Stamboom Van den Brande

Op deze website vindt u de stambomen van de familie Van den Brande, die vanaf 1290 voorkomt in het Land van Breda; in het bijzonder in de omgeving van Etten-Leur.

Uit deze familie stamt in rechte mannelijke lijn ook een familie Van Etten, Maaten en Maten.

Van den Brande te Oosterhout

Deze tak van de familie Van den Brande begint met ene Jan van den Brande die omstreeks 1400 is geboren.

Hij bezat een hofstede te Dorst (Oosterhout) die met de noordzijde was gelegen aan de Berschot. Het lijkt er op dat hij zich omstreeks 1430 daar heeft gevestigd. Zijn hofstede te Dorst, geheten het Schoet(ken) of Luttelschot, was eerder eigendom van ene Jan van Eyssel. De familie Van den Brande bezat in de 15e eeuw ook een aandeel in de gronden bij het Breeven te Dorst (de ghemeijnder wildert ende vanden Breevenne). Ook dit bezit kwam van Jan van Eyssel.

Een goede reden om eens nader naar zijn familie te kijken. De familie Van Eyssel bezat rond 1415 al een aandeel in het Schoet zoals blijkt uit onderstaande akte:

GAB: fol. 25 THG138 ca. 1415 Claus Betten vader, heeft bewijst in der vierscaren van Ghinneken den Heyleghen Gheest van Breda, op dese naevernoemde pande, III lopen rogs. Dats te weten:

(1) op een buynder beemde, ende heyt die Haer, gheleghen op de een side Robbout van Eysel ende ander side Mergrijt Hein Beertrams;

(2) Item, een buynder goets, in de Groetbuynder, gheleghen Robbout van Eysel ende Kathelijn van Eysel op beyden syden;

(3) Item noch een buynder goets, heyt de Scoet, III lopen rogs, gelegen Margriet Hein Bertrams op deen side ende op dander side Bertram Heynen ende Kateline van Eysel. Betaelt Henric van Gilse. Denijs Zegers. Betaelt Jan Meus soen (GAB: fol. 25 THG138 ca. 1415).

Jan van den Brande was mogelijk gehuwd met een dochter van Jan van Eyssel. Ook verder waren er banden met de familie Van Eyssel. Jan's dochter, Kathelijne van den Brande, hertrouwde met de Ginnekense schepen Rombout Lambrecht van Eyssel. Dit was een kleinzoon van de ca. 1415 genoemde Robbout van Eysel, ook schepen van Ginneken. Zijn zus Kathelijn van Eysel bezat in 1415 een aandeel in het Schoet. In 1457 was ene Jan Aertsz van Eyssel met gronden bij het Schoet buurman van de kinderen van de toen overleden Jan van den Brande.

De Jan van Eyssel, van wie Jan van den Brande dus diverse gronden verwierf, woonde ca. 1415 te Bavel. Hij bezat ook grond op de Lijndonk te Bavel. Zoals blijkt uit onderstaande inschrijvingen van de Bredase Heilige Geest van ca. 1415:


Jan van Eycel, van sinen goede te Bavel, daer hi nu ter tijt inwoent, ende beleghen heeft Heyn Beertrams met sinen erve aen die noertside ende aen die zuytside des heerenstraten. Van Marien Heyn Zebe soens weghen, twee loepen rogs.


Sterke Gherijts kinder van Lijndonc, (1) op eenen halven beemt, heit Riscot; (2) ende op een stuc lants, heit t Garenstuc, aldernaest Jans goede van Eycel te Lijndonc aen deen side ende Gherijt Zwerten kinder aen die ander side. Als van Wouter Beerten weghen, acht loepen rogs. /

Desen onderpant heeft Jan van Donghen nu ter tijt in hangden. Ende noch, op desen selven onderpant, heeft Thonijs ende Katheliin bruer Ioes Knaep, ghegheven in rechter armissen, VIII lopen rogs. / Betaelt Ruelen Enbrechts.

Jan van den Brande bezat naast het Schoet(ken) of de Luttelschot ook nog gronden in het Espken en in het Hoogbroek. Rond 1415 had de familie Van Tolloysen (ook geschreven: van Toleusen of Tolluijssen, een bastaardtak uit de heren Van Oosterhout) daar bezit. Rond die tijd komen daar geen Van den Brande's voor. Jan van den Brande kwam dus zeer waarschijnlijk van elders.

Rond 1415 komen in het land van Breda alleen in Etten-Leur Van den Brande's voor. Er is echter geen bewijs dat deze Jan van den Brande daar vandaan kwam.

Voor de in de tweede helft van de 16e eeuw te Oosterhout levende Heijn Jansz van den Brande is het verband met de Van den Brande's uit Etten-Leur waarschijnlijker. Onzeker is echter of hij een zoon is van de Jan van den Brande uit Dorst.

Deze Heyn Jansz van den Brande had een dochter Lijsbet die trouwde met Godert Boeykens. Haar man was een zwager van Jan van den Brande alias Cocx (die afstamt van de Etten-Leurse Van den Brande's). Zie de pagina Etten-Breda. Haar schoonmoeder was Geertruyt Godert Hendricx, een dochter van de Ettense schout Godert Hendricks.

I. Jan van den Brande, woonde te Dorst, Oosterhout, vermeld Dorst 1444, 1446, 1448, ovl. in of voor 1457. Jan bezat grond te Dorst tussen de Broekstraat en de Berschot, geheten het Schoetken (Luttelschot) en het Espken, en in het Hoogbroek, ten zuiden van de Broekstraat. Daarnaast bezat hij twee percelen moer- en heidegrond te Nieuw Ceters.

Kinderen:

1. Lenaert volgt IIa.

2. * Heyn (onzeker of hij een zoon is) volgt IIb.

3. Matheus volgt IIc.

4. Peter volgt IId.

5. Gheryt volgt IIe.

6. Kathelijne volgt IIf.


RA Oosterhout 256 f 55r/55v 31 augustus 1444 Jan Gerit Scelkens heeft met recht doen gedage, oa: een stuck heide een bunder groot, Jan van den Brande aan de ene zijde en Reyn Heyne van der Munten aan de andere zijde.

RA Oosterhout 256 f 26 1448 Gherit Petersz van Heusdenhout als vocht van Steven Heuvelmans kynder en Janna met Peter van de Biestrate heuren wettige man reiken uit Peter Jans Heuvelmans, oa uit: een stuk erfs geheten de Hofstad houdende iii lopensaet Michiel Lemmens en Jan van den Brande aan de ene zijde en Thijs Meijne gelegen aan de andere zijde.

Jan wordt in 1456 genoemd als belender in de lantcijns van Gilze:

”Claes Goevaertss van der Biestraten van den beempden achter de Dorstsche Acker te Hozenhout weten tussen Jans van den Brande Hoogbroec en(de) Geerts Daes Bolc welken beempt geheyten is de Biesdonc en de wilen was Marchiels van Dorst. VIII denier”

Aert Aertsz van der Molen verkocht op 20 april 1477 te Oosterhout een stuk land gelegen naast "Jans erfgenamen van den Brande" (RA 259 f. 74v.).

RA Oosterhout 257 f 98 10 december 1457: Venit Jan Aertsz van Eijsel schuldig jaerlicx en erflic Lambrechta Lammen Meusdr. van viertel erfpacht op v bunder erfs met huijs en schuijre daerop, gelegen neven Jans erfgenamen van den Brande ene sijde en Peters erve van den Aerde en den Beerschot andere zijde, hodende op Aerts kynder van der Voirt.

RA Oosterhout 257 f 180 1458 Jacob Godert Alaerts verkoopt Peter Dirc Peters, Jans kynder van den Brande ene sijde en Jan Zwerten andere zijde.

RA Oosterhout 257 f 139 25 mei 1459 Venit Dirck Henrick Sniders venit Jan Ghijb Claes (…)

item noch ii lopensaet erfs geheyten dEsbken, gelegen tussen Jans kynder erve van den Brande en Gerit Gerits erve, etc

RA Oosterhout 258 f.34v 25 december 1461 Venit Marie Meeus Thijs dochter venit Jan Aert zoon van Eijsel iii bunder lants mette huyse schuere en tymmeringhe dair op staende, gelegen tzheren vroet deen zijde en Meeus (…) was, dander hodende op Jans erfgenamen van den Brande. Te vrijen met vii gans en iii denier herenchijns en viii viertel erfpachts jairlicx uijtgaen die sij dair op heffen blijft, gevest in anno lxi xxv dag in december.

Opmerking: de verkoopster is waarschijnlijk een dochter van Meeus Mathijs Bertrams.

Jan van den Brande bezat twee percelen moer- en heidegrond te Nieuw Ceters.

Oosterhout cijnsboek van Craenschot 1435 (met latere vermeldingen). Heyn van den Munten I capoen, op een half buender moers, tusschen Boyden van Tolleusen ende Janne van den Brande hieraf set hij tonderpande II lopensaet lands, te Dorst tusschen Heyn Swerten ende Peter Meeus sone, daer gaet vut I 1/2 gans. Item noch I capoen op I buender erfs in Dorst biden Beerschot quondam Peter Meeus sone.

Oosterhout Cijnsboek 1525 Jacop Gheerijts van der Munten Ende noch op een half buijnder moers dat Henricx van der Munten was, gelegen tussen Bouwen moere van Tolluijssen en Jans erfgenamen van den Brande was en nu gelegen is Adriaen Reijners kijnderen van der Munten op d’oestzijden en Jan Jacop Oeten opte westside daer af hij tot onderpande geset heeft twee loepensaet goets, die gheleghen sijn tussen Jans erffgenamen van den Brande ende Gheerits Swarten erve.

Oosterhout cijnsboek van Craenschot 1435 (met latere vermeldingen) Jan van den Munten VIIII gans op II buender te Dorst, ende noch op II buender daeraen dese vier buender liggen, tusschen Jan van den Brande ende Jan Goderts, ende op omtrent II lopensaet lands, tusschen Heyn Swart ende Jacop van den Dijck. Item VIII ganze, noch van den selven goede. So XVIII ganse.

Jan Gerits sone te Dorst VIII denier op Nyewelant geheten, Jacop Jan Gielen sone erve oostwaert ende Heyn Zwarten kint van de Teteringh ende Hein Zwarten lant van Dorst beyden erven westwaert, dat Jacops van Overacker plach te wesen. Item I capoen op V lopensaet lants, wat myn heyvelts aenden Berscot, Reynken van den Munten noortwaert ende Jan van den Brand oostwaert”. (De erfgenamen van Reyner van den Munten worden in 1478 vermeld als belender van Matheeus Jansz van den Brande).

Thijs Maynen II ganze op I heyvelt omtrent I buender, quondam Wouters van Toleusen, te Dorst, neven Jans erve van den Brande.(Jan Mathijs Meyne(n) wordt in 1478 genoemd als belender van Matheeus Jansz van den Brande).


IIa. Lenaert van den Brande

Kinderen:

1. Lijsken (Lijsbet), ovl. voor 12 feb. 1512, tr. Jan Faes, wagemaker te Breda, alias Jan de Wagemaker alias Jan Faes de Visscherszoon.

Hieruit:

a. Digne Jan Faes tr. Cornelis Adriaensz. van Lijndonck.

b. Hillegont Jan Faesdr. diemen noempt de Vissersdochter, tr. Merten Mertens van der Put, zoon van Merten Janssone van den Put en Margriet Adriaen Visschersdr.

RA 259 Oosterhout f. 111v Matheeus Jans sone van den Brande kont dat hij schuldig is jaerlich en erflijck vut te reycken Lijsken Lenaertss docher van den Brande vijf viertelen rogs erfpachts (zie verder bij Matheeus Jansz van den Brande).

Breda 20 okt. 1489: Jan Faes (en zijn vrouw) kopen een huis te Breda op de Haagdijk "tegens de Gempelstrate over" "streckende tot aan de Donckvaert"van Zebrecht Mercelissen.

RA 261 f. 79v 15 nov. 1490 Lijsbeth Lenaertsdr van den Brande, die was getrouwd met Jan Faess, verkocht de rente van viertel rogs die zij hief op vierlopensaet ‘t Schoetken aan Peter van den Brande


* IIb. Heyn Jansz van den Brande, woonde te Oosterhout op de Houtse Heuvel, ovl. in of kort voor 1490, Heyn bezat op de Houtse Heuvel een “huijs ende hof” met twee lopensaet land daarachter gelegen. Op ten Hout bezat hij een bunder land. Kort na 1485 kocht Heyn nog een bunder weiland. Heyn trad voor de schepenbank regelmatig op als voogd - in de periode 1480-1485 alleen al 23 maal.

Kinderen:

1. Lijsbeth tr. ca. okt. 1484 x Godert Claeys Boeykens, zoon van Claes Boeykens en Geertruy Godert Henricks. Hij was een broer van Willem Claes Boeykens, Peter Claes Boeyken en van Lyebe Claeys Boeykens gehuwd met Willem Scoblant van der Hulst. Peter Claes Boeykens was gehuwd met Mechtelt Jansdr van Elsacker .

2. Alijt

Alijt Heijnen dochter van den Brant verkocht in 1490 aan Heijn Huijgen een half bunder land.

3. Jan volgt IIIa.

De dochter van Heyn Jansz van den Brande, Lijsbeth, tr. Godert Claes Boeykens, een zwager van Jan van den Brande alias Cocx, die was gehuwd met Margriet Claeys Boeykens. Zie de pagina Etten-Breda.

Heyn kocht op 11 feb. 1472 twee lopensaet land gelegen naast "Heyn van den Brande hof" (RA 259 f. 40).

Op 29 juni 1475 is hij geld schuldig aan Jan Matheeusz (RA 259 f. 63).

In 1476 wordt hij twee maal vermeld als voogd te Oosterhout. Zijn wederpartij is in beide gevallen Steven Eelen Wijfliet alias Steven die Laet (RA 259 f. 80 en 81v.).

Op 13 jan. 1477 verkocht Heyn Jansz van den Brande aan Geryt Heymansz een erfpacht uit zijn "huys ende hof met 2 lopensaet lants d(ae)r after aen gelegen," gelegen "op te hovel ten hout" tussen Neel Staessen en Jan Ghijsbertszoon. (RA 259 f 89v)

In 1485 is Heyn geld schuldig aan zijn zwager Godert Claes Boeykens - verzekerd op de volgende bezittingen van Heyn: een bunder land gelegen ten Hout “op t acker” en huys en hof met twee lopensaet land daar achter gelegen “hodende van ten Houdt op ten Houvel ten Houdt (RA 260 f 136 v).


IIc. Matheeus Jansz van den Brande, woonde te Oosterhout, ovl. ca. 1490. Matheeus was bezitter van een stuk land genaamd den Brandt, daarnaast van den Hoogen Broeck. Matheeus was ook (mede)eigenaar samen met zijn broers van een stuk land te Dorst genaamd het Schoetken. In 1480-1490 diverse malen te Oosterhout vermeld als belender.

Geen kinderen nagelaten.


RA 259 Oosterhout f. 111v Matheeus Jans sone van den Brande kont dat hij schuldig is jaerlich en erflijck vut te reycken Lijsken Lenaertss docher van den Brande vijf viertelen rogs erfpachts te betale tot onss vrouwe(n) d(e) lightmisse vut ende op

-XIIII (14) lopensaet erfs luttel min oft te meer metter tymmeringe (=schuur) daer op staende daer Matheeus Wouter op woent Reyners erfg(enamen) erve van den Munten aen deen sijde westwaert Jan Mathijs Meynen oostwaert hodende metten nordeneynd opte gemeyn wildt me(t) aft opt sHe(e)renstraet te vrije mit h(eer)en tchijns en(de) VI (6) v(eer)telen r(o)g(s) jaer(lic)x erfs voer vutgaen(de).

-It(em) noch II (2) lopensaet gelegen neve(n) Jan Mathijs s(one) erve op deen sijde Alaert Cornelijs op dander sijde te vrije(n) met h(eer)enchijns.

-It(em) 2 b(uynder) heyden Jacop God(er)ts s(one) met t'hander erve aen deen sijde, en(de) met sijn sust(er) aen dand(er) sijde hoden(de) op tsH(eer)enstraet vroent te vrijen met h(eer)enchijns jae(r)licx. Anno ut littris.

RA Oosterhout 260 f. 20 1480 Jan Adriaensz van der Munten verkocht Jacop Vrancken een erfpacht op een bunder beemden gelegen after dAcker in t Hoigbroec Godert Jan Aertsz met sijne erve opte noordzijde Jan Ghijb Cleyss opte suijtzij, hodende op Theeuke van den Brandts erve oostwaarts en wegende ter Broeckstraat toe vut

RA Oosterhout 261 f7v 1486 Heyn Adriaen Reynen is een haster rogs schuldig aan zijn zus Marie Adriaenrsdr uit zijn land. Haar toebedeeld na de dood van haar vader. Theeuke van den Brande met sine erve aan de oostzijde geheten Den Brandt, Jan Adriaensz aan de westzijde; suijtwaert op herenstraat.

Opmerking: de belenders zijn de kinderen van Adriaen Reynen van der Munten.

Uit het cijnsboek Craenschot (Oosterhout) 1548 blijkt dat Matheus Janss van den Brande - geruime tijd voor 1548 - ook eigenaar was geweest van “III vierendeel buynder van den Hoogen Broeck”. In 1456 was de Hoog Broeck eigendom van zijn vader Jan van den Brande.

In 1490 worden “Theeuw van den Brants erfgenamen” genoemd als belender van een perceel ten zuiden van de ‘sHerenstraet te Dorst.

Ca. 1496 werden div. goederen van Matheeus door de heer van Oosterhout overgedragen aan Kathelijn Gerijts Oelmans (dochter van Kathelijn Jansdr van den Brande) en haar man Heyn Loeyers. Zij wordt nog vermeld in de legger van de cijnzen uit 1524 als eigenaar van 8 bunder land die van Matheeus waren geweest. Deze zelfde Kathelijn kocht ook een lopensaet erfpacht van de weeskinderen Aenken en Stijnken van den Brande.


IId. Peter Jansz van den Brande, woonde te Dorst (Oosterhout), ovl. in of voor 1490, in 1480-1485 twee maal genoemd te Oosterhout als belender. Hij tr. waarschijnlijk ene Mary. Zijn zonen bezitten diverse, naast elkaar gelegen percelen land te Dorst waaronder ‘t Schoetken (=Luttelschot) gelegen te oosten van de Berschot (Baarschot).

Kinderen:

1. Jan volgt IIIb;

2. Peter volgt IIIc;

3. Willem, volgt IIId;

4. Dierick, volgt IIIe.


RA Oosterhout 260 (foto 14) Peter Jansz van den Brande belender van de Heyschot, die in handen heeft Mathijs Jan.

RA Oosterhout 8 mei 1492 Peter Cornelis Janssoens soen heeft heeft vercoft Cornelis zijnen vader een halster rogs erfpachts vut twee zesteren en al gelijc vutgaende na vutwijsen den ouden brief die gemaect wast int jaer ons heren dusent vierhondert op Sente Michiels dach en veronderpand zijn vut ende op dese na becsreven gueden.

In den yerste op omtrent twe buynder lants geheeten den Schoet tot Dorst gelegen Mathijs Bertrams erve en Jan Goens erve opte zuijtzijde en Peter van den Brants kynder opten nortzijde welc twee bunder nutertijt metten handt hebben Matheus Jansz van den Brandt, Jan Peters van den Brande en Heijn Jan Mertens.

Item noch op omtrent ii lopensaet lants gelegen tot Ceters tusschen Heyn Jan Henrics erve ende Heyn nu metter handt oic heeft.

Item noch op die tweedeel van de (…) tot Dorst met i(i) lopensaet b(eemden)daer gelegen dat Heyn Jan Mertens nu besit en bewoont.

Item noch die tweedeel van eene lopensaet lants tot Dorst gelegen en Corstiaen Wouters mett hande heeft tusschen Peter Meeus erve was en al vrij met herenchijns na vutwese den ouden brief, gevest op den dach voirs.

Oosterhout Cijnsboek 1524 Wouter Jan Wouters te Dorst van twee buijnder erffs gheheijten Den Heijschoot, die Peter Ghijben van der Tateringhen waren en voertijts Peter Jansz van den Brande en daer te vorens Jan van Eijssell waren. Aert Peter Aerts met sijnen erve geleghen opte suijtsijde ende Wouters voersz selfs anderen erve opte noortside, streckende metten oosteneijnde op Marie Thijs Lauwers wed. erve. Ende noch op op een recht derdendeel van omtrent ii buijnder die oick Peter Ghijben waren ende voertijts Peter Jansz voirsz. Oic waren. Alsoet gelegen is in den Berschot. Dierick Peetersz met sijnen erve noortwaert ende oick westwaert. Ende noch op een derden deel van der ghemeijnder Wildert ende vanden Breevenne, die oock Peeter vorsz waren en voertijts Jans van Eyssel waren.

IIe. Gherijt Jansz van den Brande, woonde te Dorst (Oosterhout) waar hij diverse percelen land bezat, ovl. in of na 1499. Hij tr. Kathelijn Gherijt Pauwelsdr., afkomstig van Gilze, zij ovl. voor 19 jan. 1518.

Kinderen:

1. Jan, volgt IIIf.


2. Marijken

3. Heylwich, Heylwich Gheryt Jansdr van den Brande, tr. Gielis Adriaensz van Ghierle.

Opmerking: Kathelijn Gherijt Pauwelsdr. is de moeder van Heylwich. Waarschijnlijk is zij niet de moeder van Jan en Marijken.

RA Oosterhout 260 25 juni 1481 f. 46v Gerijt Jansz van den Brande vercoft Jan Heijn Snijers omtrent vi lopensaet erfs luttel min oft meer gelegen te Dorst int Acker, Peter Diericx op deen zijde nortwaert ende Jan Ghijb Cleijs aen dander sijde hodende voera en tsherenstraetende metten anderen eijnde opte wech in t Acker.

Te vrije met heren chijns en viii lopen rogs jaerlicx voer vutgaen ende x lopen erfpacht die de voirg Gerijt jaerlicx heffen blijft op ons vrouwen lichtmisse, gevest Jan op den voirs te weten xxv dach in juino anno 1481

RA Oosterhout 260 f. 69v. 20 maart 1482 Peter Diericx vercoft Peter Laureys Boyters tot behoef Elijsabeth Sijmonsdr (met Heyn van den Brande als voogd) twee viertelen rogs erfpachts (…) vuyt ende op(…)

Item noch op omtrent i lopensaet erfs bij de Broeckstraet geheyten dEspken Gerijt Jansz van den Brande aen deen sijde, Gheen Huijben op dandersijde, west en oist vrij met herenchijns.

RA Oosterhout 262 f 114v 2 augustus 1499 Gerijt Jans van den Brande is belender van jonkvr. Margriet Betrams

RA Oosterhout 262 f 116 9 september 1499 Gerijt Jansz van den Brande vercoft Jan Heijn Theeus omtrent ii lopens erfs metten huijsse daerop staende ut in ka transfixa, gevest opte dach voirsz.

IIf. Kathelijne Jansdr van den Brande, geb. ca. 1445 (of wat eerder), ovl. na 1509, ovl. in of voor 1518, tr. (1) Gheryt Oerlmans (Oerelman, Oelman, Oirlman), waarschijnlijk zoon van Jan Gherijts Oelman, woonde 1469 in de Tolbrugstraat te Breda, ovl. voor 1485, tr. (2) Rombout Lambrecht van Eyssel, schepen van Ginneken. Zij woonde als weduwe in de Gashuisstraat (Veemarkstraat) te Breda.

Kinderen ex (1):

1. Jan Gherijt Oerlmans, geb. ca. 1470 of eerder, ovl. in of voor 1521, tr. Lijsbeth Adriaen Dyrcxdr, hij erft van zijn oom Matheus Jansz van den Brande. Jan bezat een huis in Gasthuistraat (Veemarktstraat) te Breda, dat van zijn moeder was geweest.

2. Kathelijne Gherijt Oelmansdr, tr. (1) Cornelis Blerincx, tr. (2) Heyn Raes alias Loeyers, erft van haar oom Matheus Jansz van den Brande. Zij bezaten een huis genaamd “Deege” aan de Gasthuisstraat (Veemarktstraat) te Breda, in 1521 kochten zij het huis van Jan Gherijt Oerlmans aldaar. Henrick Raessoon is in 1499 te Breda borg ten behoeve van Willem Petersz van den Brande, een neef van Kathelijne.

3. Maria, ovl. in voor 1532 tr. Jan van der Hulst Willemsz. ovl. in of voor 153o. Zij bezaten een huis aan de Haagdijk te Breda “buyten St. Mertenspoorte opten Fellenoort westwaert aen Sint Anthoniscapelle”.

Breda 1469: Item Jan die Bonte, VI groten pagamenti, op syn huys ( ghelegen in die Brugstrate), ghelegen tusschen tusschen Gherijt Oelmans erve op die westzide, Lauwereis Zib Bonten sone erve op die oestzide. Verschynt sinte Mertenmiss.

Item VI groten payments, opt huys ende erve, (in die Brugstrate,) neven der Vesten, dat Rombout Potters plach te sijn. Ende dese VI groten payments heeft daerop ghewijst Lijsken Vincken, voir III groten payments, die sinte Katheline iaerlijcs hief, op haer huys in die Gasthuysstrate, dat Willekens van Scimmer plach te sijn. Dit pant besit nu Hadewij Rombouts voirscreven dochter, met Johannes Alstens haren man. / Nu besittet Gherijt Orelman.

RA Oosterhout 260 f. 146v 1485 Kathelijne Jans dochter van den Brande vercoft met Rombout Lambrecht van Eyssel hueren man en voight vercoft Jan Jacop Oeten soen omtrent die helft scheidinge van twee bunder so landt en moer also groot ende so cleijne also die gelegen zijn en Kathelijne voirs aencomen en bestorven zijn na doot hueren vader, gemeyn en onbedeelt met Adriaen Tiel Reyns op deen zijde westwaert ende metten norden eijnde op mijns heren moer van Nassau en metten anderen eynde opt geburwech item noch I bunder gelegen bij (...) de Stevenovensche straet, Reyn Eelken op deen zijde en Jois Laureyssoon op de oestzij, vrij (met) herenchijns, gevest op de dach voirs.

Dit stuk moer stond in het cijnsboek achtereenvolgend op naam van de mannen van Kathelijn.

Oosterhout Cijnsboek 1524

Jan Jacop Oeten soen op I buijnder moers ten Nijeuwen Ceters dat Rombout Lambrechts van Eijssel was ende voirtijts Gheerijt Oelmans was van Breda,

Gelegen Tyel Adriaen Tyelensz met meer anderen opte westside ende streckende op mijns Heeren moer van Nassouwen…I Capoen.

Tiel Adriaen Tielen zoon op omtrent een buijnder moers van ii buijnderen die Peeter Reijns voertijts waren ende nae Adriaen Tiel Reijnerszoon alsoe dat gelegen is Jan Jacop Oeten oestwaert ende Anssem Servaesz westwaert, hoedende zuijtwaert opten Steenovensestaret ende noortwaert op mijns Heren moer van Nassouwen, daer aff Peeter voergenoemd tonderpandt geset heeft 1 buijnder heyden daer aen gelegen, tusschen Wouter van Holten erve ende Jans kijnderen van den Brande erve…I Capoen

Breda R415 f28r 6 augustus 1499

Katelijn weduwe wijlen Gerit Oerlmans met Jan de Roever hueren voigt als voir deen helft en Marie Gerit Oerlmans dochter met Jan van der Hulst Willemsz hueren man en voigt als voir dander helft hebben vercocht Peteren van Arendonck een stuck erfs alsoe groot en cleyn alst gelegen is tot alsulken stad gelegen ut in ka transfixa welck stuck erfs voirs die voirs vrouwen met huren voighden vors geloven te vrije met een gouden reaal erfchijns met seven ouden gr(oten) erfchijns en met een eenen viertel rogs erfpachts daer erflic vutgane gevest 1499 vi dage in augusto.

(…)

Katelijn Gerit Oerlmandochter met Henrick Raessen hueren man en voigt heeft verkocht Katelijnen weduwe wijlen Gerit Oerlmans hueren moeder een huys en erve met sijnre toebehoren tot alsulkenstad gelegen met sulker wairnisse vt in ka transfixa gevest act vt in supra.


RA Oosterhout 262 f 79v 30 maart 1497

Janne Gerijt Oelmans vercoft Willem Jan Cleijsz een buijnder weijen luttel min oft meer alsoe groot ende soe cleijne alst gelegen is tot Dorst ende Matheeus Jansz van den Brande toebehoren plach, daer Jannen op gedeelt was, also de erfgenamen dat bekent hebben, Godert Cleijs opte suijtsijde en Godert Jan Aerts opte noortzijde streckende oestwaert opt acker, vrij met heren cijns gevest.

Willem Jansz voirs vercoft Jannis voirs een bunder beemden alsoe gelegen is Gerijt Jan Gerijts met sijne erve opte suijtzijde en Willem Jans I bunder opte noortzijde, streckende oestwaert op Aert Peterssoen ende weswaert oic op Willems andere erve, vrij met heren chijns en met alsuke rog als (…) seggen sullen, gevest beye xxx marten anno voirs


RA Oosterhout 262 f 82v 3 juli 1497

Kathelijne Gerijt Oelmansdr Heyn Loyers huijsvrou met Aerden Meersel hueren voight bij absent huers mannen Ende heeft gecoft vuijt tsheren handt alle alsulcke erflic gueden het zij erfenisse, huijsinge ende hovinghen daer Matheeus Jans van den Brande vut gestorven is en Adriaen sijnz (..) hebben also die bijnnen Oesterhout gelegen zijn in hoige, in leege, in naet, in droege ende vutgescheijen. Behic eende ijegelijc zijn voer recht (…) gevest Kathelijne iii julij anno voirs.

Opmerking blijkens onderstaande inschrijving verwierf Kathelijne Gerijt Oelmansdr de boederij met vijf bunder die van haar oom Matheeus Jansz van den Brande waren geweest. Deze boederij komt later in handen van de familie Van de Biestraten.

RA Haghe R 418, f. 72v, 27 maart 1509

Quam Soete Jan Buijssen dochter weduwe wijlen Henrick Jacopsz met Adrianen Woutersz hueren voigt en heeft vercoft Katheline Jansdr van den Brande een gerecht vierendeel van vyerdalf buijnder beemden luttel gelegen gemeijn en ongdeelt met Jan Oirlman ende metten voirsz Katheline dien dander gedeelte toebehoirre en sijn gelegen tot Overvelt opten Muijsberch neve Henrick Stercke westwaert, noortwaert neve Otte Blocxken en oostwaert neve Peter Adriaens erve te vrijen met sine aengedeelt van omtrent elf stuvers en een oirt erflic en met sine aengedeelt van sesthien stuvers en een oirt erfelic jaerlicx vuijtstaen opte geheele vyerendalf buijnder beemden voirs en met sheren chijnse, gevest actum ut supra.

Deze drie bunder in Princenhage stond eerder op naam van Gherijt Oelmans.

Kathelinen chijnse van den beghijnhove tot Breda

In den yersten X schellingen VI penningen groten payments, op III buynre erfs, gheleghen tot Overvelt, (in die Haghe,) neven Dieric Boelen zoens goet op die een side ende Wouters erve van Goerle op dander side. Hieraf is een brief, die copie vijndi op XIIII. Dit pant besit nu Heinric van Goerle. / Dit betaelt half Gherijt Oerelman aen die Tolbruc ende Peter Jans zoen van Gorle, tot Overvelt die ander helft. (i.m.) Bamisse

Breda Protocol van civiele en criminele vonnissen 1519-1526, f 31v 5-3-1522

Aerden en Cornelie, Cornelis Blerincx kinderen, contra Henrick Loyers Raes. Zij voerden een procedure tegen de tweede man van hun moeder. Tot hun moeders goederen behoorde o.a. een rente die werd geheven te Dorst.

Oosterhout Cijnsboek 1524

Nu Cleys Goen Cleijsz

Kathelijn Gheerijt Oelmansdr Heijn Loeijers huijsvrouwe van

ii buijnder van ii buijnderen die Matheeus Jansz van den Brande huers oems waren ende voirtijts Jacop Adriaen Kyebooms ende sijn gelegen tusschen de Berschot en Jan Reijnen van der Munten zoon erve...9 denier

Ende noch van i buijnder van ii buijnderen ende opt tsiendeel van i buijnder van ii buijnder die Matheeus voirgenoemd waren ende voertijts Heijn Sweert waren gelegen tusschen Peeter Alaerts erve was en Jan Thijs Meijnensz..3 denier..2..

Ende noch op omtrent ii buijnder daer haer huijs op staet dat Matheeus voers was. Jan Adriaen Reijnersz westwaert en Jan Thijs Meijnen gelegen oostwaert, streckende suijtwaert op straet.

Ende noch i buijnder heijvelt uijt ii buijnder die Peeter Godert Alaerts voirtijts waren, ghelegen Kathelijn voirgenoemd opte noortside en Jacop Adriaen Kyeboom opte suijtzijde.

IIIa. Jan Heynen van den Brande, woonde ten Hout (in het westen van Oosterhout).

Jacob Gerijt Snijers verkocht Jan Heynen van den Brande een huis met erf van omtrent 2 lopensaet (RA 262 f. 21)

IIIb. Jan Petersz van den Brande, geb. naar schatting 1460 ovl. ca. 1495 woonde te Dorst (Oosterhout) waar hij een hofstede bezat;

Kinderen:

1. Aenken

2. Kerstine (Stijnken), tr. Jan Anthonis Minderhouts, hij woonde in de Heystrate te Breda.

Jan bezat een erf met huis en hof van 8 lopensaet (RA 261 f 66v). Van zijn broer verwierf hij 9,5 lopensaet (RA 261 f 78v) Zie hierna IIIc. Hij bezat ook een stuk land geheten Schoetken waarop Lijsbeth Lenaerts van den Brande een rente hief (RA 261 f 79v). Deze rente werd verkocht aan zijn broer Peter Petersz.

Jan verkocht aan zijn broer Peter een “weyken” te Dorst van 4,5 lopensaet. Aan Jan Lammen Wijtens verkocht hij een half bunder erf met daarop een huis gelegen tussen “Peter Peters van den Brande op de ene sijde ende Theeus van den Brande op de andere sijde hodende op ‘sHerenstraet”.

Na het overlijden van Jan was zijn broer Dierick Petersz voogd en Willem Gerijt Bogemackers of Boegmackersz toeziend voogd van de beide beide dochters van Jan. Zij verkochten de hofstede van Jan te Dorst (bestaande uit 11 lopensaet en 15 roeden erfs waar de schuur op staat) aan Peter Ghijben (van der Tateringe). Deze hofstede had Jan eerder gekocht van zijn broer Peter toen omschreven als “elf lopensaet lant met huijs en hof daarop staende Dierick Petersz met zijn erve gelegen op de suijtsijde ende Willem Petersz op de noortsijde streckende westwaert op ‘t Gemeynte en oostwaert op Willem voorsz weye”.

RA Oosterhout 261 f66v 12 juni 1489 Jan Petersz van den Brande vercoft Claes Joes van der Raeck i rijnsgulden tsiaers erfchijns te betalen tot Johannes Baptisten vut en op acht lopensaet lants metten huijsen en hof daerop staende daer hij op woendt, Matheeus Jansz van den Brande opte oestzijde en (…) van den Brants kijnder opte westzijde hodende voer op tsherenstraet te weten den Berschot van de aft op Heyn Mertens erve, vrij met heren chijns en viii lopen rogs voer vutgaen ende medepant wesen in ii zester rogs erfpachts die vut anderen erve zijn vut te geven, gevest en tot heuren en tot Laureys sijn brueder en Margriete sijne suster behoeff xii junij.

RA Oosterhout 262 f 58v 8 april 1495 Jan Petersz van den Brande vercoft Peteren zijne brueder een weyken te Dorst omtrent vierdalf lopensaet groet alsoe gelegen is Willem Petersz op deen zijde en Jan voors. noch met sijne erve op dandersijde hodende west op tsherenstraet vrij met herenchijns en anderhalf lopen rogs erfpachts ende eenen gulden erfchijns jaerlicx vutgaen ende medepande te wesen bijpant dat schuldic is medepant oft bijpande te zijn, gevest Peter opte dach voirs.

RA Oosterhout 262 f 58v 8 april 1495 Jan Peterssoen van den Brande vercoft Jan Lammen Wijtensz een half buijnder erfs min oft meer metten huijse daerop staende Peter Peter Jans van den Brande op deen zijde en Theeus van den Brande op dander zijde, hodende west op tsherenstraet vrij met sijne herenchijns ende ix lopen rogs erfpachts en ene gulden refchijns jaerlicx vutgaen ende medepant en bijpant te wesen ut supra, gevest opten dach vors.

IIIc. Peter Petersz van den Brande, bezat grond te Dorst in Oosterhout, woonde onder Raamsdonk waar bezittingen van zijn echtgenote lagen, ovl. voor 1 feb. 1525, tr. Heilwich Wouter Bontsdr. Zij tr. eerder Joes Jansz.

Kinderen:

1. Mary tr. Zegher Adriaen Segers, won. Raamsdonk;

2. Wouter, volgt IV.

Peter van den Brande werd in 1504 lid van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in ’s-Hertogenbosch. De Broederschap, in 1318 officieel opgericht ter ere van Maria, kwam samen in de eigen kapel in de St. Janskerk. Vanaf 1371 konden ook ‘gewone’ of buitenleden toetreden, onder wie vrouwen. Hun namen werden genoteerd in de jaarrekeningen. In 1527 werd de doodschuld van Peter van den Brande wonende te Raamsdonk betaald.

Heilwich had uit haar eerste huwelijk een dochter Cornelia Joes Jansdr. die tr. Steven Ariaensz. Zij was ook lid van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. In 1529 werd haar doodschuld betaald. Vermeld als: Heylken Peters van der Brands huysv. Haar moeder “Adriana Wouter die Bonts wyff in Raemsdonck” deed in 1491 intrede.

In 1490 gaf Peter Petersz van den Brande uit aan zijn broer Jan (IIIb) een perceel van 9,5 lopensaet “zo landt en heyen” gelegen ten oosten van de Berschot (grond die door de boeren van Dorst gemeenschappelijk werd gebruikt) (RA 261 f 78v), ten noorden, oosten en zuiden van dit perceel lagen de gronden van zijn broers Willem en Enrick.

Lijsbeth Lenaertsdr van den Brande, die was getrouwd met Jan Faess, verkocht de rente die zij hief op ‘t Schoetken aan Peter (RA 261 79v). Zij had deze rente verkregen van haar tante Juetken Heyn Horsten huisvrouw.

RA Oosterhout 262 f 58 8 april 1495 Peter Petersz van den Brande vercoft Jannen zijne brueder elf lopensaet erfs met eene huyse ende hof daerop staende, Dieric Petersz hueren brueder met hueren erve gelegen opte suytzijde ende Willem Petersz opte nootzijde streckende westwaert opte gemeynte en oestwaert oic op Willems voirs weye, vrij met heren chijns ende drie viertelen rogs en (…) van eenen lopen jaerlicx vor vutgaende Ende een halster rogs erfpachts dat Peter voirs. daer jaerlicx op heffen blijft altoos te lichtmis, gevest opte dach voirs.

RA Oosterhout 262 f 81v 8 mei 1497

Jan Jan Snijers zoon schuldich Peter Peter Brants, een halsetr rogs erfpachts altoos te lichtmisse vuten en op sijn vutgegeven gued, te weten seven lopensaet erfs met huijs en hof daerop staen, Griet Peter Diericx en (…) opte westzijde en Cleijs de We(…) op doestzijde, streckende metten eenen eijnde opte ackerdijck metten ander eynde opte Broecstraet, vrij elftalf lopen rogge erfpachts voer vutgaen te weten vuten iii lopensaet iiii lopens en vute iiii lopensaet vi lopen (…) gevest viii maij.

RA Oosterhout 262 f 98 4 december 1497

Peter Peters Brants vercoft Adriaen Ghijsbrechtsz te Dorst drie lopensaet weije geheten ‘t Schoetken ut in ka, vrij met twee lopen rogs vutgaen jaerlicx ende mede pand te zijn dat schuldic en medepand te wesen, gevest iiii december anno xcvij, Adriaen voirs opte suijtzijde Willem Petersz op die noortzij.

Ca. 1496 is Jan Jan Snijers aan Peter Peter Brants een half rogs erfpacht verschuldigd uit land gelegen nabij de Broekstraet te Dorst. . Hij verkocht als Peter Peters Brants ‘t Schoetken (drie lopensaet weiland) aan Adriaen Ghijsbrechts (RA 262 f 98). Van zijn broer Willem kocht hij een stuk land genaamd Espken drie lopensaet groot.

Peter Peters en Willem Peters van den Brande worden genoemd te Oosterhout in 1519-1521 (RA 265).

Willem van den Brand als gecoeren voicht en Cornelis Jan Meynarts als toesiender van Wouter, Peter van den Brants onmondige weeskynt, die daer omme vercoften Jan Adriaensz van der Munten een veertel rogs erfpachts die den weeskynde voirsz bestorve is nae doot van zijne vader en gedeelt hadde tegens zijn susteren; 6 februrai 1525.


IIId. Willem Petersz van den Brande (Brants), woonde Breda, bezat grond te Dorst in Oosterhout, ovl. in of voor 1536; tr. (1) Kathelijn Willemsdr. van Dongen, tr (2) Jehenne Geryt Elsackers, tr. (3) Godelt Jan Anthonis Claesdr.

Geen kinderen nagelaten.

Willem verkocht 26 maart 1499 een huis aan de Veemarkt te Breda. Zijn vrouw Kathelijn van Dongen verkocht in okt. 1502 een huis te Breda.

RA Oosterhout 262 f77 13 februari 1497

Dingen Jan Lambrachts dochter met Michiel Scrivers hueren voight bij absente Willem Gerijts hueren man, vercoft Adriaen Ghiben iiii lopensaet erfs metten huijse daerop staende alsoe dese stede gelegen is te Dorst Theeuw van den Brants erfgenamen erve oestwaert en Willem Petersz van den Brande westwaert streckende noortwaert op thserenstraet te vrijen met seven lopen rogge jaerlic vutgaende gvest den xiii februari anno 1497

RA Oosterhout 262 f 79 16 maart 1497

Willem Peter Brants vercoft Peteren zijnen brueder drie lopensaet land geheten de Espken te Dorst gelegen vut v lopensaet daer Jan Snijers de ii af heeft ut in ka, die bij mij is gevest Peter xvi marien anno xcvii Ende Peter heeft dit wederom vercoft Jan Snijers ende (…) op twtijt daer zijn geboden heeft, gevest Jan xxix april xcvii,

Margriet Peter Diericx opte zuijtzijde, Jan selfs opte noirtzij, vrij met heren chijns vi lopen rogs.

RA Oosterhout 262 f 104v 17 mei 1498

Willem Peter Brants vercoft Jan Rombouts xiii lopen en i derden deel van eenen lopen roggen erfpachts ut in ka die bij mij gevets is Jan xvii may. Los welic viertel xiii gulden en tot enen mael te quijten zal zijn.

Willem Petersz te Dorst was belender aan de noord en oostzijde van het perceel van 9,5 lopensaet “zo landt en heyen”dat zijn broer Peter aan zijn broer Jan uitgaf (RA 261 f 78v). Zie ook bij IIIc.

Willem kocht van zijn oom Gherijt Jansz van den Brande (IId) 3 lopensaet land dat van diens vader Jan (I) was geweest, gelegen ten zuiden van de Broekstege te Dorst met als belenders Jan Ghijb Claeysz en Jan Jan Snijers (RA 261 f 79).

Willem Peter Brants verkocht aan zijn broer Peter (IIIc) drie lopensaet land geheten De Espken (RA 262 f 79). Aan Willem Michiels Daems verkocht hij een rente op een half bunder weiland geheten De Weije.

Willem Petersz van den Brande verkocht aan Peter Ghijsbrechtsz 15 lopensaet land. Hij verkocht als Willem Peter Brants aan Jan Rombouts 13 lopensaet en een derdendeel van een lopen rogge erfpacht.

Willem Peters en Peter Peters van den Brande worden genoemd te Oosterhout in 1519-1521 (RA 265)


GAB vestbrieven Breda R 433, f. 115v, 28-10-1528,253

Quam Willem Jacopsz van Bavel. Kende en lijde dat hem Willem vanden Brande alnu gedaen ende bewezen heeft goede scheydinge en deylinge van alle de goeden, haef ende erve die Jan wijlen Jehnne vanden Elsacker des voors. Willem vanden Brande huysfrou en des voirs. Willem vanden Brandt alnu deuchdelic vernuecht, tevreden gestelt en betaelt heeft van alle den versterft, successie Recht ende gedeelt dat hem Willem Jacopssen vander voirs. Jehenne zijnde moeye bestorven en aengecomen was nu ter tyt vervallen ende dat hem naemaels na der doot van den voirs. Willem vanden Brande bevallen mocht, soo dat hij Willem Jacops hieraf geheelic en al quit geschonden heeft ende schelt quit voir hem en voir sijne nacomelingen den voirs. Willem vanden Brande en sijne nacomelingen sonder enich Recht, actie oft querelen ophem te behouden en achtervolgende dien heeft de voirgen. Willem Jacopssen oic gerenunceert ende vertegen, op alle de goeden, haeffelic en erffelic etc. die wijlen Jehenne vanden Elsacker zijn moeye voirgen. achtergelaten heeft om die altesamen voir zoo veel als hij Willem Jacopssen daer nu in gerecht was bij de voirs. Willem vanden Brande en zijn nacomelingen etc. Actum ut supra.


1536 Godelt Jan Anthonis Claessdochter, wedue was wylen Willemen van de Brandt (Willem Petersz van den Brande uit Dorst), met Claessen Hughenz. hueren man nu ter tyt, en de overige erfgenamen wylen Willem van den Brandt, aengaende de hofstadt ende erve, daer een huys opte staen plach, dwelc etc. daer wylen Willem van den Brandt vutgestorven is, gelegen in de Gasthuysstrate, neven de hofstadt, die Petere Gheryt Piggenzone toe te behoiren plach, op deen zyde ende de hofstadt, die Aerden Fraey toe te behoiren plach. Gedeelt is Godelt Willem van de Brandt wedue. (R441-113-1536)


R 676 Ginneken f 121r/121v 15 september 1528

Quam Roelen Engbrecht Ruelens en Jan Cornelis van den Merberch zijn brueder voir hem selven en oic in de name van Mathijs en Gertruijdt wijlen Cornelis van den Merberch soon en dochter die voirsz Ruelen Engbrecht Ruelens hier inne geloofde te vervangen en vervinck Peter Henricxszone de smit woonende tot Roesendale als man en voight en in de name van Jehenne Petersdr van Lyer sine huisvrouw die hij hier inne vervinck de voirs Peter Henricxszone oic als gemechtich van Adriaen Floris metser als vocht van Adriaen, Cornelie en Dingen wijlen Peter van Lyer de metsers weeskinderen dair dezelve Peter Henricxszone toesiender af is nae uitwijs der procuratie dair af zijn bezegelt meter gemeen segel der scepenen in Roesendale van der datum den laatsten dach in augusto anno 1528; Sophie Jan Anthonisdr en Godelt Jan Anthonisdr heur suster met (..?..) Jan Symonsz hon beider voight voir selven en oick de voirs Sophie in de name van Henrick Jan Anthonisz heure brueder die zij vervinck oick in de name van Laureys Jan Anthonisz heure brueder kynderen die zij Sophie oic vervinck Jehenne Adriaen Jan Anthoniszdr met Luijcken Jan Simons heure voight en de voirs Sophie Jan Anthonisdr met heure voight oic inde name van Claes Adriaen Jan Anthonisz die zij vervinck kenden ende lijden dat hen Dyrck Beerten met zijne gerede ende gestelde penningen vol ende al betaalt zijn wel ende wettelijk afgelost heeft drie viertel rogs tsiaers erfpacht goet en rustbair vut ende in mindernisse van alsulcken een zester rogs erfpacht als de voirs Dyrc Beerten jairlicx ende erffelic vutrijcken; is geweest wijlen Jan van Lyer nae wiens doot tvoirs een zester rogs erfpacht zijne erfgenamen gebleven is behoudlic dat Margriet Jans van Lyer weduwe dat huer leven lanc geheven heeft zoe wij verstonden, van welc een zester rogs erfpacht voirs, Aert van Lyer den viertel rogs erfpacht heffen blijft zoe zij seyden welk zester rogs erfpacht voirs Aert van den Brande voirtijts den voirs Jan van Lyer verlijt heeft op zeker huijsingen ende erfenisse ende opt erve dair aen liggende houdende omtrent twee bunder en op een stuck lants houdende omtrent acht lopensaet met een bunder heyvelts dair aen liggende gelegen tot Lijndonck die de voirs Aert van den Brande van den voirs Jan van Lyer tot een rechte erve genomen hadden na uitwijs des scepenbriefs dair af zijn die was van de datum in t jaire 1479 twee dage in Marte welken brief zij comparanten als nyet bevinden ende comen; etc (verder kwijting van de drie viertel erfpacht)


IIIe. Dierick Petersz van den Brande (Brants), hij bezat een huis met hof (2 bunder groot) gelegen te Dorst. Dit stuk land, geheten Luttelschot, lag aan de Berschot (noordzijde). Dierick bezat ook een aandeel in het Breevenne te Dorst (tweedeel vander ghemeijnder wildert ende vanden Breevenne). Hij tr. Cornelie Reijnersdr van de Munten.

Kinderen:

1. Marie, tr. Godert Jan Michiels, won. Dorst. Zij verkoopt grond te Dorst RA 264 f. 85v.;

2. Kathelijn tr. Cornelis Peter Meus, waaruit twee zonen Dirck Cornelis Petersz en Peter Cornelis Petersz


RA Oosterhout 262 f68v 14 maart 1496

Dierick Petersz van den Brande als voight ende Willem Geryt Bogemakersz als toesiender Jan Peters twee weeskijnderen vercoft bij vrunden Peter Ghijben een stede te Dorst omtrent xi lopensaet groot en xv roeden erfs daer de schuere op staet ut in ka, die bij een is Dierick Peters op oestzij, Aert Peter Aertsz west, vrij meten heren chijns en v viertelen ende vijf lopen rogs erfpachts die de voirs kijnderen geheyten Aenken en Stijnken Jans voirs twee dochteren jaerlicx heffen sullen alle jaer te lichtmisse vuyt ende op hueren vutgegeven gueden voirs, item loss van nu lichtmis naestcomenden, sij vier jaeren de viertel met xvi gulden en tot eenen mael te quijten en metten verschenen pacht opte pacht dach.

RA Oosterhout 262 f 87 13 februari 1499

Dierick Peter Brants als voight en Willem Gerijt Boegmakersz als toesiender Jan Petersz van den Brande twee weeskijnderen geheyten Aenken en Stijnken bij vrunde en magen hebben vercoft Kathelijne Heijn Loijers wijf seven lopens rogs erfpachts ut in ka, gevest Arnolden tot Kathelijne behoef opten dach voirs.

Dierick Peter Brant wordt genoemd als belender van Peter Ghijben van der Tateringe te Dorst ca. 1498. De Oosterhoutse legger van cijnzen uit 1521 vermeldt:

"Dierick Peeter Brants soen te Dorst op I buijnder gelegen in den Luttelschot dat sijns vaders was ende voortijts Jans van Eijssel was bij sijn huijs gelegen Marie Thijs Lauwereijs weije teijnden dane zuijtwaert Adriaen Ghijbensoen met sijne erve oestwaert ende Peter Giben westwaert III d(enier).

Ende noch opte in daer Peeter Ghijben dat derdendeel af heeft. Dat oick Jans van Eijssel was voertijts ende nae Peeter Jansz van den Brande was II d(enier) III pieck."

Het genoemde Luttelschot (= kleine schot) is een andere aanduiding voor 't Schoetke dat van zijn vader was geweest.

RA Oosterhout 264, 31 maart 1516 f. 120v. Marie Dirck Brands dochter met Goiaert Jansz horen man en vocht vercoft Cornelis Peter Meus soon die helftscheydinge van ii bunder erfs met huis en hoff daer op staande, gelegen te Dorst aen den Berschot nord sij, Ariaen Gijben oest, Wouter de Vet (of Voet) suijd, de gebeurgemeint geheyten dat Voirtken west, vrij met heren chijns, (…) iiii veertel rogs erfpacht verschijnende te lichtmis op erve voirs.

En Kathelijn Dircksdr met Cornelis (Peter Meus) horen man en vocht set te bypande de ander helft van de stede voirs welker haer aen bestorven is nae doet haers vaders

te lossen die x lopen voirs die veertel met xviii gulden en noch 1 veertel met xvi gulden.


Oosterhout chijnsboek 1524

Godert Jan Michiellsoen te Dorst op die tweedeelen van omtrent twee bijnder die Dierick Peeter Brants waren ende van der hoffstadt daer hij op woent gelegen in den Berschot, Wouter Janssoen met sijnen erve dat Peeter Ghiben was opte zuijtside tsheerenstrate ende den Bersschot langs neeven opte noortside, streckende oistwaert op sijns selfs erve ende Adriaen Ghiben..iiii gans ende ii deel van i gans.


IIIf. Jan Gheryts van den Brande, bezat land gelegen in Leijssen te Oosterhout op ‘t Acker en nabij de Hoefschenweg.

Jan Gherijtsz van den Brande verkocht Gielis Jan Gielisz thien lopens rogs tsiaers erfpachts en twintig stuivers uit drie lopensaet gelegen bij de Hoefschen weg (10 feb. 1543).

Jan Gherijtsz van den Brande kocht 7,5 lopensaet lants (27 feb. 1548).

Jan Geeritsz van den Brande verkocht Cornelis Henricsz de Smit drie loopensaet saylants ende 18 roeden luttel min ofte meer gelegen op ‘t acker neven Bouwen Jan Gysels erfgenamen aen de zuytzijde en des voirsz Jan Geeritsz ander erve aen de nortzijde hodende oostwaert op Cornels voirsz ander erve en westwaert op Willem Peeter Joerdens erfgenamen vrij met heren chijns (29 jan. 1552, RA 273).


IV. Wouter Petersz van den Brande alias Brandeke de Metser, ook genoemd Wouter Godert Brants, metselaar, te Breda, geb. omstreeks 1505-1510, tr. Anthonie Godertsdr van Spul, dochter van Godert Jans van Spul en Anthonie Cornelis Koecx dochter.

Kinderen:

1. Godert Wouter Godert Brants volgt Va.

2. Maria Wouter Godert Brants, tr. (1) Claes van Stichel, van Antwerpen, poorter Breda (1570), tr. (2) Aert Dirck Boschmans, zij ovl. in of voor 1594.

3. Peter Wouter Godert Brants, wonende te Rotterdam, volgt Vb.

4. Jenneke Wouter Godert Brants, wonende te Leiden.


Wouter Peters van den Brandt werd in 1543 poorter van Breda werd, afkomstig van Raamsdonk.


Zijn huis op Ginnekenseinde gelegen naast het huis Wagenrat (of Rat) is belast met 6 stuivers voor de capelle van sint Jan en 23 stuivers voor de Heilge Geest.


Wouter Petersz van den Brande was 1 feb. 1525 nog minderjarig; te Oosterhout ca. 1530 vermeld met zijn zus als Wouter Peters van den Brand;


GAB vestbr. Princenhage R 709, f. 24, 14-04-1541

Quam Anthonie Godertsdr van Spul met Wouter Petersz van den Brande hare man en voogd, heeft vercoft Adriaen wijlen Claes Cornelis Claes sone een stuck lants houdende omtrent 5 loepensaet dwelck heur na de doot van wijlen Anthonie Cornelis Koecx dochter heure moeder is toegecomen en aenbestorven soo sij seijde.

Gelegen in Heghe inde Huysacker, zuid en west: Jacop Jan Blerincx zoon erve, noord: Adriane, Mercelis Jan Mertens wedue en oost: aen Gheryt Hubrechts kynder erve, met een erfgebruijckwech over de voors. Adriane Mercelis Jan Mertens wedue erve tot sheerenstrate toe. Gevest.


Va. Godert Wouter Godert Brants

Kinderen:

1. Wouter volgt VIa

* 2. Peter volgt VIb


Vb. Peter Wouter Godert Brants, wonende te Rotterdam (1594).


VIa Wouter Goderts van den Brandt, ook genaamd Mr. Wouter van den Brande, metselaar, stratenmaker (1595), ingenieur fortificatiewerken 1599-1602, gesneuveld in 1602 (mogelijk te Oostende), tr. Elisabeth Wouters. Zij woonden tot ca 1599 in Breda. Elisabteh ovl. na 11 augustus 1610.

Kinderen: (gedoopt RK kerk Brugstraat):

1. Godert, ged. 25 april 1588;

2. Anthonia, ged. 1 april 1590;

3. Johanna, ged. 27 juni 1592;

4. Christina, 19 dec. 1594.

Wouter genoot als militair ingenieur het persoonlijk vertrouwen van Prins Maurits. Hij werd op diens voorstel benoemd en Maurits adviseerde persoonlijk om hem naar Weezel te sturen toen de stad een versterking van de fortificaties nodig had. Hij steunde diens plannen voor de verbetering van de fortificatie van Oostende en beviel hem weer naar Holland te komen toen het werk daar in gang was gezet.

Wouters Goderts van den Brandt werd in 1599 benoemd als "ingenieur of werckmeester" van de fortificaties. Op 7 januari 1600 werd hij door Prins Maurits aanbevolen bij de Staten-Generaal en Raad van State. Op 10 januari 1600 werd hij benoemd te ingenieur. Vgl. F. Westra, Nederlandse ingenieurs en de fortificatiewerken in het eerste tijdperk van de Tachtigjarige Oorlog, 1573-1604.

Op 7 maart 1601 werd Wouter Godevaertsz van den Brant op bevel van Prins Maurits gezonden naar Wezel om aan de fortificaties te werken. Hij kreeg voor zijn reis 60 gulden toegezegd.

In februari en maart 1602 adviseerde Mr. Wouter over de fortificaties van Oostende.

"Aengaende de reparatien ende het maken van de voirder fortificatien binnen Oistende, conformeren hen insgelijcx d'heeren Staten mettet advis van den Raedt, te weeten, dat men sal maken de halve mane in 't Zuytoosten, twee redoubten in den polder ten Westen ende voirts de fortificatien volgende het advis van Mr. Wouter van den Brande". (Resolutien van de Staten-Generaal 25 maart 1602).

Op 1 mei 1602 kwam te Oostende het bevel van Prins Maurits, inhoudende dat men "den Ingenieur Wouter van den Brant belasten soude dat hij in alder diligentie naar Hollandt soude comen / om beneffens andere te velde ghebruyckt te werden / ende bij so veere hij eenighe wercken onderhanden hadde / dat men die voor sijn vertreck overlveren soude in handen van den Ingenieur M. David van Oorliens" (Fleming, Belegheringhe der Stadt Oostende, p. 254).

Later in 1602 sneuvelde Van den Brandt, mogelijk tijdens de belegering door de Spanjaarden van Oostende.

De strijd rond Oostende werd door tijdgenoten genoemd als een van de belangrijkste belegeringen van de Tachtigjarige Oorlog. Hondius (1624):

"Dit beleg was gelijk een Academie oft hooge schole voor allerhande krijchslieden, als oock officiere, mede van Ingenieurs..."

Op 11 augustus 1610 werd het rekest "van de weduwe van ingenieur Wouter van den Brande" door de Staten-Generaal afwegezen. Waarschijnlijk verzocht zij om een (nader) weduwepensioen.

VIb Peter Godert Wouters Brandt, mr. metselaar, tr. Breda 4 juni 1594 Henricxken Joris Peter Henricx van der Hagendr. dochter van Joris Peters Henricx van der Hagen, smid, en Marie Wouter Coomans. Beide kinderloos overleden na 8 augustus 1620.

Op 8 augustus 1620 laten zij voor notaris L. Rietraet te Breda een mutueel testament maken met een legaat van Hendricxsken voor haar nicht Maeijken Jan Dielis. Hij tekent met: “Peeter Goiaert Brandt”