Stamboom Van den Brande

Op deze website vindt u de stambomen van de familie Van den Brande, die vanaf 1290 voorkomt in het Land van Breda; in het bijzonder in de omgeving van Etten-Leur.

Uit deze familie stamt in rechte mannelijke lijn ook een familie Van Etten, Maaten en Maten.

Het levensverhaal van David van den Brande (1662-1743)

Stamvader

David van den Brande mag met recht de stamvader van de familie Van den Brande te Rotterdam-Kralingen worden genoemd. De beslissingen die hij nam hadden een grote invloed op zijn nakomelingen, die tot ver in de negentiende eeuw als tuinder werkzaam waren in Kralingen. 

De basis voor het tuindersbestaan werd gelegd in 1726 toen David ten behoeve van zijn zoon een stuk tuindersland kocht. Het stuk land bleef bijna tweehonderd jaar - tot in 1923 - in de familie. In dat jaar overleed Anna van den Brande, de laatste in de familie die het land in bezit had. 

De eerste jaren

David wordt eind 1662 geboren te Dordrecht. Hij is het negende kind van Abraham Maertensz van den Brande en Lijsbeth Jansdr. 

David is vernoemd naar zijn oudere neef David Davidsz, een bootsman in dienst van de VOC, die in 1659 overleed te Ambon. Na diens overlijden ontvangt Abraham Maertensz van den Brande samen met zijn broer Isaack de gage die David Davidsz nog van de VOC tegoed had. Als in 1660 Abraham een zoon krijgt noemt hij hem David. Deze David overlijdt op jonge leeftijd en de in 1662 geboren zoon word ook weer David genoemd.

David groeit op in een arm gezin. Zijn vader was oorspronkelijk huistimmerman, maar vanaf ongeveer 1664 verdient hij de kost als zakkendrager.

Bij zijn geboorte heeft David, drie oudere broers: Maerten, 15 jaar, Johannes, vijf jaar,  en Daniel een jaar oud. Zijn ouders hadden vijf andere kinderen gekregen maar die zijn op jonge leeftijd overleden.

In 1665, als David nog geen drie jaar oud is, heerst de laatste grote pestepidemie in Dordrecht. David ontspringt de dans. David’s nichtjes de dochters van zijn oom Isaack zijn echter minder gelukkig. In het najaar van 1665 overlijden de vier dan nog levende dochters van Isaack. De oudste is dan al in de twintig, de jongste vijf jaar oud.

David groeit op in Dordrecht, eerst in de Stoofstraat later in de Mazelaarsstraat. Hij gaat naar school waar hij leert lezen en schrijven. 

Het Rampjaar 

In 1672, als David tien jaar oud is, gaan de Nederlanden gebukt onder het Rampjaar. In dit jaar begon de Hollandse Oorlog en werd de Republiek aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Munster en Keulen.

Het was het jaar waarin de gebroeders De Witt werden vermoord. 

David zal de beide broers die uit Dordrecht afkomstig zijn en die ongeveer even oud zijn als vader, vaak in de stad hebben gezien. Johan de Witt werd in Den Haag vermoord, maar ook in Dordrecht gaat het er heftig aan toe.

Er zijn in 1672 ook in Dordrecht grote oproeren en de zakkendragers speelden daarin een grote rol.  David’s vader en broer werken dan als zakkendrager en de vraag is of zij meededen aan het oproer. Tijdens een oproer op 13 mei 1672 werd het huis van burgemeester Halling, een vriend van Cornelis de Wit, geplunderd. In september 1672 sloeg de vlam weer in de pan. Een verslag uit die tijd vermeldt dat de Dortse zakkendragers hun korenmaten kapotsloegen en in het vuur wierpen. De korenmaten die gebruikt werden om hun zakken met graan te vullen waren zo groot dat zij moeilijk te hanteren waren. Bij hun daad riepen de zakkendragers: "Nieuwe heeren, nieuwe maaten". Ze wilden een nieuw stadsbestuur evenals de andere Dortse gilden. Op 4 september 1674 werden diverse regenten uit hun ambt gezet.

Dertien jaar na het oproer kon een deelname daaraan de gemoederen nog bezig houden. David's broer, Maarten Abrahamsz van den Brande, werd er toen van beschuldigd dat hij aan het oproer had deelgenomen. Of dat echt zo was? Onderstaande akte uit het Dordtse archief lift een tipje van de sluier op.

4 dec. 1685: verklaring door Jacob Jansz. Schuttel, 53 jaar oud en Abraham Jansz. Bont, ongeveer 40 jaar oud, beiden arbeiders te Dordrecht, op verzoek van Maarten Abrahamsz. van den Branden, eveneens arbeider te Dordrecht. Zij getuigen, dat in 1672 , "ten selven dage, als wanneer het huijs van den heere out borgemeester Johan Hallingh binnen dese stadt wierde gespolieert, verweldight, ende geplundert (sonder nogtans dat sijlieden attestanten pertinent souden konnen seggen, wat dag het selve is geweest)", (noot: dat was 13 mei 1672) zij samen met Maarten van den Brande 120 tonnen turf hebben gedragen uit de turfschuit van Huijbert Jansz. van Bleijswijk naar het huis van Anthonij Buijs, veertigraad van Dordrecht, die toentertijd woonde in het huis van de Gevangenpoort [Vuilpoort] naast de Leuvebrug. Zij zijn daarmee bezig geweest van 's morgens 7 uur tot 's middags 3 uur, omdat in het huis de zakken turf 97 treden opgedragen moesten worden. Zij hebben alleen geschaft van 9 uur tot half 10 's morgens en zijn gedurende dat halve uur altijd samen met de rekwirant geweest. Na afloop van het werk omstreeks 3 uur 's middags zijn zij samen in de Suikerstraat een glaasje bier wezen drinken ten huize van de weduwe van Joost Corstiaensz. tot 's avonds 8 uur, zonder dat Maarten gedurende die tijd van hen weg is geweest, "veel min dat den requirant sig in, met of ontrent het spoliëren ofte plunderen van het huijs van voorsz. heere out borgemeester Hallingh soude hebben gemelleert ofte bemoeijt, of sulcx willen doen, te meer omdat deselve daadt bij de requirant en de attestanten te selver tijdt wierde verfoeijt en ten hoogste qualijk geoordeelt." (ONA Dordrecht inv. 446, f. 219 e.v.)

David’s broer Maerten verfoeide dus het oproer, aldus de getuigen. Ze zouden op de middag van het oproer van 3 uur tot 8 uur 's avonds rustig een biertje gedronken hebben. We zullen het nooit zeker weten. Er zal bij David thuis uitgebreid gesproken zijn over de oorlog, de moord op de gebroeders De Witt en het oproer. 

Een feit is dat het Rampjaar veel armoede bracht en ook in David’s gezin zal dat gevoeld zijn. Door de oorlog nam de international handel af, waardoor de zakkendragers in Dordrecht minder werk te verdelen hadden. Die verdeling vond plaats in het zakkendragershuisje waar de aanwezige zakkendragers – in Dordrecht Mazelaars genoemd- met dobbelen het werk verdeelden.

Omstreeks 1674 overleed David's vader Abraham. Rond die tijd woonde David bij zijn moeder in de Mazelaarstraat, vlakbij het Dortse zakkendragershuisje. Begin 1675 hertrouwt zijn moeder met de Dortse zakkendrager Leendert Jansz. Bleij.

Het vertrek uit Dordrecht

Een paar jaar na het rampjaar, in 1675, vertrekt David’s een jaar oudere broer Daniel, op veertienjarige leeftijd, als leerling-matroos uit Dordrecht. Op 15 augustus 1675 begint Daniel’s reis op een VOC-schip naar Tutucorin in India, waar hij na een reis van negen maanden, aankomt. Na zijn terugkomst zal hij zijn broer verteld hebben over zijn avonturen: de ontberingen aan boord, de stop in Kaapstad, en de flora en fauna van het exotische India.

Daniel maakt meerdere reizen. Op 27 mei 1681 vertrekt hij weer met  een VOC-schip naar Batavia, waar hij op 24 januari 1682 aankomt. Hij benoemt zijn moeder Lijsbeth Jansdr steeds tot begunstigde van een deel van zijn gage.

Ook David zal al op jonge leeftijd hebben moeten werken. Of hij evenals zijn broer matroos was? Het is goed mogelijk. Hij verliet Dordrecht dat staat vast en werkte later op de admiraliteitswerf te Rotterdam.

David’s huwelijk

David trouwt in 1690 te Haastrecht met de uit Boskoop afkomstige Anna Lammerse van Willigen. Van zijn moeder krijgt David dan kleding en "redinge" en 100 gulden tot “onderstand van zijn huwelijk”. 

David’s  broer Daniel is rond die tijd overleden. Een goede kans dat de reizen naar de Oost hem noodlottig werden.

David en zijn vrouw vestigden zich na hun huwelijk in Rotterdam. Zij woonden aan de Slakade, even buiten de Oostpoort van Rotterdam. De Slakade ligt in de dan nog zelfstandige ambacht Kralingen, maar David en zijn vrouw gingen in Rotterdam naar de kerk. Daar werd op 31 juli 1692 hun oudste zoon Abraham, vernoemd naar David’s vader, gedoopt. Er volgen meerdere kinderen, maar alleen Abraham en Willem bereiken de volwassen leeftijd.

In 1698 is David in Dordrecht om zijn aandeel in de erfenis van zijn oom Isaack van den Brande in ontvangst te nemen. Isaack, een mr.-huistimmerman, bezat meerdere huizen te Dordrecht en zijn erfenis werd verdeeld over de kinderen van zijn broers en de familie van zijn vrouw.

David werkt als sjouwer en waker op de Admiraliteitswerf. Een paar minuten lopen van zijn huisje aan de Slakade. 

Overdag sjouwt hij met de zware houten balken waarmee de schepen worden gebouwd. ‘s Avonds bewaakt hij de werf tegen diefstal. 

De Slakade

David koopt op 26 april 1700 een "huisje met loodsje gelegen aan de Slakade" voor  820 gulden.  De Slakade ligt aan een vaart net buiten de Oostpoort in het ambracht Kralingen. Waarschijnlijk bezat David een van de huisjes die wat verder op aan de kade lagen, richting de molens (nu het einde van de Slaak bij de Gerdesiaweg).

Beslommeringen in de familie 

In 1706 overlijdt David’s moeder en David gaat naar Dordrecht. Hij verschijnt daar samen met zijn broer Johannes  voor de notaris om de bescheiden erfenis te verdelen. Hun broer Maarten van den Brande is op dat moment “uitlandig”. Waarschijnlijk als matroos of soldaat. De inboedel wordt gegund aan hun zus Ida en David krijgt 37 gulden.

Later dat jaar komt Ida naar Rotterdam waar zij getuige is van de doop van haar neefje Willem van den Brande. Zij heeft hem niet vaak gezien. Twee jaar later overlijdt Ida op 42-jarige leeftijd te Dordrecht.

De oudste zoon van David, Abraham, vertrekt als hij 24 jaar is, als soldaat naar de Oost. Een gevaarlijk avontuur. En David weet dat als geen ander. Zijn broer Daniel was niet de enige die in dienst trad en jong overleed. David’s neef Abraham Maertensz was kannonier en kwam in 1708 om het leven toen het VOC-schip waarop hij diende verging in de Oost. Een andere neef, Jan van den Brande, werd in 1712 in de omgeving van Curacao gevangen genomen toen het schip waarop hij diende werd veroverd door een Franse kaper. De Fransen hielden hem enige tijd op Martinique gevangen, maar hij overleefde het avontuur. 

Ook David’s zoon Abraham zal in de zes jaar dat hij VOC-soldaat was de nodige avonturen hebben gemaakt Hij vertrok in 1716 vanuit Rotterdam naar Batavia (in het huidige Indonesie). Vandaar ging hij al snel naar het huidige India, waar hij als soldaat werd gestationeerd in Cochin, een plaats aan de westkust van India. In maart 1722 werd Abraham daar  tijdens een duel werd gedood.

David en zijn vrouw blijven lange tijd onzeker over het lot van hun zoon. Uit de boeken van de VOC blijkt dat David uiteindelijk de nog openstaande gage van zijn zoon in Rotterdam ontvangt.

Het tuindersland en de volgende generaties 

In 1726 is David in staat een stuk tuindersland te kopen. Hij lijkt daarmee zijn dan twintigjarige zoon Willem in de gelegenheid te stellen een bestaan in dienst van de VOC te ontlopen. Willem wordt tuinder en hij krijgt later de gelegenheid om op het stuk land een huis, loods en verder opstal  te bouwen.

Dit stuk land, dat 325 roeden groot (ongeveer 5.000 vierkante meter) was, lag naast de lijnbaan van de Admiraliteit, wat verder in de Voorpolder van Kralingen. Waarschijnlijk verhuist David daar naartoe, want het huisje aan de Slakade wordt later verhuurd. 

David en zijn zoon zullen op het land hun eigen groenten hebben verbouwd. Het is goed mogelijk dat David’s vrouw Anna uit Boskoop de know how meebracht. De groenten werden per praam vervoerd en van de Slakade konden ze naar het tuindersland in de Voorpolder varen.

In 1729 is David borg voor zijn zoon Willem en dat stelt hem in staat om op 23-jarige leeftijd een huisje te kopen voor 1.000 gulden. Het ligt aan een steeg die uitkomt op de Slakade. Willem trouwt rond die tijd met Dina Gladbeek. De dochter van de Kralingse tuinder Hendrick Jacobsz Gladbeek. Willem zal zijn hele leven in Kralingen werken als tuinder.

David’s vrouw Anna overlijdt op 7 december 1730. David  ziet na haar dood zijn kleinkinderen opgroeien. Zijn enige kleinzoon wordt naar hem vernoemd.

Op 27 augustus 1739, als David 76 jaar oud is, maakt hij zijn testament op voor notaris Van Rijp te Rotterdam. Hij benoemt tot zijn enige erfgenamen de minderjarige kinderen van zijn  zoon Willem met de bepaling dat deze “sijn leven lang” het vruchtgebruik hield van de goederen. Een mooi stukje estate planning, waarbij hij zijn kleinkinderen een goede start geeft. 

De achtergrond van deze regeling is onduidelijk. Willem had bij de Oudedijk in Kralingen een stuk tuindersland in bezit, dat groter was dan David’s land en dat van zijn schoonvader afkomstig was. Wilde David voorkomen dat zijn grond door zijn zoon werd verkocht? Het doorgeven aan de volgende generatie lijkt daar op te duiden.

Op 1 mei 1743 overlijdt David op 81 jarige leeftijd te Kralingen. De waarde van zijn goederen bedraagt in 1746 2.401 gulden.

David’s erfenis

Het stuk tuindersland dat David in 1726 kocht, komt uiteindelijk in het bezit van zijn kleinzoon David, die ook tuinder wordt. Hierna gaat het over naar diens zoon oudste zoon Pieter van den Brande, tuinder, wiens kinderen, ook allemaal tuinder, daar hun hele leven blijven wonen. 

Bij de kadastrale opname van 1832 lag het land nog steeds naast de lijnbaan van de Admiraliteit en ligt op het land de Warmoezierslaan, waar langs de bebouwing ligt. De aangesloten percelen van de familie Van den Brande zijn dan ongeveer een hectare groot. Dat betekent dat in de loop van de tijd nog een naastgelegen perceel is gekocht. Het oorspronkelijke perceel was namelijk ca. 5.000 vierkante meter groot.

In 1903, wanneer Kralingen grotendeels is volgebouwd, is het stuk land, dat in het midden van Kralingen ligt, afgezien van de oorspronkelijke  tuinderswoningen nog steeds onbebouwd. De naam Warmoezierslaan is dan gewijzigd in Touwslagerspad en vervolgens wordt het de Speelmanstraat.

De kinderen van Pieter hielden kennelijk vast aan hun bezit, terwijl de omgeving door de gemeente Rotterdam werd opgekocht. Niet onbegrijpelijk: het tuindersland was een vaste bron van inkomsten en al heel lang in de familie. De laatste van hen is Anna van den Brande die in 1923 op 93-jarige leeftijd overlijdt.  David’s opzet om de grond in de familie te houden was goed geslaagd.

Behalve dit verhaal is er niets meer dat aan David of zijn tuindersland herinnert. Op de noordkant van het zijn land staat nu de societeit van het Rotterdamsch Studentencorps op de zuidkant ligt het grasveld tussen de Willem Ruyslaan (oost) en de Speelmanstraat (west).