Stamboom Van den Brande

Op deze website vindt u de stambomen van de familie Van den Brande, die vanaf 1290 voorkomt in het Land van Breda; in het bijzonder in de omgeving van Etten-Leur.

Uit deze familie stamt in rechte mannelijke lijn ook een familie Van Etten, Maaten en Maten.

Oranjegezinden en patriotten

In juni 1785 tekenden de Rotterdamse tuinders Willem van den Brande, oud 78 jaar, zijn zoon David van den Brande, oud 51 jaar, en diens zoon Pieter van den Brande, oud 21 jaar, een rekest van de Oranjegezinden dat zich richtte tegen de heroprichting van het patriotse vrijkorps. Zij kozen daarmee expliciet stelling tegen de patriotse initiatieven in Rotterdam en voor de Oranjegezinden. Zo’n expliciete keuze was niet vanzelfsprekend. Het overgrote deel van de Rotterdammers hield zich afzijdig in deze politieke strijd.

Rotterdam had toen ongeveer 60.000 inwoners, terwijl slechts 1.200 patriotten en 1.800 Oranjegezinden daadwerkelijjk bij de politieke conflicten betrokken waren. 

Het rekest dat de drie Van den Brande's tekenden werd op 20 juni 1785 ingediend bij de Burgemeesteren en Vroedschap van Rotterdam. Het rekest was een steunbetuiging aan het  kort daarvoor - op 13 juni 1785 - door de Oranjegezinden tegen het patriotse vrijkorps ingediende rekest. Hierna volgde nog twee rekesten uit het Oranjekamp. De rekesten tegen het patriotse vrijkorps werden getekend door meer dan 900 Oranjegezinde Rotterdammers. De rekesten werden aangeduid als het Request Antidotaal. In modern Nederlands: een tegenverzoekschrift.

Het Request Antidotaal was de Oranjegezinde reactie op het patriotse verzoek tot heroprichting van een vrijkorps. 

Om dit verzoek goed te begrijpen moeten we terug naar 1783. In dat jaar kwamen de Oranjegezinden en de patriotten in Rotterdam herhaaldelijk met elkaar in aanvaring. De Oranjegezinden maakten zich schuldig aan excessen bij het vieren van de verjaardag van de Prins van Oranje, terwijl de het patriotse deel van de burgerwacht de Oranjegezinden provoceerden. De burgerwacht (schutterij) bestond zowel uit Oranjegezinden en patriotten. Eind 1783 richten de patriotten hun eigen vrijkorps - in feite een gewapende burgermilitie - op. Dit als onderdeel van hun nationale strategie om tot eigen milities te komen. Het vrijkorps fungeerde naast de burgerwacht. Met een eigen vrijkorps konden de patriotten hun aspiraties tot omvorming van de Nederlanden tot een republiek verwezenlijken.

Een reactie bleef niet uit. Op 29 maart 1784 werd bij het stadsbestuur een rekest ingediend, dat was ondertekend door 478 Oranjegezinde Rotterdammers. Zij verzochten de ontbinding van het Patriotse vrijkorps ingediend. De patriotten probeerden hun tegenstanders belachelijk te maken en noemden het rekest het "zoopjes-rekest", omdat de ondertekenaars na de ondertekening een glas brandewijn kregen. 

Ondanks die mediacampagne van de patriotten was het rekest toch succesvol. Op 8  mei 1784 besloot het stadsbestuur conform. De orde diende te worden bewaakt door de burgerwacht, die uit Oranjegezinden en patriotten bestond. Het patriotse vrijkorps werd de facto verboden. Om een compromis te vinden tussen de patriotten en Oranjegezinden verbood het stadsbestuur de schutters van de burgerwacht het dragen van oranje linten en cocardes. 

De patriotten bleven niet stil zitten. Op 11 april 1785 dienden 200 Rotterdamse patriotten een rekest in tot heroprichting van hun vrijkorps. Verdere acties van de patriotten volgden. Zo wisten zij een Statencommissie uit Den Haag naar Rotterdam te bewegen om orde op zaken te stellen. Die hulp uit Den Haag kwam niet uit onverdachte hoek. In het landelijke bestuur waren de patriotten anders dan in Rotterdam in de meerderheid.

Het Request Antidotaal was vooral bedoeld om het Rotterdamse stadsbestuur te steunen in het verbod op het patriotse vrijkorps. De patriotten maakten ook nu weer hun Oranjegezinden stadsgenoten belachelijk.

Behalve spotprenten gebruikten de patriotten in hun mediacampagne een “naming and shaming” strategie. Zo publiceerden zij een lijst met 856 Rotterdammers die het Request Antidotaal hadden getekend. Die lijst was echter niet compleet. Willem en David van den Brande worden genoemd in de door de patriotten gedrukte lijst. Hun (klein)zoon Pieter echter niet. Dat ook hij tekende blijkt uit een officieel afschrift van het rekest.

De antidotalen waren anders dan de patriotten suggereerden gemiddelde Rotterdammers uit alle lagen van de bevolking. Velen van hen kwamen uit het “gewone volk” waarboven de patriotten zich verheven voelden, maar tot de antidotalen behoorden ook veel middenstanders en leden uit regentenfamilies. In feite was het aantal antitdotalen vele malen groter dan het aantal patriotten dat de rekesten tekenden. Dat aantal zal een reden zijn geweest voor de patriotten om de antidotalen in een kwaad daglicht te stellen.

Met de steun uit Den Haag kwamen de Rotterdamse patriotten, ondanks de Oranjegezinde meerderheid onder de bevolking toch aan de macht. En zij kregen hun vrijkorps. Voor meer dan 80% bestond dat vrijkorps uit anderen dan leden van de Nederduitse Gereformeerde Kerk, toen de publieke kerk. In het patriotse vrijkorps zaten relatief veel Katholieken.

De drie Van den Brande's behoorden daarentegen tot de Nederduitse Gereformeerde Kerk. Pieter van den Brande die op 21 jarige leeftijd het Rekest Antidotaal tekende, was later als diaken actief in de Kralingse kerk. Zijn zoon Johannes van den Brande (gemeenteraadslid in Kralingen) was als notabele betrokken bij de oprichting van de Nederlands Hervormde kerk aan de Hoflaan te Kralingen.  De geloofsovertuiging van de familie Van den Brande speelde zeker een grote rol bij haar anti-patriotse houding.

Ongetwijfeld tot grote ergernis van de drie Van den Brande's, was de revolutie in Rotterdam op 23 april 1787 een feit. Een feit van korte duur overigens, want al op 13 september 1787 trok een detachement Pruisische huzaren Rotterdam binnen om de Oranjegezinden weer in het zadel te helpen. Het patriotse vrijkorps werd weer ontbonden.