Stamboom Van den Brande

Op deze website vindt u de stambomen van de familie Van den Brande, die vanaf 1290 voorkomt in het Land van Breda; in het bijzonder in de omgeving van Etten-Leur.

Uit deze familie stamt in rechte mannelijke lijn ook een familie Van Etten, Maaten en Maten.

Kasboekje van Jan van den Brande te Breda over de jaren 1459-1469

Introductie

Jan van den Brande stelde over de periode 1459-1469 (waarschijnlijk achteraf) een rekening samen van de inkomsten en uitgaven van zijn moeder Cornelie, weduwe van Claes Adriaensz van den Brande. In de rekening noemt hij behalve zijn moeder, zijn zus Antonie.  Waarschijnlijk was er ook nog een zus Lambrecht. Zij woonden in Breda.

Het kasboekje[i] werd door Jan van den Brande rijkelijk versierd met een ridder te paard, biddende mensen, een struisvogel en fantasiewezens, zoals een eenhoorn.  Het kasboekje bevat ook Latijnse hymnen[ii] (kerkliederen).

Jan van den Brande was later tingieter te Breda. Hij moet omstreeks 1445 zijn geboren en hij woonde rond 1500, en waarschijnlijk eerder al, in het huis de Zevensterre aan de Grote Markt te Breda. Jan trouwde met Margriet Jan Thomasdr van Meghen, een dochter van Jan Thomasz. van Meghen en Engelberten Jan Reynsdr van der Byestraten[iii]. Hij overleed in de winter van 1522-1523.

Hieronder volgt eerst een analyse van de informatie uit het kasboekje, waarna een volledige transcriptie van het kasboekje volgt.

De inkomsten en uitgaven

De inkomsten betreffen de opbrengsten uit turfwinning, de verhuur van onroeroend goed en renten op onroerend goed. Alhoewel Jan van den Brande met zijn moeder en zus in Breda woonden, was een groot gedeelte van hun inkomsten uit het platteland rond Breda afkomstig. In het kasboekje worden Etten, Princenhagen, Zundert, Sprundel, Bavel en Gilze genoemd.

Een analyse van de inkomsten toont aan dat de meeste bezittingen die inkomsten genereerden (zoals onroerend goed en renten), lang familiebezit bleven en vererfden. Sommige waren ruim 60 jaar na de opname in het kasboekje nog steeds familiebezit. Bij de huurders van gronden komen diverse familieleden voor.

De uitgaven betreffen o.a. vaargeld, kosten van onroerend goed, jaarbede en te betalen renten. Daarnaast komen ook de betaling van schoolgeld en betalingen aan de kerk voor. Allerhande kerkdienaren, zoals de prochiaan van het zielboek, kregen betalingen en ook werd er geld betaald voor het branden van kaarsen door de begijnen te Breda.

De inkomsten en uitgaven komen voor in verschillende munteenheden.  Het meest voorkomend zijn guldens en stuivers. Daarnaast worden genoemd de Leliaert, Oude Groten, Philipspenningen, Oude Schilden en gouden Arnoldusguldens.

Inkomsten uit turfwinning te Etten

Een grote inkomstenpost wordt steeds voldaan door Coman Gherijt. Deze koopman bezat samen met Jan’s grootvader Adriaen van den Brande grond te Etten, bij het Moleneinde. Adriaen die overleed in 1455, had grote aandelen in de turfwinning te Etten, waaronder een groot aandeel in de 400 bunder. Zijn zoon Claes kreeg daarvan weer een gedeelte in handen.

Waarschijnlijk verzorgde Coman Gherijt de exploitatie van de moergronden uit de erfenis van Adriaen van den Brande. Coman Gherijt betaalde steeds een wisselend totaal bedrag.

Dat de gewonnen turf naar elders werd afgevoerd blijkt uit de post vaargeld. Een enkele keer worden de betrokken schippers genoemd, te weten Neel opte Molegraft en Dieric Ravens.

Een andere kostenpost betreft de “scepen cost opt moer”. Daarnaast betaalde men moerchijns. Ook werd betaald aan een landmeter “van alde reise dat hi opte moer was”.

Oom Cornelis van den Brande zorgde ervoor dat graafwerkzaamheden werden verricht. Ook andere werden betaald voor graafwerk en de aanleg van wegen.

De exploitatie van de Ettense gronden lijkt dan ook grotendeels te zijn uitbesteed.

Onroerend goed

Om het onroerend goed te houden moesten renten en belastingen, zoals heerenchijns en schot, worden betaald. Daarnaast werd er meerdere malen geld uitgegeven als bijdrage aan het maken van dijken en wegen te Etten.

In het kasboekje wordt meerdere malen een leen genoemd. Uit een van de posten valt op te maken dat het leen lag te Sprundel en gehouden werd van heer Philips van Schoonhoven.  De leenboeken van de Hertog van Brabant bevestigen inderdaad dat Claes Adriaensz van den Brande leenman was van Philips van Schoonhoven.  Na zijn overlijden moest de leenheer betaald worden voor het overzetten van het leen.

Een steeds terugkerende post betreft de inkomsten uit het Crusblock (het Kruisblok). Het werd gehuurd door ene Laureys Jan Daems.

Ook is regelmatig sprake van inkomsten wegens “ghaershueren”.  Dit betreft de verhuur van grasland[iv].

Interessant zijn de inkomsten uit de verhuur van “de wech” te Etten aan Cleijs van der Strompe. Dit was niet een weg in de huidige betekenis. Het betrof een smalle strook weidegronden, ten westen van de Leurse Vaart, die doorgang boden naar de noordelijk gelegen grotere weidegronden. Deze strook werd de Brantse Weg en soms kortweg Den Brant genoemd.  De Van den Brande’s noemden dit stuk grond ook het Brantse Goet. Het is opvallend dat alle verschillende takken van de Van den Brande’s te Etten grond in dit Brantse Goet bezaten. Het duidt er op dat grote delen van de Weg al lang familiebezit waren.

Het aandeel van Claes Adriaensz van den Brande was drie bunder en vererfde op zijn dochter Anthonie Claesdr van den Brande. Dit aandeel bleef in de familie en werd verhuurd aan familie. Cleijs van der Strompe was namelijk gehuwd met Cornelia van den Brande, een buitenechtelijke dochter van de algenoemde Cornelis van den Brande.

Renten

Naast inkomsten uit de verhuur, bestonden de inkomsten ook uit renten. Deze renten werden gevestigd op onroerend goed en bleven daar als zakelijk recht op rusten.

Een rente van drie zester werd geheven op "Gheryt van Waeienberch te Sundert".  Een zester is een oude inhoudsmaat[v] en omvat vier viertelen. Deze rente betreft de hoeve Waayenberg te Zundert (nabij de huidige Belgsiche grens). De uitreiker was Gheryt IJsbrants. Jaarlijks moest hij uit de productie van de hoeve drie grote tonnen graan betalen. In de praktijk werd afgerekend in geld.

Jan van den Brande en zijn zus Antonie erfden als jonge kinderen van Kathelijn van der Molen, begijn in het begijnhof te Breda en in 1427 meesteres van het begijnhof, krachtens testament een rente van vier zester rogs die werd geheven op de hoeve van Waeyenberg te Zundert. Kathelijn van der Molen, die overleed in 1458, was mogelijk een zus van hun moeder of van een van hun grootouders. De rente was in 1522 nog familiebezit. De rente kwam toen terecht bij Thomas Jansz van den Brande, behoudens een gedeelte van een zester dat bij de erfgenamen van Anthonie Claesdr van den Brande bleef.

Familieleden

Uit het kasboekje blijkt dat veel inkomsten en uitgaven familieleden betroffen. Hieronder volgt een overzicht:

1.  Adriaen Jansz. van den Brande (ca. 1390-1455), moerexploitant te Etten, grootvader van Jan van den Brande. Door hem aangegane verplichtingen werden door Jan voldaan.

2. Cornelis Jansz van den Brande (ca. 1400-1475), moerexploitant, schepen van Etten in de palen van de Hoeven, 1435, 1438, 1439, 1442-46, 1458, 1461, schout van Etten, bestuurder van de polder Elshout, won. te Etten aan het Attelake, tr. Lijsbeth Domaes. Hij werd betaald voor werkzaamheden te Etten.

3. Domaes Cornelisz van den Brande (ca. 1440, ovl. 1504) zoon van 2, won. Etten aan het Attelake, daarna te Hoeven. Hij huurde grond.

4. Cleijs van der Strompe, gehuwd met een buitenechtelijke dochter van 2. Hij huurde grond.

5. Cornelis Heys, de zoon Soete Jansdr van den Brande, een zus van 1 en 2.

6. Cornelis Domaes, een zoon Adriane van den Brande, dochter van 2.

De transcriptie

Hieronder volgt de tekst van het kasboekje. De letterlijke tekst is gevolgd, op een enkele uitzondering na. De auteur gebruikt zowel voor de letter V en W in zijn handschrift de letter V. Dit is gecorrigieerd, om de transcriptie voor de hedendaagse lezer begrijpelijker te maken.


Folio 1


Item ontvangen van jofrou van Nispen

(…)


Dit is die rekeninghe ende bewisen

mijnre moeder van Sinte Jans mis daghe

int jar LIX tot Jaerdaghe LX


Item ontvanghen van Marcelis Busen[vi] van dat

hij in sijn rekeninghe overghgheven heef

van ghelde ende van sculden LXIX ½ gulden

en ii stuvers


Item van Lam Aerts en is niet ontfanghen


Item dat aen Cornelis van den Brand

ghevijst was en heeft van iiii ½ niet

ghegheven dat saet hij dat hij ulders

vor die kiiinder betaelt heeft


Item van Coppen Ouls van iiii jaren tsamen iii

viertele rogs die viertele xii stuvers


Item Gherijt Ijsbrant van sijs ix oud(...)


Folio 1 verso


Item van Peter van Aken en Neel van

Apssel van de Crusbloken XV gulden ende

ene leliaert


Item van Daen Wouter Reins van den

Plassen XX ½ gulden


Item van Cleijs van der Strump van den

wech tEtten II½ gulden


Item van Jeenken Baten tEtten van ghaers

huere V gulden


Item van Goeiaert van noer een sester

rogs V gulden en ii stuvers


Item Coppen Aert Nouens[vii] van den bloeck

tEtten III gulden en III brespennin


Des ghelts was X gulden dat ander

hout hij in voerdat hij den (…)

(…) dijck


folio 2


Dis dat uutgheven van den

jaer LIX van Sinte Jans daghe

tot  (…) daghe inghaende LX


Item van enen brief opten Heenberch

iiii stuvers


Item van den cost die daer vertert

waert doen Marcelis Busen sijn rekeninghe

dede metten X quarten vijns

dae die drosset dar op dede setten

al tesamen XLVII stuvers


Item van vaertgheeld XXX1½ stuvers


Item Cornelis Heijs van moer sijs ende

van verbeden X stuvers en enen leliaert


Item Ghijb Denijs van dijckerden

IIII philipse penninc


Item van Cornelis Heijs van sijs tEtten

III stuvers en een oert


Item heer Peter Rutten II stuvers van

enen lopen rogs


Item heer Anthonis Visseler van sijs

VIII½ ouden groten


Item her Jan Voegh van sijs VI gulden

en enen brespenninc


Folio 2 verso


Item Jan van den Put en Lijbet van

Lazouen van sijs XII gulden en VI stuvers


Item van Voecht de kiesen ende die heij

Te veilen VIII stuvers


Item van den leen te ontfaen III stuvers


Item Peter Heijnen van sijs van der

heij te Etten XLVIII oude groet

Item van sijs in de Crusbloeck IX penninghe


Item van eenen brief van Caerls hus

IIII stuvers


Item Cornelis van den Brande van der

heeij te graven XIII½ gulden


Item Jan Ghodevaerts dat hem Adriaen

van den Brand schuuldich was

IIII gulden en III stuvers


Item Jacob mijn van vaertgheeld

IIII ghulden


Item Willem Nouens III gulden die

Adriaen van den Brand hem van

ovuts schuldich was.


Item Merten den verver van Adriaen

Molens sijs LXXXII½ gulden


Folio 3


Dits oenfanc int jar LX


Item van Comen Gherit tot Etten XV gouden

Arnoldus gulden en noch XLII½ gulden

van ende af te quiten


Item Willem Vogheler XI gouden arnolus

gulden oet van sijs


Item van Kaerl Scnoeien XIII gulden aen costen


Item van Gherijt tot Rijsberghen III zeester

rogs die viertel XI stuvers


Item van broeder Jan die vijs ii oude

scild die ander II hout thi aen heem

selven van der tocht


Item van Claeijs Domaes tEtten van ghaer

hueren V gulden


Item van Henric Domaes XI gulden en iii stuvers


Item van Cornelis Maes van den plassen

XVIII½ gulden


Item Claes vander Strump van ghaerrueren

XXVI stuvers


Folio 3 verso


Item Laureis Jan Daems van den crusblocke

XVI gulden


Item van Gherit IJsbrant IX oude groot


Item van Jan Daems kynderen III seester

rogs die veertel XI stuvers


Folio 4


Dit is dat uutgheven int jar X


Item her Peter Ruutten van sijs en van rog tesamen XV stuivers


Item den rentmeester van sijs IX penningen


Item den parsoen[viii] van iii jaren elck jar iiii stuvers


Item Cornelis Heijs van sijs en van jeerbeden V stuvers en I ort


Item die scoelmeester van sijs XXXV stuvers


Item Hein Wijtmans van dijckerden indie Haghe XVII Philipse penninghe


Item Heinric van der Molen van sijs LXXXII½ gulden 10 stuvers voer de ghulden


Item Embrecht van Boeimer en Jan van der Put XII gulden en VI stuvers


Item Gielijs dekeens van capittel sijs VIII oude groten


Item XIIII Riinssche  ghuulden voer onssen cost


Folio 4 verso


Dits ontfanc int jaer LXI


Item Domaes van den Brande van eender schuren XXV stuvers en I oert


Item Cornelis Maes van ghaershueren in die Haghe XVIII½ gulden


Item Heenrick Domaes van ghaershueren XI gulden


Item Claeus Domaes van van ghaershueren V gulden


Item Laureis Jan Daems van den Crusblocke XVI gulden


Item Claes van der Strump van ghaershueren XXVI stuvers


Item Comen Gherijt XIIII gouden ghulden en XVI½ gulden van ene die hi afghequit heef


Item Wil Vogheler XI gouden Arnoldus gulden


Item van de cloester van Machghelen II oude scilde die ander twe houden sij aen heen selven van der tochten


Wordt vervolgd

noten


[i] Gemeentearchief Breda, Coll. Mr. G.A. Kleijn, nr. 58.

[ii] ) De genoemde hymnen zijn het  Christe qui lux et dies, Veni Creator Spiritus en het Ave Maris Stella, en een gebed het Veni, Sancte Spiritus.

[iii] Zie voor haar familie: Familieboek: Van der Biestraten, De Labistrate, Biegstra(a)ten van Ger Matthee en Ton Reniers. http://www.matthee.info/publicatie-van-der-byestraten-delabistrate-biegstraaten.

[iv] Gaers is een Middelnederlandse aanduiding voor gras. Het werd ook gebruikt als landmaat, maar in deze context is grasland waarschijnlijker. In de vijftiende eeuw werd de aanduiding in land van Breda nog gebruikt voor weidegronden. Zo vestigde Cornelis Jansz van den Brande in 1456 een rente “op omtrent vyfthiene buynder garsingen tZonzeele”.

[v] De inhoudsmaten voor rogge waren: een lopen = 21,6 liter, een veertel (= 4 lopen), een halster (= 8 lopen) en een zester (= 16 lopen).

[vi] Uit het kasboekje blijkt dat de inkomsten en uitgaven tot 1459 werden bijgehouden door ene Marcelis Buysen. Waarschijnlijk heeft Jan van den Brande die werkzaamheden op jonge leeftijd overgenomen.

[vii] Jacob Aert Noydens woonde te Etten, waarhij o.a. grond bezat in de Banacker.

[viii] parsoen (of persoon) betkent hier pastoor.