den Kieboom in de stadsregering. Schepen Wachmans wordt buiten-burgemeester. Ook hier volgde de prins zijn adviseurs niet. Een opvallende keuze want zowel Wachmans als Van den Kieboom waren calvinistische sympathisanten.

De beeldenstorm

Een jaar later, op 21 augustus 1566, gaat in Breda het gerucht dat enige duizenden personen uit Antwerpen naar Breda onderweg zijn om daar in de kerken “de beelden aff te werpen”. In Vlaanderen is de beeldenstorm dan al in volle gang. Vele kerken zijn daar al geplunderd en van hun beelden ontdaan. De storm gaat nu richting het noorden.

In Breda vreest men het ergste. De Bredase stadsregering verzoekt Mr. Claes van den Brant en Andries van den Kieboom om ten zuiden van Breda polshoogte te nemen en de weg naar Antwerpen te controleren. Van den Kieboom rijdt te paard naar Rijsbergen en Zundert, en vervolgens naar Hoogstraten. Daar treft hij Mr. Claes van den Brant. Die was op zijn eigen paard en met een man op een huurpaard rechtstreeks naar Hoogstraten gereden. De beeldenstormers hebben zij niet gezien. Maar de beeldenstromers komen wel. Een dag later breekt ook in Breda de beeldenstorm los. De aanval op de O.L. Vrouwekerk te Breda zal Mr. Claes en zijn familie veel verdriet hebben gedaan. De verhoudingen werden er in Breda bepaald niet beter op en de calvinistische opstand was een feit.

De hertog van Alva en Raad van Beroerten

De beeldenstorm en de opstand leiden weer tot een tegenreactie van Spaanse zijde. In 1567 stuurt de Spaanse koning de beruchte hertog van Alva naar de Nederlanden. De prins van Oranje vlucht naar Duitsland en Breda komt in Spaanse handen. Driemaal verschijnt te Breda een commissie van de Raad van Beroerten voor een onderzoek naar beeldenstormers, ketters en rebellen. De katholieke tak van de Bredase Van den Brande’s houdt zich niet stil. Voor hen is het onderzoek een mogelijkheid om hun gram te halen tegen hun calvinistische tegenstanders, die hen uit het stadsbestuur hebben gewerkt.

De jurist Nicolaes van den Brant noemde in 1571 voor de Raad van Beroerten Willem de Bye als verdacht persoon. De Bye had zijn kind thuis door een dubieuze priester had laten dopen zonder heilige olie, zo verklaarde althans Van den Brant:

 (…) gevraecht wat volk dat hij alhier kent suspect van heresie ende die hem anders souden draecghen dan catholijck, seeght dat hij eenen houdt voor suspect ende culpable van heresie genoempt Willem de Bye die welcke in den tijden van den voirleden troublen zijn kint heeft doen doopen binnen zijnen huyse bij den pastoir alhier sonder chrisma den welcke hij deponent  (=Van den Brant) noyt en heeft zien misse hooren.

117 Algemeen Rijksarchief Brussel, Raad van Beroerten 506 f. 110.

Onduidelijk is of het hier de oud-schepen Mr. Claes van den Brant betreft of zijn neef, naamgenoot en ook jurist, Mr. Claes van den Brant, de latere griffier van het Bredase leenhof. Het maakt niet veel uit: beide neven hadden niets op met de calvinisten. De griffier van het leenhof leverde later in ieder geval zijn bijdrage aan het rapport voor Parma in 1581, waarin onder meer dezelfde De Bye weer op de korrel werd genomen.

Breda in handen van Oranje (1577-1581)

De duidelijke stellingname tegen de calvinisten leidde ongetwijfeld tot problemen voor de genoemde Van den Brande’s toen Breda weer in handen van de prins van Oranje kwam. Uit een Bredase akte d.d. 12 november 1580 blijkt dat oud-schepen Mr. Claes van den Brant in of voor 1580 naar Antwerpen was uitgeweken en dat zijn kinderen 100 karolusgulden hadden moeten betalen om hun vader, die eerder gevangen was gezet, vrij te krijgen. Mr. Claes was ongetwijfeld gevangen gezet door zijn calvinistische tegenstanders. Het ging er over en weer stevig aan toe. Hoe dan ook, de machtswisseling in Breda was voor Mr Claes reden om Breda definitief te verlaten. Zijn Bredase zaken liet hij na 1580 verder regelen door een oom van moederszijde, Willem Jan Roovers (Roevers).

Pas als het Twaalfjarig Bestand in 1609 van kracht wordt, durven de (schoon)kinderen van Mr Claes van den Brant zich weer in Breda te vertonen. In 1611 komt Sr. Joost van Dixmuijde, meier van Valenciennes, de weduwnaar van Jouffr. Marie van den Brande, naar Breda om namens haar familie erfgoederen in Breda en omgeving te verkopen.

Breda weer in Spaanse handen (1581-1590)

Als Breda in 1581 weer in Spaanse handen valt, ziet de genoemde neef en naamgenoot van Mr Claes van den Brant, kans om carrière te maken. Hij is een zoon van Frans Jansz van den Brande, die in 1558 -1559 tienman van Breda was. De oudere broer van deze Mr Claes, te weten Jan Frans Jansz van den Brande is in 1564 al naar Antwerpen vertrokken, waar hij schoolmeester is geworden. De jongere broer Thomas Frans Janssone van Brande is in of voor 1580 al naar Brussel uitgeweken waar hij als pasteibakker werkt.

Na de machtswisseling in 1581 wordt in Breda de katholieke godsdienst in ere hersteld en de hervormde godsdienst wordt verboden. Alexander Farnese, de hertog van Parma, besluit dan een algemeen pardon voor de Bredase inwoners uit te vaardigen. Hiervan wordt echter een groep calvinistische bestuurders en sympathisanten uitgesloten. De lijst van deze calvinisten wordt opgesteld door twee leden van de Raad van Brabant, Filips Veusels en Gooswijn Batson. Zij handelen conform een uitvoerige instructie van Parma en krijgen daarbij hulp van vijf vooraanstaande Bredase katholieken. Een van hen is Mr Claes van den Brant en het zal niet verbazen dat de calvinistische De Bye en Wachmans op de lijst verschijnen. Dan is het Willem de Bye die gevangen wordt gezet. De meesten anderen calvinistische bestuuders zijn Breda dan al ontvlucht.

Mr Claes van den Brant reist in augustus 1581 met Veussels naar het hof van Parma om persoonlijk verslag te doen van de situatie in Breda. Hij houdt er een goede positie in Breda aan over. Hij blijft griffier van het Bredase leenhof tot dat Breda in 1590 door de soldaten uit het bekende turfschip op de Spanjaarden wordt heroverd. Na deze herovering ontbreekt van griffier Claes van den Brant verder ieder spoor.

Maurits van Oranje en zijn militair ingenieur

Als Breda in 1590 in handen komt Maurits van Oranje, is het in feite een grensstad. Ten zuiden van de stad heerst de Spaanse vijand.  Dit is alle aanleiding om vanaf 1591 de Bredase vestingwerken te versterken. De bovengenoemde katholieke Van den Brande’s laten zich in Breda niet meer zien. Nu is het zaak hun Spaanse vrienden buiten de deur te houden.

Dan komt een andere Van den Brande aan bod. Bij de versterking van de vesting leert prins Maurits de Bredase metselaar en stratenmaker Wouter Goderts van den Brandt, ook genaamd Mr. Wouter van den Brande, kennen. Hij speelt een grote rol bij de versterking van de vesting.

Mr Wouter groeit met al zijn ervaring uit tot militair ingenieur en wint het persoonlijk vertrouwen van Prins Maurits.  Mr Wouter wordt in 1599 benoemd als "ingenieur of werckmeester" van de fortificaties. Snel daarna, op 7 januari 1600, wordt hij door Prins Maurits aanbevolen bij de Staten-Generaal en Raad van State en op 10 januari 1600 wordt hij door hen benoemd tot militair ingenieur.

Mr Wouter’s taken overstijgen dan de Bredase zaak. Hij moet zich bezig houden met vestigingwerken over de gehele frontlinie. Op 7 maart 1601 wordt hij op bevel van Prins Maurits zelf gezonden naar het Duitse Wezel om aan de fortificaties te werken. Hij krijgt voor zijn reis 60 gulden toegezegd.

In februari en maart 1602 adviseert Mr. Wouter van den Brande over de fortificaties van Oostende. Dat is dan het zuid-westelijke bastion van de Nederlanden. Zoals blijkt uit een resolutie van de Staten-Generaal:

"Aengaende de reparatien ende het maken van de voirder fortificatien binnen Oistende, conformeren hen insgelijcx d'heeren Staten mettet advis van den Raedt, te weeten, dat men sal maken de halve mane in 't Zuytoosten, twee redoubten in den polder ten Westen ende voirts de fortificatien volgende het advis van Mr. Wouter van den Brande". (Resolutien van de Staten-Generaal 25 maart 1602).

Mr. Wouter is al weer snel in Holland nodig. Op 1 mei 1602 komt te Oostende het bevel van Prins Maurits,  dat men "den Ingenieur Wouter van den Brant belasten soude dat hij in alder diligentie naar Hollandt soude comen / om beneffens andere te velde ghebruyckt te werden / ende bij so veere hij eenighe wercken onderhanden hadde / dat men die voor sijn vertreck overlveren soude in handen van den Ingenieur M. David van Oorliens".

Met zijn werk begeeft Mr Wouter zich steeds weer in de vuurlinie van de Spaanse vijand. En dat is niet zonder risico. In 1602 sneuvelt hij, mogelijk tijdens de belegering door de Spanjaarden van Oostende.

Zijn weduwe moest toen alleen de zorg voor  hun kinderen op zich nemen. Waarschijnlijk verzocht zij de voormalig werkgever van haar man om geldelijke steun, want op 11 augustus 1610 werd het rekest "van de weduwe van ingenieur Wouter van den Brande" door de Staten-Generaal afgewezen. Wat er van hen is geworden is onduidelijk. In ieder geval vertrokken ook zij uit Breda. Ook de naaste familie van Wouter verliet Breda.

Ook andere Van den Brande’s vertrekken uit Breda

Kort voor of aan het begin van de oorlog vertrekt ook Matthijs Anthonisz van den Brande uit Breda. Deze zoon van de Bredase schepen Anthonis Domaesz van den Brande, wordt woudmeester en drossaert van Brabant. Zijn (klein)kinderen vestigen zich blijvend in de zuidelijke Nederlanden. Dat zij de Spaanse koning goed gezind zijn blijkt duidelijk uit hun carrière.

De zoon van Mathijs, Mr. Franchoijs van den Brande, studeert rechten en wordt griffier-generaal van de munt van de Spaanse koning. Kleinzoon en ook jurist Mr. Jan-Baptiste van den Brande schopt het zelfs tot raad van oorlog van de koning. Zij hebben in Breda niets meer te zoeken en laten zich daar lang niet meer zien.

Pas als het Twaalfjarige Bestand van kracht is laat de oudste zoon en naamgenoot van Mr. Franchoijs zich in Breda zien. Mr. Francois van den Brande is op 4 mei 1612 te Breda om namens zijn vader en zijn mede-erfgenamen de moergrond te Dongen te verkopen die van de grootouders van zijn vader was geweest. Deze moergronden zijn dan waarschijnlijk decennialang voor hen onbereikbaar geweest.

Het vertrek van het Bredase platteland

Voor de Van den Brande’s die op het platteland rond Breda leefden bracht de Tachtigjarige Oorlog weinig goeds.

Op de grens tussen Oosterhout en Dongen leven tijdens de oorlog de (achter)kleinkinderen van Aert van den Brande. Hun bestaan speelt zich af rond de voorouderlijke hofstede aan de Groenstraat, de grensstraat tussen Oosterhout en Dongen, en in de buurt Middelwijk te Oosterhout.

Het krijgsgeweld en rondtrekkende soldaten zorgen lange tijd voor grote ellende. Regelmatig worden er huizen in brandgestoken of wordt daarmee gedreigd. De ellende komt van beide strijdende partijen. Of nu Breda of Geertruidenberg wordt belegerd, de Oosterhoutse bevolking is steeds het slachtoffer.

Een bende Geuzen steekt op 6 mei 1574 midden in de nacht 74 huizen in Oosterhout in brand. Zij eisen geld om erger te voorkomen.

In 1582 hebben de Staten van Brabant aan Oosterhout onverwacht een belasting opgelegd van 765 gulden. Het geld moet rechtstreeks uitbetaald worden aan de kapiteins van legereenheden in Herentals en Hoogstraten. Die laten, wanneer het geld niet snel genoeg komt, een paar Oosterhouters gevangen nemen en in Herentals opsluiten. Als na drie weken het geld er nog niet is, dreigen de kapiteins om Oosterhout helemaal af te branden. Een van de Oosterhoutse gevangenen is dan Peeter Cornelis Aertszoon. Mogelijk is hij dezelfde als Peeter Cornelis Aertsz van den Brandt, die in Oosterhout woont. Zeker is dat niet, maar deze Van den Brandt heeft alle reden om Oosterhout te verlaten.

Peeter van den Brandt verruilt het Oosterhoutse platteland uiteindelijk voor het Geertruidenberg dat in handen is van de prins van Oranje. Daar wordt hij meestal Peeter Cornelisz van Oosterhout genoemd en heeft hij een turfhandel. Zijn neef, de metselaar Merten Adriaensz van den Brande, verlaat gedurende de Tachtigjarige Oorlog ook de voorouderlijke gronden. Hij vestigt zich rond 1600 in Dordrecht.

De Tachtigjarige Oorlog ten einde

Als in 1648 de Tachtigjarige Oorlog ten einde is, is ook aan het verblijf van de Van den Brande’s in het land van Breda een einde gekomen. Zij zijn naar het noorden en het zuiden vertrokken.

De oorlog heeft ertoe geleid dat zij hun bakermat, het land van Breda, de rug toekeerden.